Maand: augustus 2023

In Vlaanderen werd ingegrepen op de indexatie van huurprijzen middels het decreet van 3 oktober 2022 tot beperking van de indexatie van de huurprijzen om de gevolgen van de energiecrisis te verlichten.[1] Het decreet is van toepassing op woninghuurcontracten die in werking traden vóór 1 oktober 2022. Hiermee wil de Vlaamse wetgever enerzijds voor huurders betaalbaar wonen tijdens de energiecrisis garanderen en anderzijds verhuurders aanmoedigen de energetische prestaties van huurwoningen te verbeteren.[2]

Huurprijs en indexatie

Een huurprijs wordt op het ogenblik van ondertekening vastgesteld voor de volledige duurtijd van de huurovereenkomst. Vanaf de contractsluiting kan de verhuurder de huurprijs in principe niet meer eenzijdig wijzigen, hetzij onder strikte voorwaarden (bv. na bepaalde energiebesparende maatregelen).

De verhuurder heeft wel recht op jaarlijkse indexatie van de huurprijs, met name op de verjaardag van de aanvangsdatum van de huurovereenkomst (artikel 34 Vlaams Woninghuurdecreet). De huurprijsindexatie wordt niet automatisch doorgevoerd en is evenmin verplicht. Indien de verhuurder evenwel overgaat tot indexatie, is hij of zij gehouden aan volgende wettelijke formule:

(basishuurprijs x nieuw indexcijfer) / aanvangsindexcijfer

Verhuurders (en huurders) kunnen voor deze berekening gebruik maken van de huurcalculator van de Federale Overheid.

Gedifferentieerd stelsel vanaf 1 oktober 2022

De ingreep op de indexatie is van toepassing op huurovereenkomsten voor een hoofdverblijfplaats die in werking traden vóór 1 oktober 2022. Zowel overeenkomsten afgesloten vóór 1 januari 2019 (toepassingsgebied Woninghuurwet) als overeenkomsten afgesloten vanaf 1 januari 2019 (toepassingsgebied Vlaams Woninghuurdecreet) worden getroffen. Studentenhuurcontracten zijn uitgesloten van het toepassingsgebied.

Het Vlaams decreet tot beperking van de indexatie introduceert een gedifferentieerd stelsel van tijdelijke bevriezing van de indexatie van de huurprijzen. Gedurende 1 jaar is de mogelijkheid tot indexatie gekoppeld aan het energiepeil van de woning, weergegeven door het energieprestatiecertificaat of kortweg het EPC.[3]

Energiescore Energielabel Indexatie?
0 of minder dan 0 kWh/m² per jaar A+ Ja
Tussen 100 en 1 kWh/m² per jaar A Ja
Tussen 200 en 101 kWh/m² per jaar B Ja
Tussen 300 en 201 kWh/m² per jaar C Ja
Tussen 400 en 301 kWh/m² per jaar D Ja, gedurende 1 jaar slechts 50%
Tussen 500 en 401 kWh/m² per jaar E Nee, gedurende 1 jaar
Hoger dan 500 kWh/m² per jaar F Nee, gedurende 1 jaar
Onbekend Nee, gedurende 1 jaar

Na het Vlaams decreet tot beperking van de indexatie, volgde ook de Brusselse en Waalse regering met een initiatief tot beperking van de huurindexatie. Inhoudelijk bevatten de maatregelen van de drie gewesten evenwel kleine verschillen.

Correctie vanaf 1 oktober 2023

De eenjarige periode van beperkte indexatie is thans nagenoeg voorbij. Vanaf 1 oktober 2023 komt een correctie in plaats van de beperking. De wetgever wou vermijden dat de huurprijsindexatie na 1 jaar opnieuw ten volle zou spelen. Zodoende geldt voor de minst energiezuinige woningen een tweede maatregel vanaf 1 oktober 2023.

Voor woningen met energielabel A+, A, B of C verandert er niets. De huurprijs van dergelijke woningen mag nog steeds op de gangbare wijze worden geïndexeerd. Voor deze woningen verandert er met het decreet dus niets.

Voor woningen zonder gekend energielabel of met energielabel D, E of F is huurindexatie opnieuw toegestaan, doch mits toepassing van een correctiefactor.

De correctiefactor wordt berekend op basis van twee elementen:

  • Het gezondheidsindexcijfer dat het laatst kon worden toegepast bij een indexatie vóór 1 oktober 2022;
  • Het gezondheidsindexcijfer dat bij de eerstvolgende verjaardag van de huurovereenkomst van toepassing zou zijn.

Uiteraard moeten beide maatregelen – tijdelijke bevriezing indexatie en indexatie mits correctie – in samenhang worden gelezen. Een verzoek tot indexatie vanaf 1 oktober 2023 kan niet terugwerken met een periode van drie maanden, zoals in beginsel wel het geval is bij huurprijsindexatie. Gedurende de periode van 1 oktober 2022 tot en met 1 oktober 2023 geldt immers een verbod op indexatie.[4]

Controle

De overheid oefent toezicht uit op de naleving van de maatregel, maar het zijn voornamelijk de huurders zelf die de maatregel controleren. Een huurder die wordt geconfronteerd met een onrechtmatig doorgevoerde indexatie, zal simpelweg kunnen weigeren de hogere huurprijs te betalen en mag de ‘oude’ huurprijs blijven betalen.

Indien een verhuurder toch zou volharden en een procedure aanhangig zou maken bij de vrederechter, zal de vrederechter de vordering van de verhuurder afwijzen indien blijkt dat de huurindexatie niet correct werd toegepast.[5]

Verhuurders die de huurprijs willen indexeren, worden dan ook aangeraden het EPC toe te voegen aan de indexatiebrief.

Impact

In Vlaanderen zouden zo’n 100.000 huurwoningen een EPC-label hebben van E of F en zo’n 90.000 huurwoningen een EPC-label van D. Daarnaast beschikken ruim 100.000 huurwoningen nog niet over een EPC-label, hoewel dit in principe verplicht is sinds 2009. Uit deze cijfers blijkt dat zo’n 300.000 huurders van deze maatregel zullen genieten.[6]

Verhuurders worden alzo aangespoord om investeringen uit te voeren in de huurwoning. Zodra zij het energiepeil van de woning dermate verbeteren, kunnen zij opnieuw indexeren. De hogere woonkwaliteit komt huurders uiteraard ook ten goede.[7]

Er is evenwel reeds een positieve tendens vast te stellen wat betreft de energiezuinigheid van huurpanden. Zo is het aantal huurpanden met een EPC-label A sedert 2018 bijna verviervoudigd, namelijk van 6,5% naar 23%.[8]

Heeft U vragen of wenst U meer informatie over dit onderwerp? Neem gerust contact op met het Studio Legale team op 03 216 70 70 of via joost.peeters@studio-legale.be.

 

 

[1] Decreet van 3 oktober 2022 tot beperking van de indexatie van de huurprijzen om de gevolgen van de energiecrisis te lichten, BS 4 oktober 2022.

[2] Voorstel van decreet (S. SMEYERS e.a.) tot beperking van de indexatie van de huurprijzen om de gevolgen van de energiecrisis te verlichten, Parl.St. Vl. Parl. 2022-23, nr. 1427; X, Geen of beperkte indexering huurprijzen voor woningen met EPC-label D, E en F, Agentschap Wonen Vlaanderen, 3 oktober 2022, https://www.vlaanderen.be/agentschap-wonen-vlaanderen/nieuwsberichten/geen-of-beperkte-indexering-huurprijzen-voor-woningen-met-epc-label-d-e-en-f.

[3] X, EPC voor een residentiële eenheid, https://www.vlaanderen.be/epc-voor-een-residentiele-eenheid; X, Huurindexatie in Vlaanderen: decreet tot beperking van de indexatie van de huurprijzen om de gevolgen van de energiecrisis te verlichten, in voege sinds 1 oktober 2022, StatBel – België in cijfers, https://statbel.fgov.be/sites/default/files/files/documents/Consumptieprijzen/3.3%20Huurindexatie/Nota_decreet%201.10.2022%20NL.pdf.

[4] Voorstel van decreet (S. SMEYERS e.a.) tot beperking van de indexatie van de huurprijzen om de gevolgen van de energiecrisis te verlichten, Parl.St. Vl. Parl. 2022-23, nr. 1427.

[5] P. VAN MALDEGEM, 7 vragen over de niet-indexatie van de huurprijs, De Tijd, 3 oktober 2022, https://www.tijd.be/netto/analyse/vastgoed/7-vragen-over-de-niet-indexatie-van-de-huurprijs/10417621; X, Maatregelen huurindexatie van kracht sinds 1 oktober, CIB Vlaanderen, 3 oktober 2022, https://cib.be/actua/c9ace41e-84e1-48a7-8931-264d1a524601/maatregelen-huurindexatie-van-kracht-sinds-1-oktober.

[6] W. WINCKELMANS, Meer dan 100.000 huurders ontlopen indexering huur, De Standaard, 29 september 2022, https://www.standaard.be/cnt/dmf20220929_93954922.

[7] T. VANDROMME, Gedeeltelijke bevriezing van de huurindexatie voor niet-energiezuinige woningen, De Juristenkrant, nr. 455, 12 oktober 2022, 1 en 4.

[8] P. DE ROUCK, Stormloop op Vlaamse huurmarkt, De Tijd, 17 januari 2023, https://www.tijd.be/ondernemen/vastgoed/stormloop-op-vlaamse-huurmarkt/10440867; W. WINCKELMANS, Meer dan 100.000 huurders ontlopen indexering huur, De Standaard, 29 september 2022, https://www.standaard.be/cnt/dmf20220929_93954922.

Betreft

Een notaris raadpleegde de gegevens van haar ex-medewerker in het rijksregister voor het verzenden van eco-cheques. Beging zij hierbij een inbreuk?

Context

Raadpleging gegevens rijksregister van ex-medewerker door notaris.


