Categorie: STUDIO PENALE

Phishing: het nieuwe inbreken anno 2021?

34.000.000 euro.[1] Dat is het totale bedrag dat phishers in het jaar 2020 konden stelen. Wat is phishing en hoe gaan deze cybercriminelen te werk? Krijg ik mijn geld terug als ik word opgelicht en hoe herken ik valse e-mails? Wij zochten het voor u uit.

Phishing?

Phishing is een vorm van cybercriminaliteit waarbij het potentiële slachtoffer wordt benaderd via e-mail, sms, sociale media of telefoon. De oplichter doet zich daarbij voor als iemand anders in een poging toegang te krijgen tot de vertrouwelijke gegevens van slachtoffers. Het lijkt op internetfraude, met dit verschil dat de dader geen gegevens manipuleert, maar wel personen. Het is een vorm van psychologie om op die manier het vertrouwen te winnen van het slachtoffer. Phishers gaan hierbij zeer ingenieus te werk en spelen handig in op de actualiteit. Berichtjes van een bank, een technologiebedrijf of een postbedrijf dat zegt dat er een pakje op je wacht, de kans dat u één van deze berichtjes heeft ontvangen, is bijzonder groot.


[1] https://www.febelfin.be/nl/press-room/phishing-2020-de-cijfers

Het fenomeen van phishing of “hengelen” naar gevoelige gegevens zoals wachtwoorden en bank- of kredietkaartgegevens is de laatste jaren exponentieel gegroeid. In 2020 werden er maar liefst 3.200.000 verdachte berichten doorgestuurd naar het Centrum voor Cybersecurity België (CCB). In de eerste helft van vorig jaar stelde de politiediensten 3.438 pv’s rond phishing op. Een viervoudiging in vergelijking met het jaar ervoor. Maar dat is nog maar het topje van de ijsberg, weet het Parket.[2]

Verschillende redenen liggen hiervoor aan de basis. Ten eerste stijgt het aantal phisingberichten exponentieel waardoor Justitie de toevloed aan dossiers simpelweg niet meer kan verwerken. Het lijkt haast een onaangename bijwerking van de coronacrisis, nu contacten steeds vaker digitaal verlopen. Gezien de vele slachtoffers en beperkte mensen en middelen bij Justitie is de kans dat daders gepakt worden eerder klein.

Daarnaast is de anonimiteit waarin de dader vertoeft een belangrijke verklarende factor.  Veilig van achter zijn computerscherm kan een cybercrimineel onder de radar van Justitie duizenden mensen tegelijk bestelen, nu zij in veel gevallen niet in staat zijn de identiteit te achterhalen van de persoon die valse berichten stuurt of een valse website opzet. Daders wanen zich straffeloos.

Tot slot, phishing is kinderspel. Je hoeft helemaal geen computerwizard te zijn om aan phishing te kunnen doen. Het is een kwestie van het vertrouwen te winnen van slachtoffers om op die manier gevoelige informatie te ontfutselen en vervolgens geld te stelen.

Hoe gaan deze cybercriminelen te werk?

Heel eenvoudig. Phishing kent vaak een gestructureerde organisatie. Bovenaan de piramide staan de IT-experten die softwareprogramma’s maken waarmee zij geloofwaardige phishingsites en -mails kunnen maken. Door websites te hacken waarop personen zich hebben aangemeld, komen de oplichters aan data die via online marktplaatsen aangeboden worden in gesloten chatgroepen. Phishers kopen de data die voortkomen uit de softwareprogramma’s en kiezen uit deze lijst hun slachtoffers. Op die manier kunnen phishers vaak duizenden mensen tegelijkertijd mailen. Onderaan staan de geldezels. Op hun rekeningen komt het geld van de slachtoffers terecht dat de phishers stelen. Met andere woorden een soort van afleidingsmanoeuvre voor Justitie, want zo blijven niet enkel de bendeleiders vaak buiten beeld bij de speurders, maar zijn ook de phishers amper te traceren.

Krijg ik mijn geld terug?

Misschien wel de belangrijkste vraag voor slachtoffers: krijg ik mijn geld terug? Essentieel hierbij is dat slachtoffers snel handelen. Heb je het gevoel dat een transactie bij nader inzien toch verdacht is, contacteer dan onmiddellijk uw bank. Zij kunnen de toegang tot jouw rekeningen laten blokkeren. De kans dat je op tijd bent, lijkt wel kleiner nu het geld definitief vertrekt vanaf het moment dat daartoe de opdracht werd gegeven. Vandaar dat banken samenwerken om zo snel mogelijk rekeningen te laten blokkeren. Zodra een bank op de hoogte wordt gesteld van een phishinggeval, zal de bank van het slachtoffer contact opnemen met de bank van de geldezel. Met andere woorden de bank naar waar het geld getransfereerd wordt. Zij proberen alsnog de gelden te blokkeren en achteraf te gaan recupereren.

Lukt dit niet en is er reeds geld verdwenen, dan staat er een mogelijkheid open tot schadevergoeding van uw bank. Deze laatste zal een belangenafweging maken omtrent de vraag of je als klant aansprakelijk kan gesteld worden of niet. Hiervoor gebruikt de bank de figuur van de ‘grove nalatigheid’.[3] Men zal per situatie gaan kijken naar welke fraudetechniek gehanteerd werd en of klanten té onvoorzichtig geweest zijn door hun persoonsgegevens – weliswaar onder druk en te goeder trouw – te delen met een cybercrimineel. In elk geval is het zo dat de bewijslast rust bij de bank en het dus niet aan u is om te bewijzen dat je niet nalatig bent geweest.

Over de figuur van de ‘grove nalatigheid’ woeden de hevigste discussies, nu de wet niet duidelijk omschrijft wat wel en wat niet onder ‘grove nalatigheid’ dient te worden verstaan. Testaankoop[4] vindt dan ook dat banken te pas en te onpas dit begrip inroepen om niet of minder te moeten terugbetalen. Voorbeelden van ‘grove nalatigheid’ zijn onder andere het nalaten van je bankkaart te laten blokkeren of de kaart samen met de code te bewaren of aan iemand toe te vertrouwen. Maar het is heel moeilijk om daar een algemene lijn in te trekken. In de praktijk is het immers wel zo dat heel wat banken, in heel wat gevallen, de klant terugbetalen.[5]

Schuift de bank de volledige aansprakelijkheid in uw schoenen en denk je als slachtoffer in uw recht te staan, aarzel dan niet om je conflict aan te kaarten bij Ombudsfin[6], de ombudsdienst voor financiële geschillen. Dat is een onafhankelijke instelling die kan bemiddelen omtrent betwistingen over frauduleuze verrichtingen en terugbetalingen tussen slachtoffer en bank.

Hoe herken ik valse berichten?

Phishers blijken zeer vindingrijk en bedenken geregeld nieuwe kunstgrepen om mensen geld of gegevens afhandig te maken. Daarnaast zijn de oplichtingsmethodes ook steeds moeilijker te herkennen. Het onderscheid maken tussen valse e-mails en betrouwbare berichten, het lijkt haast een onmogelijke opdracht. Hieronder zetten we een aantal tips op een rijtje om te beoordelen of je een bericht kan vertrouwen.

Twijfel je of een bericht verdacht is? Beantwoord dan kort voor jezelf deze vragen:[7]

  1. Is het onverwacht?
  2. Is het dringend?
  3. Ken je de afzender?
  4. Vind je de vraag vreemd?
  5. Naar waar leidt de link waar je moet op klikken? Tip: beweeg over de link en kijk waar deze u naartoe stuurt. Een verdachte link doet u best niet open.
  6. Word je persoonlijk aangesproken?
  7. Bevat het bericht veel taalfouten?
  8. Zit het bericht in je Spam?
  9. Probeert iemand je nieuwsgierig te maken?

Zit er een reukje aan een bepaalde transactie die je hebt verricht?  Contacteer zo snel mogelijk Card Stop om je kaart te laten blokkeren. Dit kan op het nummer 070 344 344. Weet dat Card Stop nooit mensen zal opbellen. Geeft iemand zich aan de telefoon uit als een medewerker van Card Stop, dan is dit 100% een oplichter.

Daarnaast is het belangrijk om zo veel mogelijk bewijzen te verzamelen. Noteer steeds alle gegevens die je van de oplichters kreeg, zoals telefoonnummers en namen. Neem eventueel screenshots van de vervalste mails, links en website. Met deze bewijzen op zak kan je eenvoudig een aangifte doen bij de politie en een proces-verbaal laten opstellen.

Tot slot, geef nooit persoonlijke codes door zoals je pincode of responscode. De bank zal deze codes immers nooit vragen via welk kanaal dan ook. Wees in het algemeen niet te naïef. Een bericht dat te mooi is om waar te zijn, zal dit meestal ook zijn. Daarnaast spelen phishers vaak in op het gevoel dat het snel moet gaan. Wees dus alert voor berichten waar een zekere urgentie achter zit. Geloof niet blindelings in elke mail of sms, maar geloof ook niet dat het jou nooit zou overkomen. Wees op je hoede en dubbelcheck!

Komt u tijdens het surfen op het internet een verdacht bericht tegen, aarzel dan zeker niet om dit bericht door te sturen naar verdacht@safeonweb.be. Zij controleren de links en bijlages van deze doorgestuurde berichten waarbij ze in staat zijn om verdachte links te laten blokkeren. Op die manier zijn minder oplettende internetgebruikers die op de link geklikt hebben, ook beschermd. Door snel te ageren, verkleint de kans dat cybercriminelen slachtoffers maken. Een gewaarschuwd man is er twee waard.

Indien u na het lezen van dit artikel nog vragen hebt omtrent phishing, aarzel dan niet om ons te contacteren via joost.peeters@studio-legale.be, simon.geens@studio-legale.be of 03 216 70 70.

[1] https://www.febelfin.be/nl/press-room/phishing-2020-de-cijfers

[2] https://www.vrt.be/vrtnu/a-z/pano/2021/pano-s2021a7/.

[3] https://www.standaard.be/cnt/dmf20210507_97478909

[4]https://www.test-aankoop.be/geld/betalen/dossier/betaalkaarten-hoe-krijgt-u-uw-geld-terug/dief-heeft-uw-kaart-of-gegevens.

[5] https://www.vrt.be/vrtnu/a-z/pano/2021/pano-s2021a7/

[6] https://www.ombudsfin.be/

[7] https://www.safeonweb.be/nl/leer-valse-mails-herkennen

——————————————————————————————

Le phishing : le nouveau cambriolage en 2021?

  1. 000. 000 euros.[1] C’est le montant total que les phishers ont pu voler en 2020. Qu’est-ce que le phishing et comment ces cybercriminels opèrent-ils ? Serai-je remboursé si je suis victime d’une escroquerie et comment reconnaître les faux e-mails ? Nous avons fait quelques recherches pour vous.

Phishing?

Le phishing est une forme de cybercriminalité dans laquelle la victime potentielle est approchée par courrier électronique, par SMS, par les médias sociaux ou par téléphone. L’escroc se fait passer pour quelqu’un d’autre dans le but d’accéder aux données confidentielles des victimes. Elle est similaire à la fraude sur Internet, sauf que l’auteur ne manipule pas des données, mais des personnes. C’est un méthode psychologique pour gagner la confiance de la victime. Les phishers travaillent de manière très ingénieuse et anticipent habilement les événements actuels. Des messages d’une banque, d’une entreprise technologique ou d’un service postal indiquant qu’un colis vous attend, la probabilité que vous ayez reçu l’un de ces messages est très élevée.


Le phénomène du phishing ou de « l’hameçonnage” des données sensibles telles que les mots de passe et les coordonnées bancaires ou de cartes de crédit, a connu une croissance exponentielle ces dernières années. En 2020, pas moins de 3. 200. 000 messages suspects ont été transmis au Centre de cybersécurité de Belgique (CCB). Au cours du premier semestre de l’année dernière, les services de police ont établi 3 438 rapports officiels sur le phishing. C’est quatre fois plus élevé que l’année précédente. Mais ce n’est que la partie visible de l’iceberg, selon le ministère public.[2]

Il y a plusieurs raisons à cela. Tout d’abord, le nombre de messages d’hameçonnage augmentent de manière exponentielle, ce qui signifie que le ministère public ne peut tout simplement plus traiter l’afflux de dossiers. Cela ressemble presque à un effet secondaire négatif de la crise du Corona, maintenant que les contacts se font de plus en plus par voie numérique. Compte tenu des nombreuses victimes et des ressources humaines et financières limitées du ministère de la justice, la probabilité que les délinquants soient arrêtés est plutôt faible.

En outre, l’anonymat de l’auteur des faits est un facteur explicatif important.  Bien à l’abri derrière son écran d’ordinateur, un cybercriminel peut voler des milliers de personnes en même temps, tout en échappant au radar de la loi, car dans de nombreux cas, ils sont incapables de découvrir l’identité de la personne qui envoie de faux messages ou crée un faux site web. Les auteurs de ces actes s’imaginent qu’ils bénéficient de l’impunité.

Enfin, le phishing est un jeu d’enfant. Il n’est pas nécessaire d’être un magicien de l’informatique pour faire du phishing. Il s’agit simplement de gagner la confiance des victimes afin d’extraire des informations sensibles et de voler de l’argent.

Comment ces cybercriminels opèrent-ils?