Rechtsgrond

Artikel 5.1.a) en c) GDPR: “1. Persoonsgegevens moeten:

a) worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is („rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie”);

(…)

c) toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt („minimale gegevensverwerking”);”

 

Artikel 6 GDPR:

“1.De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan:

a) de betrokkene heeft toestemming gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens voor een of meer specifieke doeleinden;

b) de verwerking is noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of om op verzoek van de betrokkene vóór de sluiting van een overeenkomst maatregelen te nemen; c) de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust;

d) de verwerking is noodzakelijk om de vitale belangen van de betrokkene of van een andere natuurlijke persoon te beschermen;

e) de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen;

f) de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is.

De eerste alinea, punt f), geldt niet voor de verwerking door overheidsinstanties in het kader van de uitoefening van hun taken.

2.De lidstaten kunnen specifiekere bepalingen handhaven of invoeren ter aanpassing van de manier waarop de regels van deze verordening met betrekking tot de verwerking met het oog op de naleving van lid 1, punten c) en e), worden toegepast; hiertoe kunnen zij een nadere omschrijving geven van specifieke voorschriften voor de verwerking en andere maatregelen om een rechtmatige en behoorlijke verwerking te waarborgen, ook voor andere specifieke verwerkingssituaties als bedoeld in hoofdstuk IX.

3.De rechtsgrond voor de in lid 1, punten c) en e), bedoelde verwerking moet worden vastgesteld bij:

 


a) Unierecht; of

b) lidstatelijk recht dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is.

Het doel van de verwerking wordt in die rechtsgrond vastgesteld of is met betrekking tot de in lid 1, punt e), bedoelde verwerking noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of voor de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend. Die rechtsgrond kan specifieke bepalingen bevatten om de toepassing van de regels van deze verordening aan te passen, met inbegrip van de algemene voorwaarden inzake de rechtmatigheid van verwerking door de verwerkingsverantwoordelijke; de types verwerkte gegevens; de betrokkenen; de entiteiten waaraan en de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens mogen worden verstrekt; de doelbinding; de opslagperioden; en de verwerkingsactiviteiten en -procedures, waaronder maatregelen om te zorgen voor een rechtmatige en behoorlijke verwerking, zoals die voor andere specifieke verwerkingssituaties als bedoeld in hoofdstuk IX. Het Unierecht of het lidstatelijke recht moet beantwoorden aan een doelstelling van algemeen belang en moet evenredig zijn met het nagestreefde gerechtvaardigde doel.

 

4.Wanneer de verwerking voor een ander doel dan dat waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld niet berust op toestemming van de betrokkene of op een Unierechtelijke bepaling of een lidstaatrechtelijke bepaling die in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel vormt ter waarborging van de in artikel 23, lid 1, bedoelde doelstellingen houdt de verwerkingsverantwoordelijke bij de beoordeling van de vraag of de verwerking voor een ander doel verenigbaar is met het doel waarvoor de persoonsgegevens aanvankelijk zijn verzameld onder meer rekening met:

 


a) ieder verband tussen de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld, en de doeleinden van de voorgenomen verdere verwerking;

b) het kader waarin de persoonsgegevens zijn verzameld, met name wat de verhouding tussen de betrokkenen en de verwerkingsverantwoordelijke betreft;

c) de aard van de persoonsgegevens, met name of bijzondere categorieën van persoonsgegevens worden verwerkt, overeenkomstig artikel 9, en of persoonsgegevens over strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten worden verwerkt, overeenkomstig artikel 10;

d) de mogelijke gevolgen van de voorgenomen verdere verwerking voor de betrokkenen;

e) het bestaan van passende waarborgen, waaronder eventueel versleuteling of pseudonimisering.

 

Wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen. (hierna Rijksregister-wet)

Artikel 100 WOG:

Ҥ 1

De geschillenkamer heeft de bevoegdheid om:

1° een klacht te seponeren;

2° de buitenvervolgingstelling te bevelen;

3° de opschorting van de uitspraak te bevelen;

4° een schikking voor te stellen;

5°  waarschuwingen en berispingen te formuleren;

6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen;

7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem;

8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden;

9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht;

10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving ervan aan de ontvangers van de gegevens te bevelen;

11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen;

12° dwangsommen op te leggen;

13° administratieve geldboeten op te leggen;

14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of een internationale instelling te bevelen;

15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, die het in kennis stelt van het gevolg dat aan het dossier wordt gegeven;

16° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit.

 §2

Wanneer na toepassing van § 1, 15°, het openbaar ministerie er van afziet een strafvervolging in te stellen, een minnelijke schikking of een bemiddeling in strafzaken bedoeld in artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering voor te stellen, of wanneer het openbaar ministerie geen beslissing heeft genomen binnen een termijn van zes maanden te rekenen van de dag van ontvangst van het dossier, beslist de Gegevensbeschermingsautoriteit of de administratieve procedure moet worden hernomen.”

 

Feiten

De medewerker was in dienst bij de notaris en volgens zijn arbeidscontract alsook het contract i.v.m. de toekenning van ecocheques was hij woonachtig in Wallonië. In tegenstelling tot het contract waarin de maandelijkse bijschrijving van de ecocheques op de ecochequerekening van de medewerker werd opgenomen, werden de ecocheques steeds per post verzonden.

Om de reistijd te beperken verhuisde de medewerker naar Vlaanderen. Hij behield zijn woonplaats in Wallonië.

In 2020 kwam het ontslag van de medewerker, welke in een gespannen sfeer zou hebben plaatsgevonden waarbij alle vertrouwen tussen de notaris en de medewerker zoek was.

Er bleef nog € 56,07 aan ecocheques verschuldigd door de notaris aan de medewerker. Pas na twee herinneringen heeft de notaris deze ecocheques aan de medewerker verzonden na, volgens de eigen verklaring van de notaris, het Rijksregister te hebben geraadpleegd voor het correcte adres.

De medewerker hekelde deze raadpleging van het Rijksregister.

De notaris verklaarde in dit verband dat hij had willen nagaan wat het correcte adres was om de ecocheques naar te verzenden aangezien hij niet zeker was omwille van het feit dat de medewerker een adres in Vlaanderen en Wallonië had.

De Geschillenkamer benadrukt allereerst de omvang van haar eigen bevoegdheid om aan te tonen dat de klacht hierbinnen valt.

De controletaak van de GBA betreft de naleving van de GDPR in haar geheel. Haar bevoegdheid beperkt zich dus niet tot de “fundamentele beginselen van gegevensbescherming”. Evengoed omvat de bevoegdheid van de GBA ook bepalingen met betrekking tot gegevensbescherming vervat in specifieke wetgeving, zoals in casu de Rijksregisterwet alsook bv. de Camerawet zoals reeds in eerdere beslissingen is gebleken.[1]

Het verweer van de notaris dat de GBA onbevoegd is aangezien deze bevoegdheid zich beperkt tot de “fundamentele beginselen  van gegevensbescherming” wordt dan ook door de Geschillenkamer van tafel geveegd.

Daarnaast tracht de notaris te beweren dat de controle i.v.m. de toegang tot het rijksregister een bevoegdheid is van de minister van Binnenlandse Zaken.

De machtiging vervat in artikel 5.1 van de Rijksregisterwet aan de notarissen om toegang te krijgen tot het Rijksregister  wordt inderdaad door de minister van Binnenlandse Zaken uitgereikt.

Het onderzoek of de toegang rechtmatig was, behoort volgens de Geschillenkamer ongetwijfeld tot de bevoegdheid van de GBA. De toezichthoudende bevoegdheid werd namelijk niet bij wet aan de minister van Binnenlandse Zaken toegekend. Een minister voldoet overigens per definitie niet aan de voorwaarden om de taken van een onafhankelijke gegevensbeschermingsautoriteit onder de GDPR uit te oefenen. (artikel 51 GDPR)

Artikel 17 van de Rijksregisterwet verwijst overigens zelf naar de bevoegdheid van de GBA.

De klacht is dus ontvankelijk.

De Geschillenkamer oordeelt dat de raadpleging van het Rijksregister van de medewerker door de notaris niet beperkt werd tot de specifieke uitoefening van het beroep.

Het feit dat de notaris ook via een andere bron (Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid) toegang tot de adresgegevens zou hebben gehad, doet hier geen afbreuk aan. Dit kan enkel in acht genomen worden bij de beoordeling van de sanctie.

De notaris heeft het Rijksregister zonder passende rechtsgrondslag geraadpleegd en aldus een gegevensverwerking verricht waarbij hij zich niet kon beroepen op een van de rechtmatigheidsgronden in artikel 6 GDPR. Hij schendt hierdoor artikel 6 als ook artikel 5.1.a) GDPR dat bepaalt dat de verwerking rechtmatig moet zijn.

Volgens de GBA was de raadpleging bovendien niet noodzakelijk aangezien de adressen in de overeenkomsten vervat waren en de notaris steeds de kans had om in reactie op de herinneringen van de medewerker, de vraag naar het correcte adres aan hem te stellen. Hierbij herinnert de Geschillenkamer aan het minimaliseringsbeginsel vervat in artikel 5.1.c) GDPR.

Met betrekking tot de sanctie maakt de Geschillenkamer een uitgebreide overweging van alle concrete omstandigheden:

  • De schending betreft de grondbeginselen van de GDPR waarvoor een hogere maximale boete kan opgelegd worden;
  • De notaris heeft als openbaar ambtenaar en strikt gereglementeerd vrij beroep een voorbeeldfunctie waardoor vereist wordt dat hij een voorbeeldige houding aanneemt m.b.t de naleving van de wet, inclusief regelgeving inzake gegevensbescherming;
  • Het betreft een alleenstaande schending m.b.t. één werknemer in de specifieke en eenmalige context van vertrouwensbreuk. Daarnaast zorgde de covid-19-pandemie en de opkomende lockdown voor bijkomende moeilijkheden voor de verzending. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de schending deel is van een structureel gebrek bij de werking van de notaris;
  • De notaris is van mening dat adresgegevens betrekkelijk onbeduidend zijn en niet bijzonder gevoelig. Hij heeft geen mogelijkheid om bij de raadpleging van het Rijksregister de zoekopdracht enkel hiertoe te beperken;
  • De notaris heeft verschillende maatregelen genomen om aan zijn verplichtingen als verwerkingsverantwoordelijke te voldoen (bv. benoeming DPO, register van verwerkingsactiviteiten, beleid inzake bescherming van persoonsgegevens voor burgers…);

Op basis van al deze elementen volstaat volgens de Geschillenkamer een berisping.