C’est assez simple. Le phishing a souvent une organisation structurée. Au sommet de la pyramide se trouvent les experts en informatique qui créent des logiciels permettant d’élaborer des sites et des e-mails de phishing crédibles. En piratant des sites web où des personnes se sont inscrites, les fraudeurs s’emparent de données proposées dans les groupes de discussion fermés via des marchés en ligne. Les phishers achètent les données qui proviennent des logiciels et choisissent leurs victimes dans cette liste. De cette manière, les phishers peuvent souvent envoyer des messages à des milliers de personnes en même temps. En bas, ce sont les mules financières. L’argent des victimes que les phishers volent finit sur leurs comptes. En d’autres termes, il s’agit d’une sorte de tactique de diversion pour les autorités judiciaires, car de cette façon, non seulement les chefs de bande restent souvent hors de portée des enquêteurs, mais les phishers ne peuvent guère être retrouvés non plus.

Serai-je remboursé?

La question la plus importante pour les victimes est peut-être : vais-je récupérer mon argent ? Il est essentiel que les victimes agissent rapidement. Si vous estimez qu’une transaction est finalement suspecte, contactez immédiatement votre banque. Ils peuvent faire bloquer l’accès à vos comptes. La probabilité que vous soyez dans les temps semble plus faible à partir du moment où l’ordre a été donné et que l’argent a définitivement quitté la banque. C’est pourquoi les banques travaillent ensemble pour faire bloquer les comptes le plus rapidement possible. Dès qu’une banque est informée d’un cas de phishing, la banque de la victime contacte la banque de la mule. En d’autres termes, la banque à laquelle l’argent est transféré. Ils tenteront de bloquer les fonds et de les récupérer par la suite.

Si cela ne fonctionne pas et que l’argent a déjà disparu, il existe une possibilité d’indemnisation par votre banque. Ce dernier procédera à un équilibre entre les intérêts en présence pour déterminer si vous pouvez être tenu responsable ou non. Pour cela, la banque utilise la notion de “négligence grave”.[3]  Ils examineront chaque situation pour déterminer quelle technique de fraude a été utilisée et si les clients ont été trop négligents en partageant leurs données personnelles – bien que sous pression et de bonne foi – avec un cybercriminel. Dans tous les cas, la charge de la preuve incombe à la banque et ce n’est pas à vous de prouver que vous n’avez pas été négligent.

La notion de “négligence grave” fait l’objet d’un débat animé, car la loi ne définit pas clairement ce qui doit être considéré comme une “négligence grave” et ce qui ne doit pas l’être. Test Achats[4] estime que les banques utilisent ce concept en permanence pour éviter de rembourser l’argent. Parmi les exemples de “négligence grave”, citons le fait de ne pas bloquer sa carte bancaire, de ne pas conserver la carte avec le code ou de ne pas la confier à quelqu’un. Mais il est très difficile de tracer une ligne générale ici. Dans la pratique, beaucoup de banques remboursent le client dans de nombreux cas.[5]

Si la banque déclare que vous êtes entièrement responsable et que vous pensez être la victime, n’hésitez pas à porter votre conflit devant l’Ombudsfin[6], le service de médiation des litiges financiers. Il s’agit d’une institution indépendante qui peut servir de médiateur dans les litiges relatifs aux transactions frauduleuses et aux remboursements entre la victime et la banque.

Comment reconnaître les faux messages?

Les phishers sont très inventifs et inventent régulièrement de nouvelles astuces pour escroquer les gens de leur argent ou de leurs données. En outre, les méthodes d’escroquerie sont également de plus en plus difficiles à reconnaître. Distinguer les faux e-mails des messages fiables semble presque impossible. Nous avons répertorié, ci-dessous, un certain nombre de conseils pour évaluer si vous pouvez faire confiance à un message.

Vous doutez qu’un message soit suspect ? Répondez ensuite brièvement à ces questions pour vous-même :[7]

  • Est-ce inattendu?
  • C’est urgent?
  • Connaissez-vous l’expéditeur?
  • Trouvez-vous la question étrange?
  • Sur quoi le lien vous amène-t-il à cliquer ? Conseil: survolez le lien et voyez où il vous mène. Il est préférable de ne pas ouvrir un lien suspect.
  • Connaissez-vous l’expéditeur?
  • S’adresse-t-on à vous personnellement?
  • Le message contient-il de nombreuses erreurs de langage ?
  • Le message est-il dans votre Spam?
  • Est-ce que quelqu’un essaie de vous rendre curieux?

Vous ne vous sentez pas à l’aise avec une transaction que vous avez effectuée? Contactez Card Stop dès que possible pour faire bloquer votre carte. Vous pouvez le faire en appelant le 070 344 344. Veuillez noter que Card Stop n’appelle jamais les gens. Si quelqu’un se fait passer pour un employé de Card Stop au téléphone, cette personne est à 100% un fraudeur.

Il est également important de rassembler autant de preuves que possible. Notez toujours tous les détails que vous avez reçus des escrocs, tels que les numéros de téléphone et les noms. Si nécessaire, faites des captures d’écran des courriels, des liens et du site Web falsifiés. Avec ces preuves en poche, vous pouvez facilement porter plainte auprès de la police et faire établir un rapport officiel.

Enfin, ne donnez jamais de codes personnels tels que votre numéro PIN ou votre code de réponse. La banque ne demandera jamais ces codes par quelque canal que ce soit. En général, ne soyez pas trop naïfs. Un message qui est trop beau pour être vrai l’est généralement. En outre, les phishers jouent souvent avec l’impression que les choses doivent se passer rapidement. Soyez donc attentif aux messages qui ont un caractère d’urgence. Ne croyez pas aveuglément chaque e-mail ou SMS, mais ne croyez pas non plus que cela ne vous arrivera jamais. Soyez sur vos gardes et vérifiez à nouveau !

Si vous tombez sur un message suspect en surfant sur Internet, n’hésitez pas à le transmettre à verdacht@safeonweb.be. Ils vérifient les liens et les pièces jointes de ces messages transférés et sont capables de bloquer les liens suspects. De cette façon, les internautes moins attentifs qui ont cliqué sur le lien sont également protégés. En agissant rapidement, on réduit les chances que les cybercriminels fassent des victimes. Un homme avertit en vaut deux.

Si vous avez encore des questions sur le phishing après avoir lu cet article, n’hésitez pas à nous contacter via joost.peeters@studio-legale.be, simon.geens@studio-legale.be ou 03 216 70 70.

[1] https://www.febelfin.be/nl/press-room/phishing-2020-de-cijfers

[2] https://www.vrt.be/vrtnu/a-z/pano/2021/pano-s2021a7/.

[3] https://www.standaard.be/cnt/dmf20210507_97478909

[4] https://www.test-aankoop.be/geld/betalen/dossier/betaalkaarten-hoe-krijgt-u-uw-geld-terug/dief-heeft-uw-kaart-of-gegevens.

[5] https://www.vrt.be/vrtnu/a-z/pano/2021/pano-s2021a7/

[6] https://www.ombudsfin.be/

[7] https://www.safeonweb.be/nl/leer-valse-mails-herkennen

——————————————————————————————

Phishing: the new burglary in 2021?

34,000,000 euros.[1]  That is the total amount that phishers were able to steal in the year 2020. What is phishing and how do these cybercriminals operate? Will I get my money back if I am scammed and how do I recognize fake e-mails? An overview.

Phishing?

Phishing is a form of cybercrime in which the potential victim is approached via e-mail, text message, social media or telephone. The scammer pretends to be someone else in an attempt to gain access to the confidential data of victims. It is similar to Internet fraud except that the perpetrator does not manipulate data, but people. It is a form of psychology to gain the victim’s trust. Phishers work very ingeniously and skillfully respond to current events. Messages from a bank, a technology company or a postal service that says a parcel is waiting for you, the chance that you have received one of these messages is very high.

The phenomenon of phishing, or “fishing” for sensitive data such as passwords and bank or credit card details, has grown exponentially in recent years. In 2020, no fewer than 3,200,000 suspicious messages were forwarded to the Centre for Cybersecurity Belgium (CCB). In the first half of last year, the police services drew up 3,438 official reports on phishing. A fourfold increase compared to the previous year. But that is only the tip of the iceberg, according to the Public Prosecutor’s Office.[2]

There are various reasons for this growth. Firstly, the number of phishing messages is increasing exponentially, so that the Public Prosecutor’s Office simply cannot process the flood of files anymore. It seems almost like an unpleasant side effect of the corona crisis, now that contacts are more and more made digitally. Considering the many victims and the limited human and material resources of the judiciary, the chance that offenders will be caught is rather small.

In addition, the anonymity of the perpetrator is an important explanatory factor.  Safely from behind his computer screen, a cybercriminal can rob thousands of people at the same time under the radar of the justice department, since in many cases they are unable to find out the identity of the person who sends fake messages or sets up a fake website. Perpetrators imagine they have impunity.

Finally, phishing is a piece of cake. You do not need to be a computer wizard to do phishing. It is just a matter of gaining the trust of victims in order to steal sensitive information and money.

How do these cybercriminals operate?

Quite simply. Phishing often has a structured organization. At the top of the pyramid are the IT experts who create software programs in which they can create credible phishing sites and e-mails. By hacking into websites where people have registered, the fraudsters obtain data that is sold in closed chat groups via online marketplaces. Phishers buy the data from the software programs and choose their victims from this list. In this way phishers can often mail thousands of people at the same time. At the bottom are the money mules. The victims’ money that the phishers steal ends up in their accounts. In other words, a kind of diversionary tactic for the judicial authorities, because this way not only do the gang leaders often remain out of the picture for the investigators, but the phishers are also barely traceable.

Will I get my money back?

Perhaps the most important question for victims is: will I get my money back? It is essential that victims act quickly. If you feel that a transaction is suspicious, contact your bank immediately. They have access to your accounts and the authority to block them. The chance of you being on time does seem smaller now that the money has definitely left the bank from the moment the order was given. This is why banks are working together to have accounts blocked as soon as possible. As soon as a bank is informed of a phishing case, the victim’s bank will contact the bank of the money mule. In other words, the bank to which the money is transferred. They will try to block the funds and recover them afterwards.

If this does not work and the money has already disappeared, there is a possibility of compensation from your bank. The bank will make a balance of interests as to whether you, as a client, can be held liable or not. For this, the bank uses the figure of ‘gross negligence’[3]. In each situation, they will look at which fraud technique was used and whether customers were too careless in sharing their personal data – albeit under pressure and in good faith – with a cybercriminal. In any case, the burden of proof is on the bank and it is not up to you to prove that you were not negligent.

The figure of ‘gross negligence’ is subject in many heated debates, as the law does not clearly define what can be understood as ‘gross negligence’. Testaankoop[4] believes that banks invoke this concept all the time to avoid paying back the money or to pay less. Examples of ‘gross negligence’ include not blocking your bank card or not keeping the card together with the code or not entrusting it to anyone. But it is very difficult to make a general statement. In practice, many banks do refund the customer in many cases.[5]

If the bank decides that you are responsible and you think it’s unfair, do not hesitate to raise your conflict with Ombudsfin[6], the mediation service for financial disputes. This is an independent institution that can mediate in disputes about fraudulent transactions and refunds between the victim and the bank.

How do I recognize false messages?

Phishers are very inventive and regularly invent new tricks to get people out of money or data. In addition, the scamming methods are also becoming increasingly difficult to recognize. It seems almost impossible to distinguish false e-mails and reliable messages. Below, we have listed a number of tips for assessing whether you can trust a message.

Do you doubt that a message is suspicious? Then briefly answer these questions for yourself:[7]

  • Is it unexpected?
  • Is it urgent?
  • Do you know the sender?
  • Do you find the question strange?
  • Where does the link you have to click on lead to? Tip: move over the link and see where it takes you. It is best not to open a suspicious link.
  • Are you addressed personally?
  • Does the message contain many language errors?
  • Is the message in your Spam?
  • Is someone trying to make you curious?

Are you uncomfortable about a certain transaction you made?  Contact Card Stop as soon as possible to have your card blocked. You can do this by calling 070 344 344. Please note that Card Stop will never call people. If someone pretends to be a Card Stop employee on the phone, this person is 100% a fraudster.

It is also important to gather as much evidence as possible. Always make a note of all the details you received from the scammers, such as phone numbers and names. If necessary, take screenshots of the forged e-mails, links and website. With this evidence in your pocket, you can easily file a report with the police and have an official report drawn up.

Finally, never give personal codes such as your PIN number or response code. The bank will never ask for these codes through any channel whatsoever. In general, don’t be too naive. A message that is too good to be true, usually is. In addition, phishers often play on the feeling that things have to happen fast. So be alert for messages that have a certain urgency behind them. Do not blindly believe every e-mail or text message, but also do not believe that it will never happen to you. Be on your guard and double check!

If you come across a suspicious message while surfing the Internet, do not hesitate to forward it to verdacht@safeonweb.be. They check the links and attachments of these forwarded messages and are able to block suspicious links. In this way, less attentive Internet users who have clicked on the link are also protected. By acting quickly, cyber criminals are less likely to make victims. Better safe than sorry.

If you still have questions about phishing after reading this article, do not hesitate to contact us via joost.peeters@studio-legale.be, simon.geens@studio-legale.be or 03 216 70 70.

 

[1] https://www.febelfin.be/nl/press-room/phishing-2020-de-cijfers

[2] https://www.vrt.be/vrtnu/a-z/pano/2021/pano-s2021a7/.

[3] https://www.standaard.be/cnt/dmf20210507_97478909

[4] https://www.test-aankoop.be/geld/betalen/dossier/betaalkaarten-hoe-krijgt-u-uw-geld-terug/dief-heeft-uw-kaart-of-gegevens.

[5] https://www.vrt.be/vrtnu/a-z/pano/2021/pano-s2021a7/

[6] https://www.ombudsfin.be/

[7] https://www.safeonweb.be/nl/leer-valse-mails-herkennen

——————————————————————————————
Phishing: der neue Einbruch im Jahr 2021?

34.000.000 Euro.[1] Das ist der Gesamtbetrag, den Phisher im Jahr 2020 stehlen konnten. Was ist Phishing und wie gehen diese Cyberkriminellen vor? Bekomme ich mein Geld zurück, wenn ich betrogen wurde und wie erkenne ich gefälschte E-Mails? Wir haben es für Sie herausgefunden.

Phishing?

Phishing ist eine Form der Cyberkriminalität, bei der das potenzielle Opfer per E-Mail, Textnachricht, soziale Medien oder Telefon angesprochen wird. Der Betrüger gibt sich als eine andere Person aus, um an die vertraulichen Daten der Opfer zu gelangen. Es ist ähnlich wie beim Internet-Betrug, nur dass der Täter nicht Daten, sondern Menschen manipuliert. Es ist eine Form der Psychologie, auf diese Weise das Vertrauen des Opfers zu gewinnen. Phisher arbeiten sehr raffiniert und antizipieren geschickt aktuelle Ereignisse. Nachrichten von einer Bank, einem Technologieunternehmen oder einem Postdienst, die besagen, dass ein Paket auf Sie wartet, die Wahrscheinlichkeit, dass Sie eine dieser Nachrichten erhalten haben, ist sehr hoch.

Das Phänomen des Phishings oder “Angelns” nach sensiblen Daten wie Passwörtern und Bank- oder Kreditkartendaten hat in den letzten Jahren exponentiell zugenommen. Im Jahr 2020 wurden nicht weniger als 3.200.000 verdächtige Nachrichten an das Centre for Cybersecurity Belgium (CCB) weitergeleitet. In der ersten Hälfte des vergangenen Jahres erstellten die Polizeidienststellen 3.438 offizielle Berichte über Phishing. Eine Vervierfachung im Vergleich zum Vorjahr. Doch das ist nur die Spitze des Eisbergs, so die Staatsanwaltschaft.[2]

Dafür gibt es verschiedene Gründe. Zum einen steigt die Zahl der Phishing-Nachrichten exponentiell an, so dass die Staatsanwaltschaft die Flut an Dateien einfach nicht mehr verarbeiten kann. Es scheint fast ein unangenehmer Nebeneffekt der Corona-Krise zu sein, dass Kontakte nun zunehmend digital geknüpft werden. Angesichts der vielen Opfer und der begrenzten personellen und finanziellen Ressourcen der Justiz ist die Chance, dass die Täter gefasst werden, eher gering.

Darüber hinaus ist die Anonymität des Täters ein wichtiger Erklärungsfaktor.  Sicher hinter seinem Computerbildschirm kann ein Cyberkrimineller unter dem Radar des Gesetzes Tausende Menschen gleichzeitig ausrauben, da sie in vielen Fällen nicht in der Lage sind, die Identität der Person zu ermitteln, die falsche Nachrichten verschickt oder eine gefälschte Website einrichtet. Die Täter glauben, dass sie straffrei bleiben.

Schließlich ist Phishing ein Kinderspiel. Sie müssen kein Computergenie sein, um Phishing zu betreiben. Es geht einfach darum, das Vertrauen der Opfer zu gewinnen, um sensible Informationen zu extrahieren und Geld zu stehlen.

Wie arbeiten diese Cyberkriminellen?

 Ganz einfach. Phishing hat oft eine strukturierte Organisation. An der Spitze der Pyramide stehen die IT-Experten, die Softwareprogramme erstellen, mit denen sie glaubwürdige Phishing-Seiten und -E-Mails erstellen können. Durch das Hacken von Webseiten, auf denen sich Menschen registriert haben, gelangen die Betrüger an Daten, die in geschlossenen Chatgruppen über Online-Marktplätze angeboten werden. Phisher kaufen die Daten, die von den Softwareprogrammen stammen, und wählen ihre Opfer aus dieser Liste aus. Auf diese Weise können Phisher oft Tausende Personen gleichzeitig anschreiben. Ganz unten sind die Geldesel. Das Geld der Opfer, das die Phisher stehlen, landet auf deren Konten. Also eine Art Ablenkungsmanöver für die Justizbehörden, denn so bleiben nicht nur die Bandenchefs für die Ermittler oft unauffindbar, sondern auch die Phisher können kaum aufgespürt werden.

Bekomme ich mein Geld zurück?

Die vielleicht wichtigste Frage für die Opfer ist: Bekomme ich mein Geld zurück? Es ist wichtig, dass Opfer schnell handeln. Wenn Ihnen eine Transaktion doch verdächtig vorkommt, wenden Sie sich sofort an Ihre Bank. Sie können den Zugriff auf Ihre Konten sperren lassen. Die Chance, dass Sie rechtzeitig sind, scheint kleiner zu sein, da das Geld ab dem Zeitpunkt der Auftragserteilung definitiv die Bank verlassen hat. Deshalb arbeiten die Banken zusammen, um Konten so schnell wie möglich sperren zu lassen. Sobald eine Bank über einen Phishing-Fall informiert wird, nimmt die Bank des Opfers Kontakt mit der Bank des Geldkuriers auf. Mit anderen Worten: die Bank, an die das Geld überwiesen wird. Sie werden versuchen, die Gelder zu sperren und sie anschließend wieder einzuziehen.

Wenn dies nicht funktioniert und das Geld bereits verschwunden ist, besteht die Möglichkeit einer Entschädigung durch Ihre Bank zu bekommen. Dieser wird eine Interessenabwägung vornehmen, ob Sie haftbar gemacht werden können oder nicht. Hierfür verwendet die Bank die Kennzahl “große Fahrlässigkeit”[3].  Sie werden jede Situation prüfen, um zu sehen, welche Betrugstechnik verwendet wurde und ob die Kunden zu unvorsichtig waren, indem sie ihre persönlichen Daten – wenn auch unter Druck und in gutem Glauben – an einen Cyberkriminellen weitergaben. In jedem Fall liegt die Beweislast bei der Bank und es liegt nicht an Ihnen, zu beweisen, dass Sie nicht fahrlässig waren.

Die Figur der “großen Fahrlässigkeit” ist Gegenstand heftiger Diskussionen, da das Gesetz nicht eindeutig definiert, was als “große Fahrlässigkeit” zu verstehen ist und was nicht. Testaankoop[4] ist der Meinung, dass Banken dieses Konzept immer wieder nutzen, um die Rückzahlung zu vermeiden. Beispiele für “große Fahrlässigkeit” sind, dass Sie Ihre Bankkarte nicht sperren oder die Karte nicht zusammen mit dem Code aufbewahren oder sie niemandem anvertrauen. Aber es ist sehr schwierig, hier eine allgemeine Linie zu ziehen. In der Praxis erstatten viele Banken dem Kunden in vielen Fällen Geld zurück.[5]

Wenn die Bank die volle Verantwortung übernimmt und Sie sich als Opfer fühlen, zögern Sie nicht, Ihren Konflikt an Ombudsfin[6], die Schlichtungsstelle für Finanzstreitigkeiten, zu richten. Dies ist eine unabhängige Institution, die bei Streitigkeiten über betrügerische Transaktionen und Erstattungen zwischen dem Opfer und der Bank vermitteln kann.

 Wie erkenne ich falsche Meldungen?

Phisher sind sehr erfinderisch und erfinden regelmäßig neue Tricks, um Menschen um Geld oder Daten zu betrügen. Außerdem werden die Betrugsmethoden immer schwieriger zu erkennen. Die Unterscheidung zwischen falschen E-Mails und zuverlässigen Nachrichten scheint fast unmöglich. Im Folgenden haben wir eine Reihe von Tipps aufgelistet, um zu beurteilen, ob Sie einer Nachricht vertrauen können.

Zweifeln Sie daran, dass eine Meldung verdächtig ist? Dann beantworten Sie diese Fragen kurz für sich selbst:[7]

  • Ist es unerwartet?
  • Ist es dringend?
  • Kennen Sie den Absender?
  • Finden Sie die Frage seltsam?
  • Wohin führt der Link, den Sie anklicken sollen? Tipp: Fahren Sie mit dem Mauszeiger über den Link und sehen Sie, wohin er Sie führt. Öffnen Sie einen verdächtigen Link am besten nicht.
  • Werden Sie persönlich angesprochen?
  • Enthält die Nachricht viele Sprachfehler?
  • Ist die Nachricht in Ihrem Spam?
  • Versucht jemand, Sie neugierig zu machen?

Riecht es nach einem von Ihnen getätigten Geschäft?  Wenden Sie sich so schnell wie möglich an Card Stop, um Ihre Karte sperren zu lassen. Sie können dies unter der Nummer 070 344 344 tun. Bitte beachten Sie, dass Card Stop niemals Personen anrufen wird. Wenn jemand am Telefon vorgibt, ein Mitarbeiter von Card Stop zu sein, ist diese Person 100% sicher ein Betrüger.

Es ist auch wichtig, so viele Beweise wie möglich zu sammeln. Notieren Sie sich immer alle Details, die Sie von den Betrügern erhalten haben, wie z. B. Telefonnummern und Namen. Machen Sie ggf. Screenshots von den gefälschten E-Mails, Links und der Website. Mit diesen Beweisen können Sie problemlos eine Anzeige bei der Polizei erstatten und einen offiziellen Bericht erstellen lassen.

Geben Sie schließlich niemals persönliche Codes wie Ihre PIN-Nummer oder Ihren Antwortcode an. Die Bank wird niemals auf irgendeinem Weg nach diesen Codes fragen. Im Allgemeinen sollten Sie nicht zu naiv sein. Eine Nachricht, die zu schön ist, um wahr zu sein, ist es meistens auch. Darüber hinaus spielen Phisher oft mit dem Gefühl, dass es schnell gehen muss. Seien Sie also wachsam für Nachrichten, die eine gewisse Dringlichkeit hinter sich haben. Glauben Sie nicht blind jeder E-Mail oder Textnachricht, aber glauben Sie auch nicht, dass es Ihnen nie passieren wird. Seien Sie auf der Hut und prüfen Sie doppelt!

Wenn Sie beim Surfen im Internet auf eine verdächtige Nachricht stoßen, zögern Sie nicht, sie an verdacht@safeonweb.be weiterzuleiten. Sie prüfen die Links und Anhänge dieser weitergeleiteten Nachrichten und sind in der Lage, verdächtige Links zu blockieren. Auf diese Weise werden auch weniger aufmerksame Internetnutzer, die auf den Link geklickt haben, geschützt. Durch schnelles Handeln wird die Chance, dass Cyberkriminelle Opfer finden, verringert. Eine Warnung ist zwei wert.

Wenn Sie nach dem Lesen dieses Artikels noch Fragen zum Thema Phishing haben, zögern Sie nicht, uns über joost.peeters@studio-legale.be, simon.geens@studio-legale.be oder 03 216 70 70 zu kontaktieren.

[1] https://www.febelfin.be/nl/press-room/phishing-2020-de-cijfers

[2] https://www.vrt.be/vrtnu/a-z/pano/2021/pano-s2021a7/.

[3] https://www.standaard.be/cnt/dmf20210507_97478909

[4] https://www.test-aankoop.be/geld/betalen/dossier/betaalkaarten-hoe-krijgt-u-uw-geld-terug/dief-heeft-uw-kaart-of-gegevens.

[5] https://www.vrt.be/vrtnu/a-z/pano/2021/pano-s2021a7/

[6] https://www.ombudsfin.be/

[7] https://www.safeonweb.be/nl/leer-valse-mails-herkennen

The Belgian Confession Tapes : de zaak waar men een onschuldige toch een moord liet bekennen.

Over de absolute noodzaak van bijstand van een advocaat bij het politieverhoor.

door Mtrs. Christian Clement, Koen De Backer & Jan Beldé

Op 19 oktober 2020 jl. velde de correctionele rechtbank van Dendermonde een nu al memorabel vonnis waar feitelijk niet genoeg over gezegd en geschreven kan worden. Onze cliënt CVH werd immers vrijgesproken van moord, hoewel hij in 2011 zijn betrokkenheid (meermaals) had bekend aan de politie.

Deze bekentenissen werden echter afgelegd in – zacht uitgedrukt – dubieuze omstandigheden. Maar vooral : ze werden afgelegd door een kwetsbare verdachte zonder de bijstand van een advocaat, zodat deze cliënt niet bestand bleek tegen de ongeoorloofde druk die de verhoorders op hem hadden uitgeoefend.