Uitspraak

De geschillenkamer stelt een inbreuk van artikel 6 GDPR juncto artikel 5.1.a) GDPR vast en legt een berisping op als sanctie.

Onze mening

Net zoals we in eerdere beslissingen met betrekking tot burgemeesters en schepenen hebben kunnen vaststellen, blijft de GBA terecht belang echten aan de voorbeeldfunctie van de notaris in haar beoordeling van de inbreuken.

De toegang tot het Rijksregister is een bevoegdheid van de notaris die énkel wordt verstrekt in het kader van de uitoefening van zijn specifieke beroep. De notaris ging in casu deze bevoegdheid te buiten.

De sanctie van berisping lijkt ons gepast gelet op het feit dat blijkt dat dit een eenmalig voorval is waarbij de notaris geleid werd door de vertrouwensbreuk en de moeilijke omstandigheden in het kader van de pandemie en in dit kader zich wou verzekeren van de correcte adressering teneinde geen verder geschil met de voormalige medewerker te bewerkstelligen.

Beslissing

Beslissing 48/2021

 

[1] Zie bv. Beslissing ten gronde nr. 80/2020 (https://studio-legale.com/rechtspraak-gba-beslissing-ten-gronde-nr-80-2020-van-17-december-2020/ ).

Betreft

Een verhuurder reageert niet tijdig, noch volledig op een verzoek tot inzage van een voormalige huurder. De Geschillenkamer laat hier haar licht over schijnen.

Context

Uitoefening recht op inzage door voormalige huurder t.a.v. voormalige verhuurder.

Rechtsgrond

Artikel 12, lid 3 en 4 GDPR:

“3.De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene onverwijld en in ieder geval binnen een maand na ontvangst van het verzoek krachtens de artikelen 15 tot en met 22 informatie over het gevolg dat aan het verzoek is gegeven. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nodig met nog eens twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van een dergelijke verlenging. Wanneer de betrokkene zijn verzoek elektronisch indient, wordt de informatie indien mogelijk elektronisch verstrekt, tenzij de betrokkene anderszins verzoekt.

4.Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke geen gevolg geeft aan het verzoek van de betrokkene, deelt hij deze laatste onverwijld en uiterlijk binnen één maand na ontvangst van het verzoek mee waarom het verzoek zonder gevolg is gebleven, en informeert hij hem over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit en beroep bij de rechter in te stellen.

 

Artikel 15, lid 1 GDPR:

“1.De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie:

a) de verwerkingsdoeleinden;

b) de betrokken categorieën van persoonsgegevens;

c) de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;

d) indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;

e) dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking bezwaar te maken;

f) dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;

g) wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die gegevens;

h) het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene.”

Feiten

De voormalige huurder stelde op 2 december 2019 een verzoek tot inzage in bij zijn voormalige verhuurder. Op 31 december 2019 wordt hij door zijn voormalige verhuurder verwittigd dat hij de antwoordtermijn met twee maanden verlengt.

Dat antwoord bleef uit en op 3 maart 2020 diende de voormalige huurder een klacht in.

De voormalige huisbaas ontkent niet dat het antwoord uitgebleven is. Hij zou advocaten hebben geraadpleegd om een afdoende antwoord voor te bereiden. Omwille van onderbemanning, werd dit blijkbaar vergeten en nooit verzonden.

Op 2 september 2020, in de loop van de procedure, werd een antwoord geboden. Volgens de voormalige huurder is dat antwoord onvolledig. De voormalige huisbaas beweert dat de vragen die onbeantwoord zijn gebleven niet onder het recht op inzage vallen en hij hier dus niet op moest antwoorden.

De Geschillenkamer verduidelijkt dat het recht van inzage uit drie componenten bestaat.

Als eerste heeft de betrokkene het recht om uitsluitstel te krijgen over het al dan niet verwerken van zijn persoonsgegevens door de verwerkingsverantwoordelijke.
Vervolgens, wanneer er een verwerking is, heeft hij het recht om inzage te krijgen van die persoonsgegevens en meer bepaald ook de informatie vermeld in artikel 15 lid 1, a) tot en met h).[1]

Tot slot heeft hij het recht om een kopie van die persoonsgegevens te verkrijgen.

Bij de uitoefening van het recht op inzage kan een verwerkingsverantwoordelijke inderdaad de initiële antwoord termijn van één maand verlengingen met twee maanden indien hij dit meedeelt binnen deze initiële termijn. Echter, indien hij niet van plan is om gevolg hieraan te geven, moet hij dit meedelen binnen de initiële termijn van één maand én de betrokkene informeren over de mogelijkheid om beroep in te stellen bij de GBA.

Het is duidelijk, en wordt niet ontkend, dat de voormalige verhuurder niet binnen de termijn heeft gereageerd. Hij reageerde pas op 2 september 2020 (kort nadat hij door de GBA geïnformeerd was van procedure ten gronde) terwijl het verzoek dateerde van 2 december 2019.

De voormalige huurder voert aan als reden de langdurige afwezigheid van de behandelende werknemer en volhardt wel degelijk voornemens te zijn geweest een antwoord te formuleren.

De Geschillenkamer oordeelt dat dergelijke omstandigheid hem niet ontslaat van zijn verplichtingen en er een schending is van artikel 15, lid 1 en artikel 12, leden 3 en 4 GDPR.

De Geschillenkamer stelt wel rekening te zullen houden met het feit dat aangetoond werd dat er inderdaad door advocaten begonnen werd met het opstellen van een antwoord en dat de voormalige verhuurder intussen organisatorische maatregelen heeft genomen om dergelijk voorval te vermijden naar de toekomst toe.

Drie vragen bleven echter onbeantwoord door de voormalige huisbaas en de voormalige huurder stelt dat dit ook een inbreuk uitmaakt op basis van het recht op inzage.

Het betreft vragen met betrekking tot 1) het bestaan van mogelijke lekken van de gegevens van de voormalige huurder wegens gebrekkige beveiliging, 2) de beveiligingsprotocollen van de voormalige verhuurder en 3) de beveiligings- en organisatorische maatregelen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens door de werknemers of medecontractanten van de voormalige verhuurder

De Geschillenkamer oordeelt dat deze inderdaad buiten het bereik van het recht op inzage vallen en de voormalige verhuurder niet verplicht was hierop te antwoorden.

In het kader van een datalek dient slechts een melding gemaakt te worden aan een betrokkene wanneer deze “waarschijnlijk een hoog risico inhoudt voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen”. Niets toont aan dat dit hier het geval zou zijn.

In het verband met de beveiligingsprotocollen en beveiligings- en organisatorische maatregelen stelt de Geschillenkamer vast dat deze niet in de lijst met informatie van artikel 15 zijn opgenomen.

Uitspraak

Een inbreuk op artikel 15, lid1 en artikel 12, leden 3 en 4 GDPR wordt vastgesteld en er wordt slechts een berisping opgelegd.


Onze mening

Terecht wordt een inbreuk vastgesteld door de Geschillenkamer op het recht op inzage gelet op de laattijdigheid van het antwoord door de voormalige huisbaas.

Een berisping kan volstaan gelet op de verzachtende omstandigheid dat wel degelijk de intentie is gebleken om te antwoorden én dat de voormalige huisbaas maatregelen heeft genomen om dit naar de toekomst toe te vermijden.

Beslissing

Beslissing 27/2023

[1] Zie in dit verband ons eerder artikel over het recht op inzage: https://studio-legale.com/recht-op-inzage/

Door een uitbreiding van de wet, die reeds op 25 juli 2022 in werking trad, kunnen personen met fiscale schulden of onbetaalde alimentatiegelden voortaan aan de kant gezet worden door de ambtenaren van de Algemene Administratie van Douane en Accijnzen met behulp van  ANPR-scanners (Automatic Number Plate Recognition).[1] Maar gaat dit niet te ver?

Indien tijdens een politiecontrole langs de weg met behulp van ANPR-camera’s, een niet-betaling van fiscale schulden of onderhoudsschulden wordt vastgesteld ten laste van de eigenaar van het voertuig of lastens de persoon die als titularis van het kenteken van het voertuig wordt vermeld, is de bestuurder verplicht de geldsommen ter plekke te betalen op het ogenblik van de vaststelling. Indien niet meteen betaald kan worden, is de politie bevoegd om het voertuig in beslag te nemen. De eigenaar van het voertuig heeft vervolgens tien dagen de tijd om te betalen alvorens wordt overgegaan tot de verkoop van het voertuig.

Waar ANPR-camera’s eerst werden gebruikt om terroristen en andere criminelen op te sporen via nummerplaatherkenning, worden ze nu al lang niet meer alleen ingezet in strijd tegen criminaliteit.[2] Waar dit langs de ene kant een optimalisering van de invordering voor schulden uitmaakt, wordt langs de andere kant de invulling van het ANPR-systeem stapsgewijs meer uitgebreid ten kosten van onze privacy. Het is dan ook de vraag of deze uitbreiding conform de regels van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna AVG) zijn.

Volgens de AVG is het verwerken van persoonsgegevens enkel rechtmatig indien:

  1. de betrokkene heeft toestemming gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens voor een of meer specifieke doeleinden;
  2. de verwerking is noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of om op verzoek van de betrokkene vóór de sluiting van een overeenkomst maatregelen te nemen;
  3. de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust;
  4. de verwerking is noodzakelijk om de vitale belangen van de betrokkene of van een andere natuurlijke persoon te beschermen;
  5. de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen;
  6. de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is.

Om van een rechtmatige verwerking van persoonsgegevens te kunnen spreken zal men dus ofwel de toestemming van de betrokkene moeten verkrijgen (wat in dit geval nooit zou werken) ofwel zal men moeten kunnen aantonen dat de verwerking noodzakelijk is voor een van de hierboven opgesomde redenen. Hier wringt het schoentje volgens ons.