Het vonnis

De rechters waren daarom van oordeel dat alle verhoren van CVH moesten geweerd worden uit het dossier, waarbij in hun omstandig en goed gemotiveerd vonnis van 52 pagina’s onder meer het volgende te lezen staat :

“… De verbalisanten hebben met deze kwetsbaarheid onvoldoende rekening gehouden tijdens hun verhoren, hoewel ze reeds van dag 1 op de hoogte waren van de mentale beperkingen van CVH. … Meer nog : beklaagde voert aan bij de behandeling van de zaak voor de bodemrechter dat de politie een enorme druk op hem heeft gelegd. Deze bewering wordt ook aannemelijk gemaakt door de gegevens van het dossier. … Uit al deze elementen blijkt dat de verbalisanten een ongeoorloofde druk hebben uitgeoefend op de bijzonder kwetsbare beklaagde CVH. … CVH vertelde nadien in zijn verhoren mogelijk in essentie dat wat de speurders van hem wilden horen. Hiervoor putte hij wellicht uit de details die hij als inwoner van Temse kende ‘van het openbaar gerucht’, de gegevens die hij in de cel van O. had vernomen, aangevuld met details die hij – in antwoord op de vragen van de onderzoekers- bij elkaar heeft gegokt, om zo de onderzoekers ter wille te zijn. … Het is duidelijk dat om al de bovenstaande redenen de verhoren van CVH afgelegd op 20.10.2011, 23.10.2011, 24.10.2011, 26.10.2011 (plaatsaanduiding), 14.11.2011 en 16.11.2011 uit de debatten dienen geweerd te worden. Het gebruik van een deel of het geheel van deze verhoren zou strijdig zijn met het recht op een eerlijk proces. Het feit dat het hier gaat om het misdrijf moord, sommige verhoren audiovisueel werden geregistreerd, beklaagde CVH slechts laat in de procedure zijn verklaring terug intrekt en het onderzoek werd geleid door een onafhankelijke onderzoeksrechter en beoordeeld wordt door professionele rechters, doet aan de bovenstaande beoordeling geen afbreuk. …”

Wij raden die kritische lezers die nu iets denken in de trant van ‘Iemand die een misdaad bekent, zal die dan toch wel gepleegd hebben en moet veroordeeld worden’ of ‘alweer zo’n procedurepleiters die schuldigen laten lopen’ aan om door te bijten en het ganse hierna volgende relaas  te lezen, alvorens hun mening te vormen…

De theorie

Sinds het zgn. ‘Salduz-arrest’ van 20 november 2008 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft elke verdachte in een strafonderzoek het recht om bij zijn verhoor te worden bijgestaan door een advocaat. De aanleiding van dit arrest was de veroordeling in Turkije van de toen 17-jarige Yusuf Salduz, die had bekend dat hij had deelgenomen aan een illegale betoging van de PKK. Achteraf bleek echter dat Yusuf Salduz tijdens het politieverhoor onder druk was gezet en geslagen, waardoor hij een valse bekentenis had afgelegd. Sindsdien vereist het EHRM dat bij elk verhoor een advocaat aanwezig kan zijn, om na te gaan of zijn mensenrechten en rechten van verdediging wel worden gerespecteerd.

In België werden deze ‘Salduzrechten’ uiteindelijk pas omgezet in de wet van 13 augustus 2011, die werd gepubliceerd in het Belgische Staatsblad van 5 september 2011. In deze publicatie stond te lezen dat de Salduzrechten in ons koninkrijkje pas zouden ingaan vanaf 1 januari 2012.

Deze data zijn in het verhaal van onze cliënt CVH erg belangrijk. Immers vonden zijn verhoren allen plaats tussen 5 september 2011 en 1 januari 2012. Op het moment van zijn verhoren wisten de verhoorders dus donders goed wat er zat aan te komen, maar deze speurders beslisten om van deze laatste maanden gebruik te maken om een langslepend moordonderzoek nog snel af te ronden ‘op de goede ouderwetse wijze’…

De achtergrond

De zaak betreft een onopgeloste moord van juni 2009. Na 2 jaar onderzoeken hadden de speurders nog steeds geen doorbraak kunnen forceren. In oktober 2011 stapt de vader van CVH het politiekantoor van Temse voor de zoveelste keer binnen, omdat zijn zoon wordt geterroriseerd door meerdere personen uit de wijk. En voor de zoveelste keer wordt hij wandelen gestuurd. In alle emotie roept hij in het buitengaan: “Moet mijn zoon dan eindigen als die Turk?”. In Temse was immers net een flyer rondgedeeld om tips te krijgen over deze onopgeloste moord, waardoor de zaak opnieuw over de tongen ging. Voor het eerst kreeg vader VH plots wél de aandacht van de politie, waarvoor hij al zo lang smeekte. Deze kreet om hulp ontketende echter een nachtmerrie, die ruim 9 jaar lang zal duren.

Kort daarna werd zijn zoon CVH, onze cliënt, opgepakt. Het was algemeen geweten dat CVH zwakbegaafd was en gold als speelbal voor de delinquenten uit de buurt. Zij namen zijn geld en gsm af, ze ‘leenden’ zijn auto en lachten hem uit. Ook de politie wist maar al te goed dat CVH een gemakkelijk doelwit was. Zijn zogenaamde betrokkenheid bij de moord werd onder meer afgeleid uit het feit dat zijn gsm op het (vermoedelijke) moment van de moord onder die zendmast werd gecapteerd. Dit was ook de zendmast waar hij woonde, maar dat lieten de speurders er gemakshalve uit. In Temse staan 2 zendmasten, dus iedereen die daar woont was aldus een potentiële verdachte…

CVH werd op 20 oktober 2011 in een cel gestoken, naast een andere zogenaamde verdachte O. die net voordien reeds door de politie werd verhoord. Hun gesprek in de cel werd afgeluisterd. Op deze opname is te horen hoe de andere verdachte vertelt over een moord op een Turk en wie volgens de politie deze had gepleegd. Evenzeer is te horen hoe CVH geen idee heeft over wie het gaat en waarom hij daar zit.

De verhoren

Vervolgens wordt CVH net geen 10 uur aan een stuk verhoord door de politie. Dit van 20u ’s avonds tot 6u ’s morgens. Hij krijgt daarbij geen bijstand van een advocaat en mocht er ook geen spreken voordien. Het verhoor werd volledig gefilmd, wat (als je advocaten hebt die de moeite doen deze urenlange beelden te bekijken en te analyseren) achteraf zijn redding zou blijken. Uit de beelden blijkt dat hij op het einde van het verhoor zelfs in slaap valt. Na uren op hem in te praten, blijft hij aanvankelijk ontkennen. Door een zogenaamd technisch probleem ontbreekt er vervolgens 15 minuten opname, waarna CVH plots overgaat tot bekentenissen…

Als daders van de moord duidt hij de personen aan die net voor het verhoor aan hem werden meegedeeld door de vorige verdachte. Hijzelf zou enkel gezien hebben hoe het lijk werd gedumpt.

In de dagen nadien zal CVH nogmaals 7u45 en 11u aan een stuk worden verhoord. Telkens tot na middernacht. Hij zal daarbij steeds verder
gaande bekentenissen afleggen, doch ook vele zaken verklaren die helemaal niet kunnen kloppen. In deze langdurige verhoren, zou CVH ook bekennen dat hij betrokken was bij de moord.

Belangrijk detail daarbij is dat hij zaken verklaart die de ronde deden in Temse, zoals dat het slachtoffer zijn geslachtsdeel werd afgesneden en in de mond werd gestoken. Dat dit helemaal niet klopte, zou in feite alarmbellen moeten hebben doen afgaan bij de speurders. Maar deze deden vooral hun best om enkel nog op zoek te gaan naar die elementen die de verklaringen zouden kunnen onderbouwen. Elementen die de verklaringen tegenspraken werden kundig onder de mat geveegd.…

Als advocaten van CVH hadden wij ondertussen al wel door dat hij niets met de feiten te maken had, maar dat hij de druk van de speurders in de verhoren niet kon weerstaan. Wij verzochten aan de onderzoeksrechter om bij elk verhoor aanwezig te kunnen zijn, maar die weigerde dat toe te staan. CVH had vervolgens van ons een papier gekregen waarop stond te lezen dat hij niet wenste verhoord te worden zonder advocaat, wat hij bij zich had toen de politie hem uit de gevangenis kwam halen om hem te verhoren. Op de beelden is te zien hoe de betrokken speurder hem belachelijk maakt met dit papier en hem vertelt dat zijn advocaten hem proberen manipuleren en hem niet goed helpen. Deze speurder maakt hem ook wijs dat ze al bewijs genoeg hebben wat er is gebeurd en zijn verklaring zelfs niet nodig zouden hebben…

De verhoorders waren zich uiteraard er van bewust dat ze werden gefilmd, maar leken dit soms even uit het oog te verliezen. De ‘bekentenis’ waarin alle zogenaamde details en daderkennis werd verkregen, werd ‘helaas’ niet opgenomen. Enkel met tussenkomst van de Kamer van Inbeschuldigingstelling van Gent kregen wij als advocaten de camera terug in het verhoor en dit met duidelijke en waarneembare tegenzin van de verhoorders. De oplossing? Plaspauzes inlassen en het gesprek verder zetten op de gang… Achteraf bleek gelukkig dat de micro voldoende sterk was om de ganggesprekken toch deels op te vangen, waarbij te horen was hoe CVH meermaals aangaf dat hij niets met de feiten te maken had. De verhoorders werden daarop boos, zeiden dat de jury hem zou uitlachen en dat zijn verklaringen het verschil gingen maken tussen 5, 8 of 30 jaar.

Wie bekent er nu een moord ? (Komaan, zeg !)

Het valt moeilijk te vatten voor de meeste mensen dat iemand iets zou bekennen dat hij helemaal niet heeft gedaan, en al zeker geen moord. Zelfs niet onder druk van de politie. Wetenschappelijk onderzoek heeft echter al meermaals het tegendeel bewezen. Er zijn ook andere redenen waarom iemand iets bekent dat hij niet heeft gedaan, zoals de schuld op zich willen nemen of de druk van de politie niet kunnen weerstaan. Een valse bekentenis komt tot stand door een combinatie van factoren, waaronder een verdachte die vatbaar of meegaand is en een verhoorder die druk uitoefent en suggestief is. Maar ook de omstandigheden van het verhoor kunnen hier aan bijdragen. Zo verhoogt het risico op valse bekentenissen bij erg langdurige en/of nachtelijke verhoren. Er wordt een situatie gecreëerd waarbij de verhoorde het gevoel krijgt dat het verhoor enkel zal eindigen, als hij bekent. Door de vermoeidheid kan hij de consequenties van zijn bekentenis ook minder overzien. Gevolg is dat hij kiest voor de schijnbaar gemakkelijkste weg, simpelweg omdat hij er vanaf wil zijn.

Een ander terugkomend element is het systeem van belonen en bestraffen, al naar gelang de verklaring. Wanneer de verdachte iets verklaart dat niet naar de zin is van de verhoorders, gaan ze hun stem verheffen, dreigen en de vraag steeds blijven herhalen tot het antwoord wel naar hun zin is. Wanneer de verdachte iets verklaart dat de speurders wel willen horen, zullen ze vriendelijker worden, hem complimenteren en zelfs gunsten toestaan.

Een laatste belangrijke factor die kan bijdragen, is de verdachte tijdens zijn verhoor confronteren met foutief weergegeven onderzoeksresultaten. Bijvoorbeeld door te stellen dat de verdachte door andere werd vernoemd als dader of door te zeggen dat er al bewijzen zijn dat de schuld van de verdachte vaststaat. Er kan zelfs een sfeer gecreëerd worden waarbij de vals-bekennende verdachte oprecht er van overtuigd geraakt dat hij de dader wel moet zijn.

Toets gerust uw nieuwsgierigheid en/of terughoudendheid terzake verder af op de docu-series “ When They See Us” (over de Central Park Five), “Making a Murderer” en “The Confession Tapes”, allen bekijkbaar op Netflix.

De deskundigen

Om al deze risico’s te onderzoeken, schakelde wij als advocaten van CVH 2 prominente deskundigen in : enerzijds een professor gespecialiseerd in politieverhoren en anderzijds een professor die met gezag kan spreken over kwetsbare verdachten. Zij kregen als opdracht om na te gaan of CVH een kwetsbare verdachte was en of de politieverhoren wel door de beugel konden. Specifiek moesten zij ook inschatten of er aanwijzingen waren voor valse bekentenissen.

Hun oordeel was duidelijk en vernietigend voor de verhoorders. Zij waren geschokt met wat zij moesten vaststellen op de videobeelden en namen daarbij geen blad voor de mond. De eigen gedragsdeskundigen van de politie, die aanvankelijk geen problemen zagen in de verhoren, moesten op de zitting toch hun mening herzien. Tijdens de behandeling ten gronde sloten zij zich toch aan bij onze deskundigen, door te stellen dat de verhoren niet werden afgenomen zoals dat zou moeten.

Het proces

Op de uiteindelijke zitting van de correctionele rechtbank, kregen de rechters drie grote hoofdvragen voorgeschoteld. Moesten de verhoren zonder bijstand van een advocaat in het dossier blijven ? Werd er ongeoorloofde druk uitgeoefend op CVH ? Zijn CVH en de door hem aangewezen medebeklaagden betrokken bij de moord ?