Waar het te begrijpen valt dat er een wettelijke verplichting, een behartiging van vitale belangen, een vervulling van een taak van algemeen belang of de behartiging van een te rechtvaardigen belang zou kunnen worden gevonden voor het gebruik van ANPR camera’s ter invordering van fiscale schulden, zal er moeilijk voldaan zijn aan het noodzakelijkheidsvereiste gezien het feit dat deze invordering op een veel minder privacy invasieve manier zou kunnen gebeuren. Het gebruik van deze camera’s is dus geenszins noodzakelijk en daarom ook niet rechtmatig.

In de recent verschenen Circulaire 2022/C101 betreffende de uitbreiding van de invordering via ANPR-scanners bij controle van voertuigen op de openbare weg tot de fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, wordt op een toegankelijke wijze toegelicht wat de uitbreiding van de wet net inhoudt. Een verduidelijking van op welke basis het inzetten van ANPR-camera’s ter invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvordering, geen schendig zou uitmaken van de AVG wetgeving, is er echter niet.

Ook de afwezigheid van een minimale drempel of een proportionaliteitseis in de wetgeving voor deze nieuwe maatregel werpt vragen op. Op de manier dat de wet nu geschreven is, zal het mogelijk zijn dat u voor een openstaande fiscale schuld van pakweg 10 euro, aan de kant kan gezet wordt waarop zelfs uw voertuig in beslag kan worden genomen.[3]

Omdat het hier weldegelijk over een wet gaat zijn de regels van de camera-wet niet van toepassing. De algemene regels van de AVG gelden nog wel.[4]

Besluit

Op grond van de AVG is er naast de vereiste van een wettelijke bepaling, ook een noodzakelijkheidsvereiste. Deze noodzakelijkheidsvereiste is volgens ons niet vervuld gezien er in de programmawet geen rekening gehouden wordt met enige minimale drempel of proportionaliteit bij het invoeren van deze ANPR controles.

Het valt dus nog af te wachten of deze uitbreiding van het gebruik van ANPR-camera’s stand zal houden in een klimaat van groeiende aandacht voor bescherming van persoonsgegevens.

Indien u na het lezen van dit artikel met vragen zit of u wenst meer informatie, kan u steeds contact opnemen met Studio Legale op gdpr@studio-legale.be of via 03 216 70 70.

Geraadpleegde bronnen:

  1. Verordening 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG;
  2. Wet van 21 maart tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera’s, BS 31 Mei 2007;
  3. Programma Wet van 25 december 2016 gewijzigd door de artikelen 90 tot 92 van de wet van 05 juli 2022 houdende diverse bepalingen, BS 15 juli 2022;
  4. Circulaire 2022/C/101 betreffende de uitbreiding van de invordering via ANPR-scanners bij controle van voertuigen op de openbare weg tot fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen.

 Media

  1. REDACTIE en BELGA, “Belastingzondaars kunnen voortaan van de weg geplukt worden”, De Morgen 2022, https://www.demorgen.be/snelnieuws/belastingzondaars-kunnen-voortaan-van-de-weg-geplukt-worden~b56328c5/?utm_source=link&utm_medium=app&utm_campaign=shared%20content&utm_content=free;
  2. VANMELDERT, D., “Steeds meer camera’s in het straatbeeld: “Ze voorkomen criminaliteit niet, de samenleving wordt er niet beter van”, VRTnws 2021, https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2021/03/23/privacy-en-ik-camerasurveillance/.

[1] Progr. Wet van 25 december 2016 gewijzigd door de artikelen 90 tot 92 van de wet van 05 juli 2022 houdende diverse bepalingen, BS 15 juli 2022; art. 51 Progr. W. van 25 december 2016, gewijzigd door art. 91 van de wet houdende diverse fiscale bepalingen; Circulaire 2022/C/101 betreffende de uitbreiding van de invordering via ANPR-scanners bij controle van voertuigen op de openbare weg tot fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen.

[2] D., VANMELDERT, “Steeds meer camera’s in het straatbeeld: “Ze voorkomen criminaliteit niet, de samenleving wordt er niet beter van”, VRTnws 2021, https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2021/03/23/privacy-en-ik-camerasurveillance/.

[3] REDACTIE en BELGA, “Belastingzondaars kunnen voortaan van de weg geplukt worden”,  De Morgen 2022, https://www.demorgen.be/snelnieuws/belastingzondaars-kunnen-voortaan-van-de-weg-geplukt-worden~b56328c5/?utm_source=link&utm_medium=app&utm_campaign=shared%20content&utm_content=free.

[4] Art. 3, deuxième paragraphe Loi caméras.

Een niet-concurrentiebeding in een zelfstandigenovereenkomst komt zeer vaak voor. Aangezien dit het recht op vrij ondernemen beperkt, zijn dergelijke bedingen niet steeds geldig of hebben deze soms niet gewenste de uitwerking die de partijen voor ogen hadden. In dit artikel lichten we toe waarop partijen moeten letten bij het opnemen van een niet-concurrentiebeding.

In de eerste plaats dient er op gewezen te worden dat er, behalve voor de handelsagentuur, geen uitdrukkelijke wettelijke regeling voorzien is. Wel wordt er vaak verwezen naar het decreet d’Allarde om te stellen dat het principieel niet toegelaten zou zijn om een niet-concurrentiebeding te voorzien in een zelfstandigenovereenkomst.[1] Dit zou namelijk een te grote beperking op de vrijheid van onderneming uitmaken.

In de rechtspraak en rechtsleer werden uiteindelijk enkele criteria verduidelijkt waaronder het mogelijk zou zijn om een niet-concurrentiebeding te voorzien in een zelfstandigenovereenkomst.[2]

Een niet-concurrentiebeding voor zelfstandigen dient proportioneel te zijn. Deze proportionaliteit dient in ieder element van het niet-concurrentiebeding voorzien te worden.[3]

In de eerste plaats dient de voorziene schadevergoeding proportioneel te zijn  in verhouding met de potentiële schade. Zo zal in ieder concreet geval moeten bekeken worden of de schadevergoeding die in het beding voorzien werd redelijk is. Bijvoorbeeld in het geval van een vastgoedmakelaar werd een schadevergoeding van € 20.000,00 als proportioneel, en dus toegelaten, gekwalificeerd.

Naast de voorziene schadevergoeding, dient in het niet-concurrentiebeding ook de duur, het geografische toepassingsgebied en het voorwerp niet verder te gaan dan wat redelijkerwijze daartoe noodzakelijk wordt geacht.[4]

Daarnaast dient het voorwerp van het niet-concurrentiebeding proportioneel te zijn. Dit wil zeggen dat de activiteiten die verboden zijn onder het niet-concurrentiebeding beperkt dienen te blijven tot de producten en diensten die de economische activiteit van de onderneming vormden. Hieronder vallen ook verbeterde producten. Een niet-concurrentiebeding dat de bescherming beoogt van product- of dienstenmarkten waarop de onderneming voor de overdracht niet actief was, is niet geldig omdat dit als niet noodzakelijk wordt beschouwd.[5]

Daarnaast dient ook de duurtijd waarin het niet-concurrentiebeding geldt proportioneel te zijn. In het algemeen wordt aanvaard dat een duurtijd van 2 tot 3 jaar proportioneel is, maar dit zal in ieder geval afzonderlijk beoordeeld moeten worden. [6]

Tot slot dient ook het geografisch gebied proportioneel te zijn. Dit betekent dat het gebied beperkt dient te zijn tot het gebied waarin de verkoper voor de overdracht van zijn aandelen de betrokken diensten of producten heeft aangeboden. Dit houdt bijvoorbeeld in dat een vastgoedmakelaar actief in het Antwerpse onder een overeenkomst met niet-concurrentiebeding in principe niet verboden kan worden om na de beëindiging van zijn overeenkomst actief te zijn aan de Belgische kust. De invulling van wat als proportioneel zal gezien worden op het vlak van het territorium waarbinnen het niet-concurrentiebeding geldt, zal opnieuw concreet beoordeeld moeten worden.[7]

Wanneer door de rechtbank geoordeeld wordt dat een niet-concurrentiebeding nietig is, stelt de vraag zich welke maatregelen de rechtbank kan nemen. Het was namelijk zeer duidelijk de bedoeling van de partijen om concurrentie te beperken.

Wanneer er in de overeenkomst een zogenaamd matigingsbeding werd opgenomen, is het zeer duidelijk dat de rechter de mogelijkheid heeft om de elementen van het beding die onredelijk zijn te matigen naar wat redelijk is. Bijvoorbeeld wanneer het niet-concurrentiebeding bepaald dat het geldt voor 10 jaar, zal de rechter dit kunnen matigen naar een aanvaardbare duurtijd.[8]

Indien dergelijk beding niet voorzien werd, was het lange tijd onduidelijk of de rechter de bevoegdheid had om het beding te matigen. Middels een arrest van 25 juni 2015 verduidelijkte het Hof van Cassatie dat de rechter de nietigheid kan beperken tot het gedeelte dat strijdig is met de openbare orde indien voldaan is aan de volgende twee voorwaarden[9]:

  1. De gedeeltelijke nietigheid van het beding is mogelijk;
  2. Het beding na matiging beantwoordt aan de intenties van de partijen.

De rechter zal dus een inschatting moeten proberen maken van wat de werkelijke wil van de partijen was om het niet-concurrentiebeding overeen te komen en kan dit in voorkomend geval matigen indien mogelijk. Het is daarom aangewezen om een deelbaarheidsbeding bij uw niet-concurrentiebeding op te nemen, zodat over de wil om eventueel te matigen in plaats van de vernietigen, weinig of nog beter, geen twijfel kan bestaan bij de rechter.[10]

In het geval een geldig niet-concurrentie beding wordt geschonden, kan een stakingsvordering worden uitgesproken door de rechter.[11]

Een niet-concurrentiebeding in een zelfstandigenovereenkomst is steeds mogelijk indien aan de voorwaarden hiervoor voldaan worden. Indien u hulp wenst bij het opstellen van uw overeenkomsten, inclusief een geldig niet-concurrentiebeding, of indien u na het lezen van dit artikel nog vragen hebt, kan u ons steeds contacteren via joost.peeters@studio-legale.be of 03 216 70 70.

Geraadpleegde bronnen:

  1. Mededeling van de Commissie betreffende beperkingen die rechtstreeks verband houden met en noodzakelijk zijn voor de totstandbrenging van concentraties, https://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:C:2005:056:0024:0031:NL:PDF;
  2. Decreet van 2 maart 1791 tot afschaffing van het gildewezen;
  3. Cass. 14 September 2017;
  4. Cass 23 januari 2015 RW 2016, 1187;
  5. Cass. 25 juni 2015, NJW 2015, 914;
  6. LEBON, C.,  “Niet-concurrentiebedingen en het nut van deelbaarheidsbedingen” noot onder Cass. 23 januari 2015, RW 2016, 1187;
  7. STIJNS, S., “Het aankomende verbintenissenrecht in de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie”, TBBR 2018, afl. 8, 421-422.n

[1] Decreet van 2 maart 1791 tot afschaffing van het gildewezen.

[2] Cass. 14 September 2017; S. STIJNS, “Het aankomende verbintenissenrecht in de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie”, TBBR 2018, afl. 8, 421-422; HVJ in zaak 42/84; Mededeling van de Commissie betreffende beperkingen die rechtstreeks verband houden met en noodzakelijk zijn voor de totstandbrenging van concentraties, https://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:C:2005:056:0024:0031:NL:PDF.

[3] Mededeling van de Commissie betreffende beperkingen die rechtstreeks verband houden met en noodzakelijk zijn voor de totstandbrenging van concentraties, https://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:C:2005:056:0024:0031:NL:PDF, overweging 19.

[4] Ibid, overweging 19.

[5] Ibid, overweging 23.

[6] Ibid, overweging 20.

[7] Ibid, overweging 22.

[8] Cass 23 januari 2015 RW 2016, 1187; Cass. 25 juni 2015, NJW 2015, 914; C., LEBON, “Niet-concurrentiebedingen en het nut van deelbaarheidsbedingen” noot onder Cass. 23 januari 2015, RW 2016, 1187.

[9] Cass. 25 juni 2015, NJW 2015, 914; S. STIJNS, “Het aankomende verbintenissenrecht in de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie”, TBBR 2018, afl. 8, 421-422.

[10] C., LEBON, “Niet-concurrentiebedingen en het nut van deelbaarheidsbedingen” noot onder Cass. 23 januari 2015, RW 2016, 1187.

[11] Art. VI. 91/6 WER; Art. XVIII.1 WER.

Het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (hierna WVV) is al sinds 28 februari 2019 in werking getreden. Dat betekent ook dat u, indien u een Besloten Vennootschap met Beperkte Aansprakelijkheid (hierna BVBA) had, u meteen mee op de boot had kunnen springen. In het geval u dat nog niet heeft gedaan, heeft u nog een viertal maanden de tijd om uw statuten aan te passen aan de nieuwe regels. Tegen 1 januari 2024 dient u formeel aan te sluiten bij het nieuwe recht en uw statuten aan te passen.

In de gevallen waar u uw nieuwe vennootschap heeft opgericht na 1 januari 2019, waren de nieuwe regels reeds meteen toe te passen. U zal dus geen verplichte statutenwijziging moeten ondergaan.

Indien u echter nog een BVBA heeft, zal u die moeten omvormen. Dit is het geval indien u een reeds bestaande vennootschap had in de vorm van een BVBA voor 1 januari 2019 en nog niets ondernomen heeft. U heeft al sinds diezelfde datum de tijd om vrijwillig de nieuwe regels toe te passen dankzij de opt-in mogelijkheid. Hiervoor is een statutenwijziging nodig. Indien u dit nog niet heeft gedaan, heeft u nog de tijd tot 1 januari 2024 om u formeel aan te sluiten bij het nieuwe recht door uw statuten te wijzigen. In geval u voor een andere reden dan de statuten wijziging een statutenwijziging doorvoert, is het verplicht deze meteen aan te passen aan het WVV.

Indien u dit niet doet, kan u als bestuurder hoofdelijk aansprakelijk gesteld worden voor eventuele schade aan de vennootschap en aan derde. Daarenboven wordt uw BVBA dan omgezet in de dichtst aanleunende rechtsvorm.[1]

Voor reeds bestaande vennootschappen, verenigingen en stichtingen werden de nieuwe dwingende regels van kracht op 1 januari 2020. Een exemplatieve lijst  van deze dwingende bepalingen werd gepubliceerd door het Instituut van Bedrijfsrevisoren.[2] Zo heeft dit bijvoorbeeld gevolgen voor het kapitaal dat wordt omgezet in een onbeschikbare eigenvermogensrekening en zal er een dubbele uitkeringstest gelden voor dividenden.

Maar zelfs indien u wacht tot de automatische omvorming van uw vennootschap, dienen de bestuursorganen de algemene vergadering bijeen te roepen met als agenda de aanpassing van de statuten aan de nieuwe rechtsvorm.[3]

Besluit

Indien u nog steeds een BVBA heeft, heeft u nog een viertal maanden de tijd om uw statuten te conformeren aan het nieuwe WVV. Gelet op de onzekerheid die komt kijken bij de automatische toepasselijkheid van de dwingende bepalingen uit het WVV op de nog niet veranderde statuten, is het opportuun om deze zo snel mogelijk aan te passen.

Indien u echter toch wacht tot na 1 januari 2024, zal er automatisch een omvorming plaatsvinden, maar riskeert u om hoofdelijk aansprakelijk gesteld te worden als bestuurder voor eventuele schade die de vennootschap of derden hebben geleden en dienen de bestuursorganen hoe dan ook nog een algemene vergadering bijeen te roepen met het agendapunt de aanpassing van de statuten aan de nieuwe rechtsvorm.

Indien u na het lezen van dit artikel met vragen zit in verband met uw statuten, staat het team van Studio Legale tot uwer beschikking om uw vragen hieromtrent te beantwoorden.

[1] Art. 41, §2 en §3 Wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek ven vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, BS 4 april 2019.

[2] Exemplatieve lijst van dwingende bepalingen van het WVV, https://www.ibr-ire.be/docs/default-source/nl/Documents/actueel/nieuw-WVV/Exemplatieve-lijst-dwingende-bepalingen-WVV.pdf

[3] Ibid.

Steeds vaker worden biometrische gegevens gebruikt voor allerhande doeleinden. Denk maar aan het scannen van een vingerafdruk van een werknemer om toegang te kunnen krijgen tot een kantoorgebouw[1] of, verregaander, het scannen van gezichten om op die manier hun aankoopgedrag te monitoren.[2] Uiteraard zijn dit verregaande verwerkingen die niet zomaar mogen worden gedaan onder de GDPR. Daarom lichten wij toe waaraan, volgens de Gegevensbeschermingsautoriteit, voldaan moet zijn om biometrische gegevens op een correcte manier te verwerken.

 

Wat?

In eerste plaats dient vastgesteld te worden wat biometrische gegevens juist zijn. De GDPR definieert het begrip in art. 4.14 als volgt:

Biometrische gegevens: “Persoonsgegevens die het resultaat zijn van een specifieke technische verwerking met betrekking tot de fysieke, fysiologische of gedrag gerelateerde kernmerken van een natuurlijk persoon op grond waarvan eenduidige identificatie van die natuurlijke persoon mogelijk is of wordt bevestigd, zoals gezichtsafbeeldingen of vingerafdrukgegevens.”

Met het geven van de twee voorbeelden op het einde, geeft de GDPR meteen ook de meest gekende, en begrijpelijke vormen van biometrische gegevens weer, namelijk gezichtsafbeeldingen en vingerafdruk gegevens.

De GDPR deelt de biometrische gegevens in twee categorieën in:

  • Fysieke, of ook wel lichamelijke kenmerken;
  • Gedragsgerelateerde kenmerken

Fysieke kenmerken zijn zeer eenvoudig. Dit zijn namelijk de fysische of fysiologische eigenschappen van een persoon, zoals gezichtsinformatie, irisscans, vingerafdrukken…

Gedragsgerelateerde kenmerken zijn moeilijker te omschrijven. De technologie staat niet stil waardoor dit in de toekomst waarschijnlijk beter uitgewerkt en vaker van toepassing zal zijn.

Een reeds bestaand voorbeeld hiervan is de identificatie aan de hand van het unieke stappatroon van personen.

 

Hoe?

Verwerking

Biometrische gegevens worden in twee verschillende fasen verwerkt, namelijk de inzamelingsfase en de vergelijkingsfase.

De inzamelingsfases bestaan uit twee delen:

  • De eerste inzamelingsfase: hierbij wordt de referentie-informatie (bijvoorbeeld een vingerafdruk) geregistreerd. Deze informatie wordt omgezet in een template. Dit template zorgt ervoor dat in de toekomst verwerkte gegevens geverifieerd kunnen worden ten opzichte van de referentie-informatie.
  • De tweede inzamelingsfase: de gegevens worden verwerkt en vergeleken met de template. Indien deze overeenstemmen oordeelt het systeem dat dit dezelfde persoon is als wie de referentie-informatie verwerkt werd (bijvoorbeeld de vingerafdruk komt overeen met deze in het systeem).

De tweede fase is de vergelijkingsfase. Hierbij wordt  de ingezamelde informatie vergeleken met alle biometrische informatie die beschikbaar is in het systeem. Op deze manier kan de gebruiker geïdentificeerd worden tussen alle geregistreerde personen.