Het openbaar ministerie (OM) was daarbij alvast van mening dat er moest en zou veroordeeld worden. Aan de ene kant vonden de procureurs (want ze waren zelfs met 2 voor deze zaak) dat de politie inderdaad niet heel erg netjes had verhoord, maar aan de andere kant ging het om moord en had de familie recht op een veroordeling. Er werd vastgehouden aan erg vage elementen om de moord te bewijzen, waarbij alle bewijzen van het tegendeel grofweg werden genegeerd. En dat waren er nochtans erg veel…

De verhorende speurder in kwestie kwam met veel moeite op de zitting uiteindelijk getuigen. Hij vond dat er niks aan de hand was en dat CVH met zekerheid een dader was. Hij ontkende formeel dat er een gesprek op de gang had plaatsgevonden, zelfs nadat hem duidelijk werd gemaakt dat dit gesprek werd opgenomen. Het Comité P onderzocht en bleef stil. Het OM seponeerde. De zogenaamde ‘topflik’ deed na zijn getuigenis net geen high-five met de hem ondersteunde collega’s op de publieksbanken achterin de rechtszaal…

Gelukkig waren de rechters van een andere kwaliteit en wél erg kritisch. Deze rechters kwamen na de lange en grondige debatten tot de hierboven geciteerde conclusies dat de verhoren moesten geweerd worden uit het dossier, wegens het gebrek aan bijstand van een advocaat. Zij kwamen tot deze conclusie door een afweging te maken van de kwetsbaarheid van de verhoorde, de omstandigheden van de verhoren en de betrouwbaarheid ervan.

Dat CVH een kwetsbare verdachte was, stond buiten alle kijf. Zelfs de leidinggevende onderzoeker gaf in zijn getuigenverhoor toe dat de politie dit wist. CVH had een IQ van 66, kan met moeite lezen en schrijven en had de mentale leeftijd van een kind van 10 jaar. Hij was kortw
eg zwakzinnig en dit was duidelijk en onmiddellijk waarneembaar in de verhoren, waarbij hij de helft van de woorden zelfs niet begreep. CVH begreep zichtbaar niet wat zijn rechten waren en had nood aan iemand die hem kon helpen met zijn rechten na te laten leven, namelijk een advocaat.

Daarnaast waren de rechters bijzonder hard voor de verhoorder. Zij merkte op dat CVH meermaals tussen de 7 en 11 uren aan een stuk nachtelijk werd verhoord, dat hij daarbij overduidelijk oververmoeid was, dat de politie hem onder druk zette en op hem inpraatte op de gang. Ook werd vastgesteld dat CVH werd verteld dat als hij niet bekende dat hij zijn telefoon zou gebruikt hebben bij de feiten, dat ze zijn zus zouden oppakken. Tot slot waren er de beloningen met pizza of frietjes na medewerking volgens hun scenario of na een bekentenis.

Wij als verdediging vonden het ontzeggen van een advocaat bij de verhoren zo flagrant, dat ze in feite meteen moesten geweerd worden. Dit zoals het EHRM bij haar eerste rechtspraak ook had vooropgesteld. Na wat commotie over deze automatisch wering, had het EHRM haar rechtspraak bijgesteld met het zogenaamde Ibrahimi-arrest. Daarbij werden enkele argumenten aangehaald, die het eventuele ontbreken van een advocaat konden goedmaken. De rechtbank oordeelde dat deze argumenten toch moesten overlopen worden, wat wij als verdediging uiteraard ook gedaan hadden in onze conclusies en pleidooien. De verhoren faalden op zowat elk argument, waardoor de rechtbank terecht de verwijdering van de verhoren uitsprak. Daarbij gaf de rechtbank ook aan dat de verhoren uiterst onbetrouwbaar waren en dat de verhoorders ongeoorloofde druk hadden uitgeoefend.

Reeds bij de eerste zitting had de procureur aangegeven dat de verklaringen van CVH cruciaal waren in dit dossier. Daarbij bedoelde zij eigenlijk, dat er zonder de verklaringen geen enkel bewijs was. Immers was er wel DNA gevonden, maar stemde die niet overeen met de verdachten. Geen enkel van de teruggevonden sporen konden aan de verdachten worden gelinkt, er was geen duidelijk motief en de telefoniegegevens waren bij nader inzien toch niet erg belastend.

Na wering van de bekentenissen, hebben de rechters dus nagegaan of er andere objectieve elementen waren CVH of één van de andere beklaagden aan de feiten konden linken. Die waren er niet. Terecht werd CVH en de anderen vrijgesproken. Na een nachtmerrie van 9 jaar .

De eerste nabeschouwingen

De wrange nasmaak blijft toch. De verhoorder in kwestie werd tot op heden door het OM niet publiekelijk ter verantwoording geroepen en datzelfde OM heeft wél getracht om enkele onschuldige mensen voor een moord te laten opdraaien. Dit terwijl het eigenlijk duidelijk was dat ook zij niet in het verhaal geloofden, maar hun eer en geweten uitschakelden om geen gezichtsverlies te lijden. Door deze houding kan er oprecht en openlijk een vraag gesteld worden over de rechten van verdediging in ons land en de loyaliteit van zij die ons zouden moeten beschermen. Dat de onschuldigen in dit verhaal moeten gecompenseerd worden voor dit drama lijkt evident, maar het is gelet de voorgaanden maar zeer de vraag of onze rechtshandhavers deze keer wel moedig genoeg zullen zijn om daar zelf de nodige stappen toe te nemen.

Wij hopen dat de kritische lezer heeft volgehouden tot het einde van het verhaal. Indien dit er voor gezorgd heeft dat zij of hij heeft ingezien dat het recht op verdediging en de bijstand van een advocaat essentiële waarden zijn, is de missie geslaagd. Er zijn wereldwijd ondertussen al erg veel gevallen bekend van gerechtelijke dwalingen na valse bekentenissen. Benevens de reeds aangehaalde ‘Central Park Five’ mag u gerust ook eens ‘de Schiedammer Parkmoord’, ‘de Arnhemse villamoord’, ‘Ina Post’ en ‘de Puttense moorden’ googelen. Als de speurder die u verhoort ervan overtuigd is dat je schuldig bent, daar alles aan wil doen om dit te bewijzen, is iedereen in staat tot een valse bekentenis.

De advocaat is een essentiële partij in het verhoorlokaal. U heeft altijd recht op bijstand en laat u nooit verleiden om hier zomaar afstand van te doen.

Christian Clement, Koen De Backer & Jan Beldé.

 

Mediapublicaties:

https://www.tvoost.be/nieuws/moordzaak-ishan-celik-puzzel-die-we-proberen-leggen-maar-helft-puzzelstukken-ontbreken-69312

https://www.tvoost.be/nieuws/geen-manipulatie-van-speurder-in-onderzoek-van-10-jaar-oude-moordzaak-in-temse-79529

https://www.tvoost.be/nieuws/vier-verdachten-vrijgesproken-in-omstreden-moordzaak-ihsan-celik-106851IYjl3yR9R!PAiWiYvNsLbYI&@

https://www.hln.be/temse/rechter-wil-extra-onderzoeksdaden-in-bijna-tien-jaar-oude-moorzaak~a9af6568/

https://www.hln.be/temse/beklaagde-ontkent-hardnekkig-tijdens-moordproces-als-ik-al-een-moord-zou-plegen-zou-het-niet-met-deze-ezel-hier-zijn~a8c3e222/

https://www.hln.be/temse/opvallende-wending-tijdens-proces-10-jaar-oude-moordzaak-onderzoek-geopend-tegen-agent-die-cruciale-verhoren-afnam~af913fcd/

https://www.hln.be/temse/uitstel-in-proces-poldermoord-advocaten-willen-eerst-onderzoek-comite-p-inkijken~affad06a/

https://www.hln.be/temse/speurder-getuigt-over-cruciale-verhoren-in-tien-jaar-oude-moordzaak-geen-manipulatie-gebeurd~a30d8ac5/

https://www.hln.be/temse/na-meer-dan-tien-jaar-nadert-moordzaak-ihsan-celik-haar-ontknoping-verdediging-gaat-voor-vrijspraak-mijn-client-werd-door-speurders-onder-druk-gezet-met-frietjes-uit-de-frituur~a1ad1631/

https://www.hln.be/temse/valse-verklaringen-in-ruil-voor-frietjes-en-cola-moordverdachten-gaan-vrijuit-nadat-speurders-zwakbegaafde-getuige-onder-druk-zetten~a4d2cc9c/

https://www.hln.be/temse/vier-mannen-vrijgesproken-in-tien-jaar-oude-moordzaak-speurders-hebben-te-veel-druk-gezet-op-zwakbegaafde-verdachte~ac719ed5/

https://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20190205_04154832

https://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20190206_04156254

https://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20190604_04443347

https://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20200907_95476357

https://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20200907_95005332

https://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20201019_93854237

https://www.gva.be/cnt/dmf20190206_04156807

https://www.gva.be/cnt/dmf20200907_95476357

https://www.gva.be/cnt/dmf20201019_92992031

https://www.gva.be/cnt/dmf20201023_97199617

 

 

 

 

 

Er is de laatste weken veel persaandacht geweest voor de zaak rond het tragische overlijden van Sanda DIA, de beloftevolle student die in december 2018 deelnam aan de doop van de toenmalige Leuvense studentclub Reuzegom.

In dit dossier behartig ik de belangen van J.V., één van de eerstejaars clubleden die aanwezig was op deze doop waaraan hij het jaar voordien zelf als schacht had deelgenomen.

De dramatische wijze waarop Sanda DIA om het leven is gekomen, is onwezenlijk te noemen en wordt terecht als onaanvaardbaar aangevoeld. Ook mijn cliënt worstelt sinds die fatale decemberavond in 2018 onafgebroken met de ondraaglijke zinloosheid van dit heengaan van zijn leeftijdsgenoot.

Het verhoor van cliënt door de speurders, een urenlang onthutsend en ook voor hemzelf vaak pijnlijk gedetailleerd relaas, spreekt terzake boekdelen.

Cliënt was samen met zijn ouders aanwezig op de aangrijpende uitvaartplechtigheid van Sanda in de basiliek van Edegem. De woorden die de stiefmama van Sanda er namens de vader uitsprak zijn niet in dovemansoren gevallen. Zij hopen dat de brieven die zij eerder geschreven hadden en zij op aangeven van de politie overmaakten aan de bemiddelingsdienst de beide ouders ook daadwerkelijk bereikt hebben. Cliënt komt zelf uit een kroostrijk gezin en zijn ouders moeten er niet aflatend aan denken wat een nachtmerrie het moet zijn om een kind te verliezen, laat staan op zulke wijze.

De roep om gerechtigheid en de volledige waarheid -hoe pijnlijk ook- vanwege de familie en vrienden van Sanda is terecht en evident.

Van belang in deze tragische zaak is enerzijds de zoektocht naar het hoe en waarom van de als maar stijgende brutaliteit van de voormalige studentenclub ‘Reuzegom’ en haar ‘doopritueel’ en anderzijds de wil om daar dan toch bij te horen. Evenzeer moet getracht worden om ten volle te
begrijpen hoe het in godsnaam mogelijk was dat Sanda de beproevingen die hij onderging niet overleefd heeft (in tegenstelling tot de anderen die hetzelfde ‘doopritueel’ -waarvan blijkbaar zelfs een ‘draaiboek’ bleek te bestaan…- hebben ondergaan, ofwel samen met Sanda, ofwel de recente jaren voor hem).

Een doorgedreven waarheidsvinding dus, waarbij we trachten om élk stukje van deze gruwelijke puzzel te vinden, te belichten en op haar juiste plaats te leggen. Zulks in de hoop dat dit ertoe kan bijdragen dat alle betrokken actoren -studenten en universiteit, maar ook beleidmakers en medici, …- er samen voor kunnen trachten te zorgen dat een dossier zoals dit nooit meer het onpeilbare verdriet bij de achtergebleven naasten dient te veroorzaken, noch in de weegschaal van Justitie dient terecht te komen. Een zoektocht naar de waarheid omdat we als maatschappij en rechtstaat aan Sanda verplicht zijn om te beogen nog enige zin te geven aan het vreselijk onrechtvaardige overlijden van Sanda.

Het is in die optiek dat wij een verzoekschrift tot bijkomend onderzoek hebben aangekondigd en neergelegd. Het is onder meer om deze redenen ook dat de wetgever deze mogelijkheid en dit momentum heeft voorzien in ons Wetboek van Strafvordering.

Een van de vele in dit dossier betrokken confraters ziet hierin een gebrek aan empathie bij cliënt, zijn ouders en ondergetekende advocaat. Niets is minder waar. Ervan uitgaande dat hij spreekt namens zijn cliënt, drukken wij de hoop uit dat deze later zal begrijpen waarom wij ons verplicht zagen dit verzoekschrift op te stellen. Dat dit thans bij de familie en vrienden van Sanda aanvoelt als een vertragingsmanoeuvre dienen we er jammerlijk bij te nemen.

Ook voor cliënt en zijn familie, een modaal gezin met twee ouders die fulltime hardwerkende bedienden zijn die trachten hun twee dochters en twee zonen een behoorlijke opvoeding en studiemogelijkheden mee te geven, is deze procedure zwaar om dragen. De ongebreidelde aandacht in pers en op sociale media voor deze zaak neemt bijwijlen angstwekkende proporties aan met nooit eerder geziene gevolgen van dien voor niet alleen cliënt, maar ook zijn ouders en zijn jongere broer en zusjes.