 

Opslag van gegevens

Er zijn drie manieren om biometrische informatie op te slaan:

  • Type 1: Beheer van het template door de betrokkene zelf. De betrokkene bewaart de template waarbij er geen koppeling mogelijk is met andere informaticasystemen. Dit kan bijvoorbeeld een badge zijn om toegang te krijgen tot een gebouw. Dit is de werkwijze die principieel aangewend dient te worden. Er kan slechts zeer uitzonderlijk van afgeweken worden.
  • Type 2: Gedeeld beheer. Er is een centrale template databank die door de verwerkingsverantwoordelijke beheerd wordt zonder dat deze er gebruik van kan maken zonder toestemming van de betrokkene.
  • Type 3: exclusief beheer door de verwerkingsverantwoordelijke. Dit is de meest verregaande optie. Hiervoor dienen dan ook de meest strenge voorwaarden in acht genomen te worden.

Rechtsgrond

Voor het verwerken van biometrische gegevens is het belangrijk dat er, net zoals bij iedere verwerking, een rechtsgrond is op basis waarvan de gegevens verwerk worden.

In de praktijk zal de rechtsgrond meestal de uitdrukkelijk toestemming van de betrokkene zijn. Hierbij is het zeer belangrijk dat de toestemming vrij, specifiek, geïnformeerd en ondubbelzinnig wordt gegeven.

In uitzonderlijke gevallen zal de rechtsgrond het zwaarwegend algemeen belang zijn. Dit dient echter zeer restrictief toegepast te worden. Enkel wanneer het gebruik van biometrische gegevens onvermijdelijk is, zal er hiervan sprake kunnen zijn indien dit bij wet voorzien wordt.

Algemeen

Net zoals bij iedere verwerking zijn ook de volgende algemene zaken belangrijk:

  • Doelbinding;
  • Proportionaliteit;
  • Beveiliging;
  • Opslagbeperking;
  • Transparantieverplichting;

Gegevensbeschermingseffectbeoordeling

In geval er sprake is van een verwerking van biometrische gegevens met oog op de unieke identificatie van personen in een privéruimte  die toegankelijk is voor het publiek of in een openbare ruimte, zal er steeds een gegevensbeschermingseffectbeoordeling moeten worden uitgevoerd. Het is dan ook aangeraden, gelet op het inherente risico voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen dat komt kijken bij het verwerken van biometrische gegevens om een gegevenseffectenberschermingsbeoordeling uit te voeren omdat het uitlaten hiervan slechts in uitzonderlijke gevallen gerechtvaardigd zal zijn.[3]

 

Besluit

Voor het verwerken van biometrische gegevens zal men dus steeds de beschermingsregels van de GDPR in acht moeten houden.

Indien u na het lezen van dit artikel vragen hebt omtrent de verwerking van biometrische gegevens, of de verwerking van persoonsgegevens in het algemeen, kan u contact opnemen via gdpr@studio-legale.be of op 03 216 70 70.

Gebruikte bronnen

Juridische bronnen:

  • Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG;
  • Aanbeveling Gegevensbeschermingsautoriteit betreffende de verwerking van biometrische gegevens;
  • Beslissing 01/2019 van 16 januari 2019 van de Gegevensbeschermingsautoriteit.

Nieuws:

  • CARDINAELS, “Privacywaakhond dreigt met onderzoek naar Carrefour”, https://www.tijd.be/ondernemen/retail/privacywaakhond-dreigt-met-onderzoek-naar-carrefour/10198789.html.

[1] Autoriteit Persoonsgegevens, “Boete voor bedrijf voor verwerken vingerafdrukken werknemers, 30 april 2020, https://www.autoriteitpersoonsgegevens.nl/nl/nieuws/boete-voor-bedrijf-voor-verwerken-vingerafdrukken-werknemers.

[2] X., “Face Recognition in retail”, https://www.raydiant.com/blog/everything-about-facial-recognition-in-retail

[3] Punt 6 van beslissing nr. 01/2019 van de gegevensbeschermingsautoriteit; Aanbeveling Gegevensbeschermingsautoriteit betreffende de verwerking van biometrische gegevens, 36-37,

https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/aanbeveling-nr.01-2021-van-1-december-2021.pdf

Goed nieuws voor (bijna) ALLE werknemers die zich regelmatig verplaatsen tussen hun woonplaats en de plaats van hun tewerkstelling sinds 1 mei 2023.

Heden komen van alle werknemers die op minder dan 5 kilometer afstand van hun werk wonen, nog 55 procent met de auto. Van alle werknemers, arbeiders en bedienden, komt maar 11 procent met de fiets naar het werk. Met deze nieuwe veralgemening van de fietsvergoeding wordt gehoopt hier verandering in te brengen.[1]

Met CAO nr. 164 hebben (bijna) alle werknemers recht op een algemene fietsvergoeding sinds 1 mei 2023. De rest verwerft dit recht vanaf 1 januari 2024.

Dit wil zeggen dat voor werknemers die nog niet onder het toepassingsgebied van een andere CAO over de fietsvergoeding vielen, er nu dus ook een fietsvergoeding dient voorzien te worden.

De toekenning wordt geplafonneerd op een afstand van maximum 20 kilometer per traject met een basisvergoeding voor 2023 van 0,27 euro per met de fiets afgelegde kilometer.[2] Deze vergoeding is vrijgesteld van sociale en fiscale bijdragen. Dit wil dus zeggen dat indien iemand die op 20 kilometer of verder van zijn werk woont, meer dan 200 euro per maand netto kan krijgen via deze fietsvergoeding. (40 kilometer per werkdag x 0,27 euro).

Belangrijk is wel dat het correcte vervoersmiddel wordt gebruikt. Zo geldt deze vergoeding enkel voor het vervoer via de fiets. Hieronder wordt verstaan: een rijwiel, een gemotoriseerd rijwiel of een speed pedelec indien ze elektrisch worden aangedreven. Onder rijwiel wordt verstaan: elk voertuig met twee of meer wielen, dat wordt voortbewogen door middel van pedalen of van handgrepen door één of meer van de gebruikers en niet met een motor is uitgerust, zoals een fiets, een driewieler of een vierwieler.  Indien iemand met te voet naar zijn werk zou gaan, zal deze vergoeding daarvoor dus niet in aanmerking komen.[3]

Opgelet: enkel voor werknemers die onder Paritair Comité 335 voor de dienstverlening aan en de ondersteuning van het bedrijfsleven en de zelfstandigen vallen, zal deze nieuwe regeling pas gelden vanaf 1 januari 2024. Dit Paritair Comité is bevoegd voor de werknemers in het algemeen en hun werkgevers en dit voor de organisaties waarvan de activiteiten rechtstreeks of onrechtstreeks verbonden zijn met het bedrijfsleven of de zelfstandigen, die tot doel hebben diensten en ondersteuning te verlenen, zonder de bedoeling daarmee winst te maken. Een paar voorbeelden hiervan zijn:[4]

  • Kinderbijslagfondsen, sociale verzekeringskassen voor zelfstandigen;
  • Onderzoeksinstellingen met betrekking tot wetenschap en economie.

Conclusie

Vanaf 1 mei 2023 heeft (bijna) iedereen die zich met de fiets naar zijn werk verplaatst, recht om een fietsvergoeding. Indien u de keuze zou hebben tussen de voeten en de fiets, kan het dus zeker lonen om uw tweewieler van onder het stof te halen.

Indien u na het lezen van deze korte newsflash vragen hebt, staat het team van STUDIO|LEGALE advocaten steeds tot uwer beschikking.

Juridische bronnen:

  • CAO 164 van 24 januari 2023 betreffende de tegemoetkoming van de werkgever voor de verplaatsingen per fiets van de werknemer tussen zijn woonplaats en zijn plaats van tewerkstelling.
  • , CATTOIR, A., TRUYERS, “Veranderingen in het landschap van de paritaire comités – Vervanging van het paritair comité nr. 218 door paritair comité nr. 200 per 1 april 2015, Or. 2015, afl. 4, 74-83.

Media bronnen:

[1]R., ARNOUDT, “Vanaf mei heeft iedereen recht op een fietsvergoeding”, https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2023/01/24/vanaf-mei-2023-heeft-iedereen-recht-op-een-fietsvergoeding/.; T., ROSSEEL, “Fietsvergoeding voor iedereen in de privé vanaf 1 mei: hoeveel precies? En Krijg je die ook als je met de step of te voet naar je werk gaat?, https://www.hln.be/geld/fietsvergoeding-voor-iedereen-in-de-prive-vanaf-1-mei-hoeveel-precies-en-krijg-je-die-ook-als-je-met-de-step-of-te-voet-naar-je-werk-gaat~a7be90ef/; S., VERSCHUEREN, “Fietsvergoeding binnenkort verplicht voor elke werknemer”, https://www.tijd.be/netto/analyse/werk/fietsvergoeding-binnenkort-verplicht-voor-elke-werknemer/10462787.html.

[2] Art5 en 6 collectieve arbeidsovereenkomst 164 van 24 januari 2023 betreffende de tegemoetkoming van de werkgever voor de verplaatsingen per fiets van de werknemer tussen zijn woonplaats en zijn plaats van tewerkstelling.

[3] Art. 3 collectieve arbeidsovereenkomst 164 van 24 januari 2023 betreffende de tegemoetkoming van de werkgever voor de verplaatsingen per fiets van de werknemer tussen zijn woonplaats en zijn plaats van tewerkstelling.

[4] CATTOIR, H., TRUYERS, A., “Veranderingen in het landschap van e paritaire comités – Vervanging van het paritair comité nr. 218 door paritair comité nr. 200 per 1 april 2015, Or. 2015, afl. 4, 74-83.

Sinds 25 juni 2023 geldt de update van de lijst van onbeslagbare goederen uit art. 1408 Ger.W. De “oude” lijst met onbeslagbare goederen dateert nog van in 1976 en dit was te merken aan de relikwieën die de bepaling nog bevatte. Zo zijn tegenwoordig uw smartphone, computer en ‘internetverbinding’ onbeslagbaar in plaats van uw koe of uw twaalf schapen of geiten naar keuze.

Onbeslagbare goederen zijn de lijst van goederen die de wetgever heeft opgesomd in art. 1408 Ger.W. en niet in beslag kunnen worden genomen als gevolg van een uitvoeringsprocedure.

Met de update werd de wet dus aangepast aan de moderne realiteit en zijn onder andere computers en smartphones met internettoegang opgenomen in de lijst van onbeslagbare goederen.

Naast de reeds opgenomen wasmachine en strijkijzer zal voortaan ook uw strijkplank blijven staan.

Verder mogen ook de boeken en overige voorwerpen nodig voor de voortzetting van studies of voor beroepsopleidingen van de beslagene, zijn echtgenoot of wettelijke samenwonende en de kinderen ten laste van de beslagene die onder hetzelfde dak wonen niet in beslag genomen worden.

Ook de goederen die de beslagene, zijn echtgenoot of wettelijke samenwonende volstrekt nodig heeft voor zijn beroep met daarin inbegrepen de toestellen en benodigdheden voor toegang tot het internet, met een totale waarde van 2.500 euro, zijn uitgesloten van beslag.

Verder worden in plaats van een koe, twaalf schapen of geiten, naar keuze van de beslagene, een computer met internetverbinding en een printer vrijgesteld van beslag, in zoverre er al geen computer of printer wordt vrijgesteld van beslag door de bepalingen hierboven vermeld (art. 1408, 2° en 3°)

Waar de gerechtsdeurwaarder voor de wijziging van dit artikel dus vaak de smartphones, laptops, computers in beslag nam, zal dit voortaan niet meer in dezelfde maten mogelijk zijn.

Indien u na het lezen van dit artikel nog vragen heeft, aarzel dan niet om ons te contacteren via joost.peeters@studio-legale.be of op 03/216.70.70.

Ter info:

Het oude artikel 1408 Ger.W.

“1° op het nodige bed en beddegoed van de beslagene en van zijn gezin, de kleren en het linnengoed volstrekt noodzakelijk voor hun persoonlijk gebruik alsmede de meubelen nodig om deze op te bergen, een wasmachine en strijkijzer voor het onderhoud van het linnen, de toestellen die noodzakelijk zijn voor de verwarming van de gezinswoning, de tafel en de stoelen die voor de familie een gemeenschappelijke maaltijd mogelijk maken, alsook het vaatwerk en het huishoudgerei dat volstrekt noodzakelijk is voor het gezin, een meubel om het vaatwerk en het huishoudgerei op te bergen, een toestel om warme maaltijden te bereiden, een toestel om voedingsmiddelen te bewaren, één verlichtingstoestel per bewoonde kamer, de voorwerpen die noodzakelijk zijn voor de mindervalide gezinsleden, de voorwerpen die bestemd zijn om te worden gebruikt door de kinderen ten laste die onder hetzelfde dak wonen, de gezelschapsdieren, de voorwerpen en produkten die noodzakelijk zijn voor de lichaamsverzorging en voor het onderhoud van de vertrekken, het gereedschap dat nodig is voor het onderhoud van de tuin, een en ander met uitsluiting van de luxemeubelen en luxeartikelen;

2° op de boeken en overige voorwerpen, nodig voor de voortzetting van studies of voor de beroepsopleiding van de beslagene of van de kinderen te zijnen laste die onder hetzelfde dak wonen;

3° op de goederen die de beslagene volstrekt nodig heeft voor zijn beroep, tot een waarde van 2.500 EUR op het tijdstip van het beslag en naar keuze van de beslagene, behalve voor de betaling van de prijs van die goederen;

4° op de voorwerpen die dienen voor de uitoefening van de eredienst;

5° op de levensmiddelen en brandstof die de beslagene en zijn gezin voor een maand nodig hebben;

6° een koe, of twaalf schapen of geiten, naar keuze van de beslagene, alsmede een varken en vierentwintig dieren van de hoenderhof, met het stro, voeder en graan, nodig voor het strooisel en de voeding van dat vee gedurende één maand.”

Het nieuwe artikel 1408 Ger.W.

“1° op het nodige bed en beddegoed van de beslagene en van zijn gezin, de kleren en het linnengoed volstrekt noodzakelijk voor hun persoonlijk gebruik alsmede de meubelen nodig om deze op te bergen, een wasmachine en strijkijzer  en een strijkplank voor het onderhoud van het linnen, de toestellen die noodzakelijk zijn voor de verwarming van de gezinswoning, de tafel en de stoelen die voor de familie een gemeenschappelijke maaltijd mogelijk maken, alsook het vaatwerk en het huishoudgerei dat volstrekt noodzakelijk is voor het gezin, een meubel om het vaatwerk en het huishoudgerei op te bergen, een toestel om warme maaltijden te bereiden, een toestel om voedingsmiddelen te bewaren, één verlichtingstoestel per bewoonde kamer, de voorwerpen die noodzakelijk zijn voor de mindervalide gezinsleden, de voorwerpen die bestemd zijn om te worden gebruikt door de kinderen ten laste die onder hetzelfde dak wonen, de gezelschapsdieren, de voorwerpen en produkten die noodzakelijk zijn voor de lichaamsverzorging en voor het onderhoud van de vertrekken, het gereedschap dat nodig is voor het onderhoud van de tuin, een en ander met uitsluiting van de luxemeubelen en luxeartikelen;

2° op de boeken en overige voorwerpen nodig voor de voortzetting van studies of voor de beroepsopleiding van de beslagene, zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende en de kinderen ten laste van de beslagene die onder hetzelfde dak wonen; in zoverre het om toestellen en benodigdheden voor toegang tot het internet gaat, geldt de onbeslagbaarheid niet voor de betaling van de prijs van die goederen;

3° op de goederen die de beslagene zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende volstrekt nodig heeft voor zijn beroep, daarin begrepen de toestellen en de benodigdheden voor toegang tot het internet tot een totale waarde van 2.500 EUR, geraamd op het tijdstip van het beslag en naar keuze van de beslagene, behalve voor de betaling van de prijs van die goederen;

4° op de voorwerpen die dienen voor de uitoefening van de eredienst;

5° op de levensmiddelen en brandstof die de beslagene en zijn gezin voor een maand nodig hebben;

een computer met internetverbinding en een printer in zoverre er geen enkele computer en/of printer geviseerd wordt door de bepalingen onder 2° of 3°, behalve voor de betaling van de prijs van die goederen;”

Juridische Bronnen:

  • Nieuw Art. 1408 Ger.W.
  • Oud Art. 1408 Ger.W.
  • Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de niet voor beslag vatbare goederen, BS 15 juni 2023, blz. 55297
  • Droit Quotidiens Legal Design, “Gerechtelijk Wetboek: update lijst van tegen beslag beschermde goederen”, https://polinfo.kluwer.be/NewsView.aspx?contentdomains=POLINFO&id=VS301022916&lang=nl
  • X, “ Koeien, schapen, geiten,… zullen vanaf nu wel vatbaar zijn voor beslag, https://www.stradalex.com/nl/sl_news/document/sl_news_article20230616-2-nl

Op 1 augustus 2023 treedt in centrum Antwerpen de nieuwe parkeerregeling in werking. Het is vanaf dan voor bezoekers van het historisch centrum niet meer mogelijk om hun wagen op straat te parkeren.

De nieuwe parkeerregeling is een gevolg van de “verwoonerving” van de stad. Er worden namelijk meer en meer woonerven aangelegd om zo bewoners van het historisch centrum meer leefruimte te geven. Het resultaat daarvan is dat er minder openbare parkeerplaatsen zijn. Het nieuw parkeerbeleid heeft als doel om de resterende parkeerplaatsen maximaal vrij te houden voor de bewoners.

Het nieuwe parkeerbeleid geldt enkel in het historisch centrum. In de rest van de stad blijven de gewone, plaatselijke parkeerregelingen en parkeertarieven van kracht.

De parkeerzone strekt zich uit van de Leien tot aan de Schelde en van de Brouwersvliet en Ankerrui in het noorden tot aan de Scheldestraat, Kronenburgstraat en Kasteelpleinstraat in het zuiden. Voornoemde grensstraten maken geen deel uit van de parkeerzone.

Het parkeerverbod geldt niet voor gedomicilieerde bewoners van de betreffende zone, voor zover zij beschikken over een geldige parkeervergunning (lees: bewonerskaart). Een bewonerskaart kan online aangevraagd worden en daarmee kan gratis en onbeperkt in de zone geparkeerd worden.

Gedomicilieerde bewoners van de betreffende parkeerzone kunnen voor hun eigen bezoekers digitaal een bezoekerspas aanvragen. Bezoekers van bewoners kunnen dan maximum 3 uur op straat parkeren voor €3,80 per uur.

Daarnaast, kunnen er vier andere categorieën van personen in de zone parkeren, indien zij een aanvraag voor een vergunning indienen.

Ten eerste, kunnen erkende zorgverstrekkers (zoals artsen, kinesisten, vroedvrouwen, verpleegkundigen etc.), een parkeervergunning aanvragen tegen een kostprijs van €75 per maand waarmee ze vervolgens in alle parkeer- en tariefzones kunnen parkeren.

Ten tweede kunnen ondernemingen van bepaalde beroepscategorieën[1] (voornamelijk bouwgerelateerde bereoepen zoals loodgieters en elektriciens) tegen betaling een parkeervergunning aanvragen zodat ze hun klanten die in de parkeerzone wonen kunnen bereiken. Er zijn verschillende types van vergunningen die door een onderneming kunnen worden aangevraagd:

  • Een dagvergunning voor de rode tariefzone (en de nieuwe parkeerzone voor bewoners en vergunninghouders): € 44
  • Een vergunning voor 3 maanden voor de rode tariefzone (en de nieuwe parkeerzone voor bewoners en vergunninghouders): € 1.621,40
  • Een vergunning voor 3 maanden voor voor alle tariefzones, exclusief de rode tariefzone (en de nieuwe parkeerzone voor bewoners en vergunninghouders): € 344,85
  • Een vergunning voor 3 maanden voor alle tariefzones, inclusief de rode tariefzone (en de nieuwe parkeerzone voor bewoners en vergunninghouders): € 1.966,25

Ondernemingen die buiten de aangegeven beroepscategorieën vallen, kunnen afspraken maken met de bewoner waarvoor ze in de parkeerzone moeten zijn. Deze kan bijvoorbeeld een bezoekerspas aanvragen of parkeerverbodsborden laten plaatsen. Het nieuwe parkeerbeleid geldt ook enkel voor effectief parkeren. Laden en lossen of louter personen in- en uit de wagen laten stappen, blijft wel mogelijk.