Cliënt, zijn broer en zijn zusjes zijn niet de kinderen van puissant welstellende ouders met een elitair netwerk. Cliënt heeft als student altijd gewerkt om zijn steentje aan de maandelijkse kosten om in Leuven op kot te kunnen studeren bij te dragen. Ook cliënt sloot zich een jaar voor Sanda aan bij Reuzegom met dromen van een veelbelovende toekomst. Hoe moet ik hen als advocaat dan de recente uitspraak kaderen van onze Vlaamse minister van Justitie die stelt dat cliënt behoort tot ‘een nest van rotverwende rijkeluiskindjes die nooit eerder in hun leven hebben gewerkt en voor al hun stommiteiten konden terugvallen op papa’s en mama’s netwerk en portefeuille’…? Dit toont meteen aan waarom het merendeel van de ‘geheime’ gerechtelijke onderzoeken in onze rechtstaat niet gebaat zijn met een perslek : wanneer het onderzoek naar behoren à charge en à décharge gevoerd wordt onder leiding van een onderzoeksrechter en men geen redenen heeft om te vrezen voor situaties zoals in de uitzonderlijke dossiers van Jonathan Jacobs of Chovanec, zijn eigenlijk enkel de media en zij die deze graag en kundig bespelen gebaat bij zulke lekken.

De slinger is inmiddels ver doorgeslagen met bijhorende paniekreacties en aangekondigde wraakacties. De rust en sereniteit die zo’n dramatisch dossier nodig heeft zijn ver zoek.

Christian Clement.

 

Persberichten:

https://www.jubel.be/35242/

Advocaat Reuzegommer: “Druk op rechters is zo groot, dat ik hoop dat ze nog onafhankelijk kunnen oordelen” | VRT NWS: nieuws
Advocaat roept op tot sereniteit en rust in Reuzegom-dossier
Open brief van advocaat ex-Reuzegomlid: “De slinger is ver doorgeslagen”
Advocaat Sven Mary over Reuzegommers: “Het is heel eigenaardig. Alsof niemand op het moment van die doop aanwezig was”

When your name/look matters.

Discriminatie in de huur- en vastgoedsector : niet zonder strafrechtelijk risico.

Na het tragische overlijden van George Floyd in Amerika en de bijhorende opflakkering van de Black Lives Matters-beweging staan racisme en discriminatie terug volop in de aandacht.

Ook in ons land waren er de visueel frappante acties op standbeelden van Leopold-II en het opmerkelijke gekrakeel in het Vlaams Parlement over de ‘praktijktest’. (Zie verder onder ‘Relevante links’.)

Als aanvulling op deze bijdrage uit 2016, waar voornamelijk werd gefocust op (de rechten van) de slachtoffers, wordt er nu dieper ingegaan op de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de eigenaar-verhuurders en (hun) vastgoedmakelaars

Wat is discriminatie?

Er is sprake van discriminatie wanneer iemand op basis van een bepaalde discriminatiegrond verschillend wordt behandeld zonder dat hiervoor een gegronde rechtvaardiging kan gegeven worden.

Er zijn negentien zogenaamde discriminatiegronden, waarbij de 5 ‘raciale criteria’ de bekendste zijn. Deze zijn: ras, huidskleur, nationaliteit, afkomst en nationale of etnische afstamming.

Deze worden aangevuld met: taal, geslacht, handicap, geloof of levensbeschouwing, seksuele geaardheid, leeftijd, vermogen (of financiële middelen), burgerlijke staat, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, gezondheidstoestand, een fysieke of genetische eigenschap, geboorte, sociale afkomst.

Hoewel eigenaars en verhuurders in zekere zin vrij zijn in het bepalen van huur- of aankoopvoorwaarden, mogen zij geen discriminerende selectiecriteria hanteren die niet objectief of redelijk te verklaren zijn. Elk direct of indirect onderscheid op grond van de bovengenoemde criteria kan leiden tot strafrechtelijke aansprakelijkheid

 

Wetgevend kader

Nadat de Antiracismewet (1981) en de Genderwet (1999) in het leven werden geroepen, zag de Antidiscriminatiewet het licht op 25 februari 2003. Bij wet van 10 mei 2007 werd de Antiracismewet grondig hervormd en de Antidiscriminatiewet integraal vervangen.

De Antidiscriminatiewet is zowel in de overheidssector als in de particuliere sector op alle personen van toepassing m.b.t. materies omschreven in artikel 5 van de Antidiscriminatiewet.

De toegang tot en het aanbod van goederen en diensten die publiekelijk beschikbaar zijn, wat in de volksmond de huur- en vastgoedsector genoemd kan worden, wordt uitdrukkelijk vermeld in artikel 5 §1 sub 1 van zowel de Antiracisme-als Antidiscriminatiewet.

Bovendien heeft éénieder recht op een behoorlijke huisvesting, hetgeen als recht verankerd is in artikel 23,3° van de Grondwet.

 

Wat riskeert de eigenaar/verhuurder en/of zijn makelaar ?

Eigenaars of verhuurders én hun eventuele makelaars die bijvoorbeeld discriminerende selectiecriteria hanteren kunnen overeenkomstig artikel 24 van Antidiscriminatiewet veroordeeld worden tot een gevangenisstraf van één maand tot één jaar en met geldboete van 50 euro tot 1.000 euro (te vermenigvuldigen met de opdeciemen).

Ook in het ontwerp van het nieuw strafwetboek omschrijftt artikel 78 het “misdrijf gepleegd vanuit discriminerende drijfveer”. Hiervan is sprake wanneer één van de drijfveren van de dader bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens één of meer van de eerder genoemde discriminatiegronden.

Makelaars en professionele verhuurders/verkopers dienen bovendien extra waakzaam te zijn.

De naleving van de Antiracismewet, de Antidicriminatoiewet én het strafwetboek behoren immers tot de deontologische code van vastgoedmakelaar, waardoor er eventuele aanvullende tuchtrechtelijke sancties kunnen opgelegd worden. (artikel 1°8 Deontologie Vastgoedmakelaar).

 

Vervolgingsbeleid

Al dan niet aangestuurd door de politiek, is het het Openbaar Ministerie dat bepaalt of we van deze misdrijven een prioriteit maken, door deze actief op te sporen en daadwerkelijk te vervolgen.

In 2013 werd er reeds een omzendbrief opgesteld (COL 13/2013 van het College van procureurs-generaal) inzake discriminatie en haatmisdrijven. Deze omzendbrief beoogde een betere samenwerking tussen het openbaar ministerie, de politie en/of de bevoegde sociale inspectiediensten en omvat duidelijke instructies voor een coherent vervolgingsbeleid inzake racisme- en haatmisdrijven.

Deze omzendbrief is tot op heden actueel, maar de kans bestaat dat het Openbaar Ministerie na de recente gebeurtenissen haar vervolgingsbeleid gaat aanscherpen.

Heeft u verdere vragen omtrent dit onderwerp, of werd u gedagvaard in het kader van dit onderwerp, aarzel dan zeker niet om onze specialisten te contacteren via onze website of rechtsreeks naar strafcel@studio-legale.be.

Christian CLEMENT &

Jens VANHELLEMONT


Relevante links :

https://www.studio-legale.be/discriminatie-in-de-huur-en-vastgoedsector/?lang=nl
https://www.nrc.nl/nieuws/2020/06/12/druk-op-duitse-regering-om-ras-uit-grondwet-te-schrappen-a4002646

Praktijktesten zinderen na in Open VLD-fractie
https://www.standaard.be/cnt/dmf20200615_04991463

El Kaouakibi steunt motie oppositie tegen discriminatie
https://www.standaard.be/cnt/dmf20200617_04994006

Praktijktests zijn maar een begin
https://www.standaard.be/cnt/dmf20200617_04994062

Gent haalt standbeeld Leopold II weg
https://www.standaard.be/cnt/dmf20200618_04994232

Onderzoek bewijst dat praktijktests op de huurmarkt werken: ‘Waar is Vlaanderen bang voor?’
https://www.demorgen.be/a-b1998035

Vlaamse meerderheid sluit rangen tegen praktijktests
https://www.demorgen.be/a-b241b2e7

Somers wordt teruggefloten over praktijktesten
https://
www.hln.be/binnenland/somers-wordt-teruggefloten-over-praktijktesten~ae9345bb/

“Bang voor racistische opmerkingen als ik ga winkelen”
https://www.hln.be/de-krant/bang-voor-racistische-opmerkingen-als-ik-ga-winkelen~ab7ce11c/

Bart De Wever: “De Vlaming racistisch? Ik geloof daar geen snars van”
https://www.gva.be/cnt/dmf20200622_04998176/bart-de-wever-de-vlaming-racistisch-ik-geloof-daar-geen-snars-van

ANALYSE. De ene praktijktest is (blijkbaar) de andere niet
https://www.gva.be/cnt/dmf20200615_04991824/analyse-de-ene-praktijktest-is-blijkbaar-de-andere-niet

N-VA en CD&V niet opgezet met solo-optreden coalitiegenoot Open VLD: “Zo werkt het echt niet”

Filip Dewinter dient klacht in na debat over praktijktests.
https://www.gva.be/cnt/dmf20200618_04994255/n-va-en-cd-v-niet-opgezet-met-solo-optreden-coalitiegenoot-open-vld-zo-werkt-het-echt-niet

 

Afgelopen week verscheen er een opvallend bericht in de krant.

Een Belgische studente wou een jong katje meebrengen uit Peru. Het dier was aldaar gechipt en gevaccineerd, ook tegen hondsdolheid.

De regelgeving[1] bepaalt dat zo’n dier gedurende 3 maanden in quarantaine dient te blijven vooraleer het naar een andere land kan worden overgebracht. Dit om een risico op besmetting volledig uit te sluiten.

De FOD Volksgezondheid stelt op haar website dat een afwijking van de regel kan worden toegestaan in geval van een noodsituatie zoals een natuurramp of een politieke instabiliteit die een onmiddellijke repatriëring noodzakelijk maakt.  Hiervoor dient men een aanvraag in te dienen bij het Federaal Agentschap van de Veiligheid voor de Voedselketen (FAVV). Een coronapandemie zou een afwijking mogelijk kunnen maken.

De studente had deze aanvraag tot afwijking ook ingediend bij het FAVV terwijl ze nog in Peru was, maar het FAVV oordeelde dat er een te hoog risico op hondsdolheid (rabiës) aanwezig was. Het FAVV motiveerde dit onder meer op basis van de kennis dat Peru een hoog risicoland is voor hondsdolheid. In het stadje Cuzco – waar het katje werd aangetroffen – werd zelfs nog recent hondsdolheid vastgesteld. Bovendien was er geen enkele informatie gekend over de voorgeschiedenis van katje Lee, die pas op 10 februari 2020 in een tuintje ergens in Peru werd gevonden. Het katje werd waarschijnlijk rond 10 november 2019 geboren, maar niemand weet in welke omstandigheden, waar en welke contacten er zijn geweest. Nadien zou er met zekerheid contact zijn geweest van katje Lee met andere katten in Peru in een plaatselijk “kattencafé”. Over deze andere katten is niet geweten of zij mogelijks besmet waren met hondsdolheid.

Het katje werd ter plaatse wel degelijk ingeënt tegen hondsdolheid, doch pas op 24 maart 2020. Dit was slechts 3 dagen voordat de eigenares aan het FAVV een uitzondering vroeg om het katje mee te nemen naar België. Daarover oordeelde het FAVV dat een vaccinatie geen bescherming biedt, als het dier al geïnfecteerd zou zijn. De incubatietijd voor hondsdolheid is gemiddeld 20 tot 60 dagen, reden waarom er een quarantaine van 3 maanden wordt vooropgesteld.

De studente had vanwege de coronapandemie echter maar één laatste kans op repatriëring naar België en besloot om, in weerwil van de negatieve beslissing van het FAVV, het katje begin april 2020 toch mee te nemen naar België.

Eenmaal hier ontving ze een bevel tot euthanasie van het FAVV. Omdat er een risico bestond dat het katje hondsdolheid kon hebben, oordeelde het FAVV dat het dier moest worden ingeslapen.

Vlaams minister van Dierwelzijn Ben Weyts stelt zich in de media vragen bij de aanpak van het FAVV. Volgens artikel 1 van de Dierenwelzijnswetgeving[2] mag niemand handelingen plegen waardoor een dier zonder noodzaak omkomt. Zo stelt hij dat er in dit geval geen noodzaak is, omdat het dier perfect hier in België in quarantaine geplaatst kan worden. Hij sluit wel niet uit dat de studente gestraft zal worden voor het illegaal importeren van een dier, maar vindt de euthanasie niet noodzakelijk. Een online petitie leverde zelfs al bijna 30.000 handtekeningen op na enkele dagen.

In haar arrest van 8 mei 2020 oordeelde de Raad van State hierover reeds dat een euthanasie, die opgelegd wordt door een Europese verordening, geen schending uitmaakt van de Dierenwelzijnswet.[3]

Het KB van 13 december 2014[4] bevat geen expliciete sanctie voor bij het schenden van de voorgeschreven verplichtingen door particulieren bij de invoer van dieren. Deze sanctie werd enkel voorzien bij commerciële verplaatsingen, dus door professionelen zoals fokkers. Evenwel lijkt het evident dat de maatregelen die daar werden voorzien, ook kunnen toegepast worden op particulieren.

De publieke vraag is of het FAVV echt geen andere optie heeft dan de euthanasie. Artikel 12 van het KB stelt dat er bij een overtreding drie opties zijn, namelijk de terugzending naar land van herkomst, de quarantaine of de euthanasie. Voor de euthanasie wordt uitdrukkelijk gesteld dat het enkel mag toegepast worden, voor zover een terugzending of quarantaine niet uitvoerbaar zouden zijn. Het is zodoende slechts een laatste redmiddel, een ultimum remedium.

Belangrijke nuance evenwel is dat het niet over zomaar een potentiële besmetting gaat, maar over hondsdolheid. Dit is een ziekte die bij mens en dier altijd dodelijk is, zodra er symptomen opduiken. Het KB van 18 september 2016[5], dat zich specifiek richt op de beveiliging tegen hondsdolheid, legt daarom een risicoanalyse op voor verdachte dieren. Indien de risicoanalyse wijst op een hoog risico, moet de euthanasie bevolen worden. Het FAVV heeft deze risicoanalyse uitgevoerd en kwam tot de conclusie dat euthanasie de enige veilige oplossing was. Deze beslissing werd aangevochten door de eigenares bij de Raad van State, maar deze laatste wees dit beroep af als ongegrond.[6]

Vervolgens weigerde de eigenares katje Lee over te dragen aan het FAVV, noch bood zij het diertje aan voor euthanasie. Het FAVV deed uiteindelijk zelfs een huiszoeking in de ouderlijke woning van de studente, maar konden het katje daar niet aantreffen.

In de uitoefening van al haar bevoegdheden, kan het FAVV immers enkele controle- en opsporingshandelingen stellen. Bij Koninklijk Besluit zijn zij bijvoorbeeld gemachtigd om huiszoekingen uit te voeren.[7] De beëdigde ambtenaren van het FAVV kunnen op elk moment een huiszoeking uitvoeren in een lokaal of ruimte, waar zich producten of dieren bevinden die onder hun controle vallen of om bewijzen te verzamelen. Als de huiszoeking plaatsvindt in een particuliere woning, dan kan dit enkel tussen 5 uur en 21 uur, na voorafgaande machtiging door een politierechter.

Daarnaast schrijft de vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens nog enkele vereisten voor. Een huiszoeking is immers een afwijking op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat het recht op het privé- en familieleven beschermt. De huiszoeking mag enkel plaatsvinden als dit voorzien is bij wet, noodzakelijk is voor het onderzoek, proportioneel is en voldaan is aan het subsidiariteitsbeginsel.

De mogelijkheid tot huiszoeking door het FAVV is voorzien bij KB, wat volstaat als wet. Met noodzakelijk wordt bedoeld dat deze onderzoekshandeling enkel mag plaatsvinden, wanneer dit effectief nodig is voor het onderzoek en/of voor bewijsvergaring. Een huiszoeking om iemand onder druk te zetten is bijvoorbeeld niet toegelaten. Met proportioneel wordt bedoeld dat de ingrijpende onderzoekshandeling in verhouding moet staan met het misdrijf. Het mag dus niet lichtzinnig aangewend worden voor kleine inbreuken. Tot slot is er de subsidiariteit, wat betekent dat de huiszoeking enkel en alleen mag uitgevoerd worden als er geen enkele minder ingrijpende onderzoeksmaatregel ter beschikking is, die tot hetzelfde resultaat zou leiden. Of al deze voorwaarden in dit concreet geval vervuld waren, zal naar alle waarschijnlijkheid voorafgaandelijk zijn afgetoetst geweest door de politierechter.

Het FAVV ging uiteindelijk over tot dagvaarding in kort geding. De zaak werd op 15 mei ingeleid. Het FAVV vordert een dwangsom van € 5.000,00 per uur dat het katje niet
wordt overgedragen voor euthanasie.

Over een eventuele strafrechtelijke vervolging, zal de procureur des Konings moeten beslissen. De straffen die geriskeerd worden door de eigenaar staan opgesomd in de Dierengezondheidswet.[8] Indien het katje effectief andere dieren zou besmetten, dan riskeert de invoerster zelfs een gevangenisstraf tot 5 jaar en/of een geldboete tot 80.000 euro (na opdeciemen). Het loutere niet-naleven van de maatregel, zonder besmettingen tot gevolg, kan bestraft worden met een geldboete van 800 tot 40.000 euro (na opdeciemen). Opvallend genoeg kan de rechter ook bijkomend de verbeurdverklaring van het katje bevelen. Het is dus theoretisch mogelijk dat als het katje niet wordt geëuthanaseerd, ze nadien toch nog kan worden afgenomen als strafsanctie. Voor alle duidelijkheid, dit maakt nog niet het voorwerp uit van het debat in kortgeding.

De rechter in kort geding deed uiteindelijk op 5 juni 2020 uitspraak.

De rechtbank besluit dat het FAVV de motiveringsplicht heeft geschonden.

De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991[9] bepalen immers dat de bestuurshandelingen uitdrukkelijk gemotiveerd moeten worden én dat de juridische en feitelijke overwegingen vermeld moeten worden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Deze moeten afdoende zijn.

Het FAVV motiveert evenwel onvoldoende waarom de quarantaine van het katje niet uitvoerbaar zou zijn. Het FAVV beperkt zich tot de vage en algemene stelling dat dit een onverantwoord sanitair risico zou inhouden, maar geeft niet aan waarom dit zo is.

Bovendien meent de rechter dat het FAVV van onjuiste feitelijke gegevens is uitgegaan wanneer het stelt dat euthanasie de enige mogelijkheid is om het sanitaire risico op rabiës te beheersen. Alle door partijen geciteerde experts, met inbegrip van de NVWA (de Nederlandse tegenhanger van het FAVV), zijn het er immers over eens dat quarantaine gedurende een bepaalde periode een oplossing is om het risico dat de kat besmet zou zijn met rabiës, te beheersen.

De rechter verklaart de beslissing van het FAVV aldus onwettig wegens schending van de motiveringsplicht. Euthanasie kan namelijk volgens de Europese regelgeving[10] slechts in laatste instantie worden besloten, als het terugsturen of quarantaine onder officieel toezicht niet mogelijk is.

Katje Lee mag daardoor blijven leven en het FAVV zal een nieuwe beslissing moeten nemen of minstens hun huidige beslissing beter moeten motiveren.

Redactie : Eva Tessens en Koen De Backer

[1] Verordening (EU) Nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren ; KB 13 december 2014 houdende de veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van honden, katten en fretten, BS 29 december 2014, 106336.

[2] Wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, BS 3 december 1986, 16382.

[3] Raad van State 8 mei 2020, AR 247.513, Selena ALI tegen FAVV

[4] KB 13 december 2014 houdende de veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van honden, katten en fretten, BS 29 december 2014

[5] KB 18 september 2016 houdende de preventie en bestrijding van de hondsdolheid, BS 17 oktober 2016.

[6] Raad van State 8 mei 2020, AR 247.513, Selena ALI tegen FAVV

[7] KB 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen, BS 28 februari 2001.

[8] Artikel 23 Dierengezondheidswet van 24 maart 1987, BS 17 april 1987.

[9] Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, BS 12 september 1991, 19.976.

[10] Art. 35 Verordening (EU) Nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren ; KB 13 december 2014 houdende de veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van honden, katten en fretten, BS 29 december 2014, 106336.

————————————————————

UPDATE Le juge en référé sauve le chaton LEE et siffle l’AFSCA

La semaine dernière, un article percutant est paru dans la presse.

Un étudiante belge voulait faire venir en Belgique un jeune chaton du Pérou. L’animal y avait été pucé et vacciné, également contre la rage.

La réglementation[1] prévoit qu’un tel animal doit rester en quarantaine pendant 3 mois avant de pouvoir être déplacé vers un autre pays. Ceci afin d’éliminer complètement tout risque de contamination.

Le SPF Santé publique indique sur son site web qu’une dérogation à la règle peut être accordée en cas de situation d’urgence telle qu’une catastrophe naturelle ou une instabilité politique nécessitant un rapatriement immédiat.  Une demande doit être introduite auprès de l’Agence fédérale pour la sécurité de la chaîne alimentaire (AFSCA). La pandémie du coronavirus pourrait constituer une exception.

L’étudiante avait également introduit cette demande de dérogation auprès de l’AFSCA alors qu’elle était encore au Pérou, mais l’AFSCA a jugé qu’il y avait un risque trop élevé de rage. L’AFSCA a justifié cette décision en se basant notamment sur le fait que le Pérou est un pays à haut risque pour la rage. Dans la petite ville de Cuzco – où le chaton a été trouvé – la rage a d’ailleurs été récemment diagnostiquée. De plus, aucune information n’est connue sur l’histoire du chaton dénommé “Lee”, qui a seulement été trouvé le 10 février 2020 dans un jardin, quelque part au Pérou. Le chaton est probablement né vers le 10 novembre 2019, mais personne ne sait dans quelles circonstances ni où et quels contacts a-t-il eu. Par la suite, le chaton Lee aurait par ailleurs été en contact avec d’autres chats au Pérou dans un “café pour chats” local. On ne sait pas si ces autres chats étaient infectés par la rage.

Le chaton a été vacciné contre la rage sur place, au Pérou, mais seulement le 24 mars 2020. La propriétaire du chat avait introduit la demande de dérogation à l’AFSCA seulement 3 jours après l’avoir vacciné. L’AFSCA était d’avis qu’une vaccination n’offrait aucune protection si l’animal était déjà infecté. La période d’incubation de la rage est en moyenne de 20 à 60 jours, c’est pourquoi une quarantaine de 3 mois est nécessaire.

Cependant, en raison de la pandémie du coronavirus, l’étudiante n’avait qu’une dernière chance de rapatriement vers la Belgique et elle a décidé,
malgré la décision négative de l’AFSCA, d’emmener le chaton en Belgique, début du mois d’avril 2020.

Une fois sur place, elle a reçu une demande d’euthanasie de l’AFSCA. En effet, à cause du risque que le chat soit contaminé par la rage, l’AFSCA a décidé que l’animal devait être euthanasié.

Le ministre flamand du bien-être animal, Ben Weyts, remet en question dans les médias l’approche de l’AFSCA. Selon l’article 1 de la loi sur le bien-être des animaux[2], personne n’est autorisé à commettre des actes qui provoquent la mort d’un animal sans nécessité. Il déclare par exemple qu’en l’espèce, il n’y a pas lieu de le faire, car l’animal peut parfaitement être mis en quarantaine ici en Belgique. Il n’exclut pas que l’étudiante soit punie pour avoir importé illégalement un animal, mais ne considère pas l’euthanasie comme nécessaire. Une pétition en ligne a même recueilli près de 30 000 signatures en quelques jours.

Dans son arrêt du 8 mai 2020, le Conseil d’État avait déjà jugé que l’euthanasie, imposée par un règlement européen, ne violait pas la loi sur le bien-être des animaux[3].

L’arrêté royal du 13 décembre 2014[4] ne contient pas de sanction explicite en cas de violation  par les particuliers des obligations prescrites lors de l’importation d’animaux. Cette sanction n’était prévue que dans le cas de déplacements commerciaux, c’est-à-dire par des professionnels tels que les éleveurs. Toutefois, il semble évident que les mesures qui y sont prévues peuvent également être appliquées aux particuliers.

La question publique est de savoir si l’AFSCA n’a vraiment pas d’autre option que l’euthanasie. L’article 12 de l’arrêté royal dispose qu’en cas d’infraction, trois options sont possibles, à savoir le retour dans le pays d’origine, la quarantaine ou l’euthanasie. En ce qui concerne l’euthanasie, il est expressément indiqué qu’elle ne peut être appliquée que dans la mesure où le retour ou la quarantaine serait impossible. Il s’agit donc d’un dernier recours, d’un “ultimum remedium”.

Cependant, il y a une nuance importante, il ne s’agit pas seulement d’une infection potentielle, mais de la rage. C’est une maladie qui est toujours mortelle chez les humains et chez les animaux, dès l’apparition des symptômes. L’arrêté royal du 18 septembre 2016[5], qui porte spécifiquement sur la protection contre la rage, impose donc une analyse de risque pour les animaux suspects. Si l’analyse des risques indique un risque élevé, l’euthanasie doit être ordonnée. L’AFSCA a effectué cette analyse du risque et en a conclu que l’euthanasie était la seule solution sûre. Cette décision a été contestée par la propriétaire devant le Conseil d’État, mais le recours a été déclaré non-fondé[6].

Ensuite, la propriétaire a refusé de remettre le chaton Lee à l’AFSCA, et n’a pas proposé l’animal pour l’euthanasie. L’AFSCA a même fini par perquisitionner le domicile parental de l’étudiante, mais n’a pas pu y trouver le chaton.

En effet, dans l’exercice de toutes ses compétences, l’AFSCA peut effectuer un certain nombre d’actes de contrôle et d’enquête. L’AFSCA est par exemple autorisée par arrêté royal à effectuer des perquisitions.[7] Les agents assermentés de l’AFSCA peuvent à tout moment effectuer une perquisition dans un local ou une pièce où se trouvent des produits ou des animaux sous leur contrôle ou pour y recueillir des preuves. Si la perquisition a lieu dans une maison privée, elle ne peut être effectuée qu’entre 5 heures et 21 heures, après autorisation préalable d’un juge de police.

En outre, la jurisprudence de la Cour européenne des droits de l’homme impose un certain nombre d’exigences supplémentaires. Une fouille reste une dérogation à l’article 8 de la Convention européenne des droits de l’homme, qui protège le droit à la vie privée et familiale. La perquisition ne peut avoir lieu que si elle est autorisée par la loi, nécessaire à l’enquête, proportionnée et conforme au principe de subsidiarité.