Ten derde, wie gebruik maakt van een deelwagen (van Poppy, Cambio, Green Mobility of Miles Mobility) kan nog steeds in de betreffende parkeerzone parkeren. Ook particuliere autodelers, ongeacht of ze aangesloten zijn bij een autodeelorganisatie, met een vergunning voor de bewonerszones Sint-Andries, Theaterbuurt-Mier, Historisch centrum en Universiteitsbuurt, kunnen in de parkeerzone onbeperkt parkeren.

Ten vierde en ten slotte, geldt het parkeerverbod niet voor personen met een handicap, indien ze zich op voorhand registreren. Parkeren op voorbehouden plaatsen blijft voor hen overal gratis.

Overige bezoekers van de Stad (lees: geen bewoners, geen bezoekers van bewoners en geen bijzondere categorieën) zullen voortaan een andere oplossing moeten vinden om het centrum te bereiken, bijvoorbeeld met het openbaar vervoer of met de fiets. Indien men toch de wagen neemt, zal men beroep moeten doen op één van de ondergrondse publieke parkings. Ook de (goedkopere) park and rides aan de rand van de stad zijn een optie. Daar kunnen bezoekers hun wagen parkeren en vervolgens het openbaar vervoer of een (deel)fiets nemen om zich naar het centrum te begeven.

Om de handelaars in de betreffende zone tegemoet te komen, geldt in de Nationalestraat een bijzondere Shop & Go-regeling. Daar mag eenieder tijdens de winkeluren (van maandag tot zaterdag tussen 9 en 18 uur) betalend parkeren t.b.v. €3,80 voor maximum 30 minuten, zodat korte boodschappen in de omgeving mogelijk blijven.

Indien men zonder bewonerskaart of geldige vergunning toch de wagen in de betreffende parkeerzone parkeert, dan riskeert men een parkeerretributie van €44.

Meer info vindt u op de website van de Stad Antwerpen: https://www.antwerpen.be/info/6479b394d45ffe026055d617/parkeren-in-het-centrum-vanaf-1-augustus-2023.

Aangezien er op het nieuwe parkeerbeleid best wat kritiek kwam, zal er vanaf 1 oktober 2023 al een aangepaste regeling gelden voor wat betreft een aantal categorieën die in de nieuwe parkeerzone mogen parkeren.

Voor de ondernemers wordt het aantal type ondernemingen die een parkeervergunning kunnen aanvragen, uitgebreid met de NACE-codes 11.xxx, 25.110, 25.72, 25.99, 33.130, 39.000, 41.200, 46.742, 71.122, 71.209, 77.296, 81.300, 80.xxx, 81.290, 84.200 en 90.0xx.

Daarnaast worden de tarieven voor hun parkeervergunning aangepast:

  • Een dagvergunning zal nog 35 euro kosten (i.p.v. 44 Euro)
  • Een driemaandenvergunning zal nog 1.350,00 Euro kosten (i.p.v. nu 1.966,00 Euro voor de duurste).

Ook de zonering van hun vergunning werd aangepast, waardoor alle ondernemersvergunningen vanaf 1 oktober geldig zullen zijn in álle parkeertariefzones op het grondgebied van de stad Antwerpen (inclusief de nieuwe parkeerzone voor bewoners en vergunninghouders).

Voor personen met een handicap, die hun nummerplaat moeten registeren om in de nieuwe parkeerzone te mogen parkeren, wordt er verduidelijkt welke voertuigtypes niet geregistreerd kunnen worden. Het gaat om voertuigen die worden ingezet voor vervoer als professionele activiteit, bijvoorbeeld taxi’s en voertuigen met een commerciële nummerplaat bv. voor proefritten bij een garage.

Ten slotte, vanaf 1 december 2023 wordt een wijziging doorgevoerd in het parkeerbeleid in een aangrenzende parkeerzone. Parkeerzones die grenzen aan de zone historisch centrum (lichtgroen) hebben een parkeerduurbeperking van 3 uur. In de harmonie- en Brederodewijk wordt deze zone uitgebreid tot aan de Ballaarstraat/Isabella Brandstraat/Jozef De Bomstraat/Gounodstraat. Dit om de wandelafstand tussen het historisch centrum en de parkeerzone waar men maximum 10 uur mag parkeren (donkergroen), te vergroten:

 

[1] NACEBEL-codes 33.1xx, 33.2xx, 42.2xx, 43.2xx, 43.3xx, 81.21x, 81.22x, 95.1xx en 95.2xx.

In een belangrijke ontwikkeling ter bevordering van goed bestuur en ter bescherming van het bedrijfsleven heeft de overheid het Centraal Register van Bestuursverboden opgericht. Het register houdt bij welke functiehouders of kandidaat-functiehouders een bestuursverbod werd opgelegd na een veroordeling. Het register is opgericht om een einde te maken aan malafide bestuurderspraktijken door de individuen die zich schuldig hebben gemaakt aan wangedrag te identificeren.

De wet van 4 mei 2023[1] betreffende het Centraal register van bestuursverboden  is een omzetting de Richtlijn (EU) 2017/1132. [2] Deze Richtlijn was al gedeeltelijk omgezet in het Belgisch Recht, maar voor de specifieke regels inzake bestuursverboden en ondernemingsverboden was er nog actie vereist.

Met het Centraal register van bestuursverboden krijgt de overheid en derden een krachtig instrument in handen. Het Centraal register van bestuursverboden fungeert als een openbare database waarin de namen van bestuurders die een bestuurs- of ondernemingsverbod hebben opgelegd gekregen, wordt vastgelegd.

De persoonsgegevens, de begin- en einddatum van het verbod, het ondernemingsnummer waarvoor de betrokkene handelde, de datum van de veroordeling en de gronden van de veroordeling worden in de database opgenomen.[3]

Naast overheidsinstanties (o.a. griffies) kunnen ook burgers opzoekingen verrichten in het register, al zullen zij slecht beperktere toegang hebben tot de gegevens. Voor hen zal enkel de voor- en achternaam van de veroordeelde en begin- en einddatum van het opgelegde bestuursverbod zichtbaar zijn.[4]

Een bestuursverbod is een straf die een rechter bij een veroordeling aan een functiehouder in een vennootschap kan opleggen. Het is dan aan de veroordeelde verboden om gedurende een periode van drie tot tien jaar, zowel rechtstreeks als onrechtstreeks, in België een mandaat binnen een vennootschap uit te oefenen.

Een veroordeling als dader of medeplichtige voor bepaalde faillissementsmisdrijven en misbruik van vennootschapsgoederen kan ook aanleiding geven tot het algemeen verbod om een onderneming op te richten of verder te zetten, het zogenaamde ‘ondernemingsverbod’.

Indien een bestuurder een van deze sancties krijgt opgelegd zal dit moeten voorkomen dat hij in de toekomst nog langer enige bestuursfunctie kunnen bekleden bij een rechtspersoon.

In de praktijk verliep de controle op deze sancties eerder moeilijk. Het Centraal register van bestuursverboden betreft dan ook een belangrijke ontwikkeling voor de controle alsook ter bevordering van goed bestuur en ter bescherming van het bedrijfsleven.

Het is nu dan ook aan de Overheidsdiensten om het register te raadplegen bij de neerlegging van een nieuwe benoeming en deze te weigeren indien de betreffende persoon werd opgenomen in het Centraal register.

Bovendien moeten de bevoegde organen van een vennootschap, vzw, ivzw of stichting een bijkomende verklaring ondertekenen waarin wordt vermeld dat geen veroordeling tot een bestuurs- of ondernemingsverbod werd uitgesproken door een buitenlandsrechtscollege.[5]

De wet van 4 mei 2023 betreffende het Centraal register van bestuursverboden treedt in werking op 1 augustus 2023 met uitzondering van artikel 10 van de Wet van 4 mei 2023 dat in werking treedt op een datum bepaald door de Koning en uiterlijk op 1 augustus 2024.

Het register zal dan ook pas uiterlijk vanaf 1 augustus 2024 effectief raadpleegbaar zijn voor overheidsdiensten en derden.

Als u overweegt om een vennootschap op te richten of een nieuwe functiehouder binnen uw vennootschap wenst te benoemen kan u steeds met ons contact opnemen zodat bovenvermelde formaliteiten correct worden uitgevoerd.

Indien u na het lezen van dit artikel nog vragen heeft, aarzel dan niet om ons te contacteren via joost.peeters@studio-legale.be of 03/216.70.70.

 

 

[1] Wet van 4 mei 2023 betreffende het Centraal register van bestuursverboden;

[2] Deze wet voorziet in de omzetting van artikel 1, lid 5, van Richtlijn (EU) 2019/1151 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 met betrekking tot het gebruik van digitale instrumenten en processen in het kader van het vennootschapsrecht, inzonderheid wat artikel 13decies van Richtlijn (EU) 2017/1132 betreft;

[3] Art. 7 Wet van 4 mei 2023 betreffende het Centraal register van bestuursverboden;

[4] Art. 10 Wet van 4 mei 2023 betreffende het Centraal register van bestuursverboden (dit artikel treedt pas in werking vanaf 1 augustus 2024);

[5] Artikel 13 Wet van 4 mei 2023 betreffende het Centraal Register van bestuursverboden.

Hoofdwebsite Contact
afspraak maken upload






      GDPR proof area
      Upload uw documenten





      sleep uw documenten naar hier of kies bestand


      sleep uw briefwisseling naar hier of kies bestand











        Benelux (€... )EU (€... )Internationaal (prijs op aanvraag)

        Door de aanvraag in te dienen, verklaart u zich uitdrukkelijk akkoord met onze algemene voorwaarden en bevestigt u dat u onze privacyverklaring aandachtig heeft gelezen. Het verzenden van deze aanvraag geldt als een opdrachtbevestiging.
        error: Helaas, deze content is beschermd!