La possibilité d’une perquisition menée par l’AFSCA est prévue par l’AR, qui suffit en tant que loi. Nécessaire signifie que cette perquisition ne peut avoir lieu que si elle est réellement nécessaire à l’enquête et/ou à la collecte de preuves. Par exemple, une recherche visant à mettre quelqu’un sous pression n’est pas autorisée. Proportionnel signifie que l’acte d’enquête de grande envergure doit être proportionnel à l’infraction. Cet acte ne peut être exécuté à la légère pour des infractions mineures. Enfin, il y a la subsidiarité, ce qui signifie que la perquisition ne peut être effectuée que s’il n’existe pas de mesure d’enquête moins intrusive, qui conduirait au même résultat. La question de savoir si toutes ces conditions ont été remplies dans ce cas précis aura, selon toute probabilité, été envisagée au préalable par le juge de police.

L’AFSCA a finalement procédé à une citation en référé. L’affaire a été introduite le 15 mai. L’AFSCA réclame une astreinte de 5.000,00 € par heure de non-remise du chaton pour euthanasie.

Toute poursuite pénale devra être décidée par le ministère public. Les sanctions encourues par la propriétaire sont énumérées dans la loi sur la santé animale.[8] Si le chaton infecte effectivement d’autres animaux, l’importateur risque même une peine de prison allant jusqu’à 5 ans et/ou une amende pouvant atteindre 80 000 euros (après décimes additionnels). Le simple fait de ne pas respecter la mesure, sans entraîner de contamination, peut être sanctionné par une amende allant de 800 à 40 000 euros (après décimes additionnels). Il faut aussi avoir à l’esprit que le juge peut également ordonner la confiscation du chaton. Il est donc théoriquement encore possible que si le chaton n’est pas euthanasié, il puisse être confisqué, à titre de sanction pénale. Pour information, ce n’est pas encore l’objet du débat en référé.

Le juge en référé a finalement rendu son verdict le 5 juin 2020.

Le tribunal a décidé que l’AFSCA avait violé l’obligation de motivation.

En effet, les articles 2 et 3 de la loi du 29 juillet 1991[9] disposent que les actes de gestion doivent être explicitement motivés et que les considérations juridiques et factuelles sur lesquelles la décision est fondée doivent être indiquées. Ceux-ci doivent être suffisants.

Cependant, l’AFSCA ne donne pas de raisons suffisantes pour que la mise en quarantaine du chaton ne soit pas réalisable. L’AFSCA se limite à l’affirmation vague et générale que cela constituerait un risque sanitaire irresponsable, mais n’explique pas pourquoi il en est ainsi.

En outre, le tribunal estime que l’AFSCA a supposé des données factuelles incorrectes lorsqu’elle a déclaré que l’euthanasie est la seule possibilité de contrôler le risque sanitaire de la rage. En effet, tous les experts cités par les parties, y compris la NVWA (l’homologue néerlandais de l’AFSCA), sont d’accord pour dire qu’une quarantaine pendant un certain temps est une solution pour contrôler le risque que le chat soit infecté par la rage.

Le juge déclare donc la décision de l’AFSCA illégale en raison de la violation de l’obligation de motivation. Selon la réglementation européenne[10], l’euthanasie ne peut être décidée qu’en dernier recours si le retour ou la quarantaine sous contrôle officiel n’est pas possible.

Le chaton Lee sera autorisée à vivre et l’AFSCA devra prendre une nouvelle décision ou du moins mieux motiver leur décision actuelle

Rédaction: Eva Tessens et Koen De Backer

Traduction : Alizée Lust et Pauline Vanhorenbeke

[1] Règlement UE n°576/2013 du Parlement européen et du conseil du 13 juin 2013 relatif aux mouvements non commerciaux d’animaux de compagnie et abrogeant le règlement (CE) n°998/2003 et A.R. 13.12.2014 relatif aux règles vétérinaires régissant les mouvements des chiens, chats et furets, M.B. 29.12.1014

[2] Loi du 14 août 1986 relative à la protection et au bien-être des animaux, M.B. 03.12.1986.

[3] Conseil d’Etat, 8 mai 2020, RG 247/513, Selena ALI c. AFSCA.

[4] A.R. 13.12.2014 relatif aux règles vétérinaires régissant les mouvements des chiens, chats et furets, M.B. 29.12.1014.

[5] A.R. du 18.09.2016 relatif à la prévention et à la lutte contre la rage, M.B. 17.10.2016.

[6] Conseil d’Etat, 8 mai 2020, RG 247/513, Selena ALI c. AFSCA.

[7] A.R. du 22.02.2001 organisant les contrôles effectués par l’Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire et modifiant diverses dispositions légales, M.B. 28.02.2001.

[8] Loi du 24 mars 1987 relative à la santé des animaux, M.B. 17.04.1987.

[9] Loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs, M.B., 12 septembre 1191, 19.976.

[10] Art. 35 Règlement (Eu) n° 576/2013 du Parlement européen et du Conseil du 12 juin 2013 relatif aux mouvements non commerciaux d’animaux de compagnie ; A.R. 13 décembre 2014 relatif aux règles vétérinaires régissant les mouvements des chiens, chats et furets, M.B., 29 décembre 2014, 106336.

Een blanco strafregister voor 75 euro?

In een artikel van 20 mei 2020 deed Knack een factcheck, waarbij werd nagegaan of het mogelijk was om voor 75 euro je strafregister te laten wissen.[1] Een website bood dergelijke procedure voor die prijs aan, doch het blijkt dat voor deze prijs er enkel een verzoekschrift werd gestuurd aan de procureur des Konings. Sinds de wet van 25 december 2016[2] moet de aanvrager tot eerherstel evenwel zelf alle nodige documenten en bewijzen aanbrengen, om de procedure tot een goed einde te kunnen brengen. Sindsdien volstaat het louter toezenden van een verzoekschrift niet meer om enige kans te maken op een effectief eerherstel. De factcheck van Knack klopt dus, wanneer deze stelt dat je niet voor 75 euro zomaar je strafregister kan laten wissen.

Wat staat er eigenlijk op mijn strafregister?

Vooreerst moet een onderscheid gemaakt worden tussen enerzijds het strafregister en anderzijds het uittreksel uit het strafregister. In de volksmond worden deze twee begrippen te snel als hetzelfde aanzien, maar er is een essentieel verschil. Het strafregister bevat alle veroordelingen die door een strafrechter worden uitgesproken, maar ook elke toekenning van een opschorting van uitspraak of minnelijke schikking. Enkel de zogenaamde onmiddellijke inning (bijvoorbeeld een snelheids- of verkeersboete) wordt niet vermeld op het strafregister. Het uittreksel uit het strafregister, wat het vroeger bewijs van goed gedrag en zeden vervangt, bevat minder informatie. Zo zal bijvoorbeeld een opschorting of een veroordeling tot een werkstraf niet verschijnen op het uittreksel uit het strafregister dat u kan opvragen bij uw lokale overheid. Een veroordeling wordt overigens pas vermeld op het strafregister zodra deze definitief is, wat wil zeggen van zodra er geen (cassatie)beroep meer mogelijk is tegen deze veroordeling.

Een blanco uittreksel uit het strafregister is vereist voor verschillende overheidsfuncties of bepaalde gereglementeerde beroepen (bijvoorbeeld advocaten, bewakingsagenten, …). Voor een private werkgever is het evenwel verboden om van een sollicitant een uittreksel van zijn strafrechtelijk verleden op te vragen. Enkel indien de wet dit voorziet, kan een uittreksel uit het strafregister worden gevraagd door een werkgever.

De strafrechter zal bij een veroordeling steeds rekening houden met het integrale strafregister en dus niet met het loutere uittreksel ervan. Een blanco uittreksel is immers niet hetzelfde als een blanco strafregister. Hoe gunstiger het strafrechtelijk verleden, hoe meer kans op een milde bestraffing. Voor het toekennen van een opschorting van uitspraak of een uitstel van tenuitvoerlegging is het strafregister zelfs bepalend. Om de gunst van de opschorting te kunnen verkrijgen mag de beklaagde immers niet veroordeeld zijn tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan 6 maanden. Om een uitstel te kunnen verkrijgen, mag de beklaagde nog niet veroordeeld zijn tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan 12 maanden.

Hoe kan ik dan wel terug een blanco strafregister verkrijgen?

Een foute beslissing of een jeugdige misstap kan voor eeuwig je strafregister ontsieren. Dit kan enkele nadelige en vervelende gevolgen hebben. Zo kan het er voor zorgen dat je voor sommige functies niet meer in aanmerking komt, omdat een blanco uittreksel vereist wordt. Ook kan je bij een nieuwe veroordeling zwaarder gestraft worden, omdat de rechter rekening houdt met je eerdere veroordeling(en).

Het is een vaak gehoorde misopvatting dat alle veroordelingen uitgesproken door een politierechtbank automatisch na drie jaar van je strafregister verdwijnen. Deze automatische uitwissing is beperkt tot de politiestraffen, dus de veroordelingen tot maximaal 7 dagen gevangenisstraf en ten hoogste 25 euro geldboete. De meeste veroordelingen die worden uitgesproken door de politierechtbank gaan dit te boven en vallen dus niet onder de automatische uitwissing..!

Voor alle andere veroordelingen bestaat er een procedure tot herstel in eer en rechten, of kortweg: eerherstel. Dit is een rechterlijke procedure die er voor zorgt dat u terug een blanco strafregister bekomt. Om in aanmerking te komen voor een eerherstel schrijft de wet enkele voorwaarden voor.

Vooreerst moet de opgelegde straf volledig ondergaan zijn. Dit wil zeggen dat de opgelegde gevangenisstraffen moeten uitgezeten worden, dat de opgelegde geldboetes en verbeurdverklaringen van vermogensvoordelen volledig moeten betaald zijn, dat alle veroordelingen tot (gerechts)kosten moeten betaald zijn en dat alle opgelegde schadevergoedingen aan burgerlijke partijen volledig moeten betaald zijn. Vooral bij de betaling van de gerechtskosten en/of schadevergoedingen durft het al eens mislopen.

Het eerherstel kan pas aangevraagd worden nadat een welbepaalde proefperiode is verstreken. Deze proefperiode begint pas te lopen nadat de volledige straf werd ondergaan. De duur van de proeftijd varieert naargelang de situatie:

  • Bij een veroordeling tot maximum 5 jaar gevangenisstraf bedraagt de proeftijd 3 jaar.
    • Indien evenwel bij deze veroordeling de wettelijke herhaling werd vastgesteld, bedraagt de proeftijd minstens 6 jaar.
  • Bij een veroordeling van meer dan 5 jaar gevangenisstraf bedraagt de proeftijd 5 jaar.
    • Indien evenwel bij deze veroordeling de wettelijke herhaling werd vastgesteld, bedraagt de proeftijd minstens 10 jaar.
  • Indien reeds een eerherstel is verkregen, kan er pas een nieuw eerherstel worden bekomen na ten minste 10 jaar na het vorige eerherstel.

Met een voorwaardelijke veroordeling wordt in de proeftermijn geen rekening gehouden. Indien u dus tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 jaar wordt veroordeeld, begint uw proeftermijn al te lopen vanaf de dag na de uitspraak. Ten aanzien van een straf met uitstel mag de proeftijd niet minder bedragen dan de duur van het uitstel. Dus indien u veroordeeld bent tot een straf met uitstel van uitvoering gedurende 5 jaar, bedraagt uw proeftermijn minstens 5 jaar en dus niet 3 jaar.

Aangezien ook rechtspersonen een strafregister kunnen bezitten, kunnen ook zij een aanvraag tot eerherstel indienen. De voorwaarden zijn min of meer analoog aan die van de natuurlijke personen.

Méér dan een eenvoudig verzoekschrift…

Nadat aan alle voorwaarden is voldaan, kan u of uw advocaat de aanvraag richten tot de procureur des Konings van uw woonplaats of maatschappelijke zetel. Deze aanvraag moet worden voorzien van een kopie van uw strafregister, een voor éénsluidend verklaard afschrift van al uw veroordelingen met attest ‘afwezigheid van beroep’, een betalingsbewijs van alle kosten en schadevergoedingen en een motiveringsbrief waaruit blijkt dat u nu een goed en verbeterd gedrag vertoont.

Indien u ooit werd veroordeeld wegens zedenfeiten (aanranding, verkrachting, bederf van jeugd, prostitutie, openbare zedenschennis, bezit kinderpornografie, …) is er een bijkomende vereiste dat u over een advies van een psychiater of psychiatrische dienst gespecialiseerde in seksuele delinquentie beschikt. Hierbij moet deze psychiater gemotiveerd advies verlenen over onder meer de kans op herval en eventuele noodzakelijke behandelingen en/of begeleidingen. Ons kantoor werkt daarvoor samen met een vaste deskundige, maar uiteraard kan u zel
f daarvoor een psychiater contacteren.

Het eerherstel is ten slotte een rechterlijke beslissing en geen automatisch recht. Een rechterlijke instantie, met name de Kamer van Inbeschuldigingstelling, zal oordelen of aan alle voorwaarden is voldaan én of het opportuun is om u een eerherstel te verlenen. Zij zal zich daarbij laten leiden door het advies van de procureur des Konings en de procureur-generaal. Indien de rechter dit noodzakelijk acht, kan zij de aanvrager en diens advocaat oproepen op de zitting om toelichting te geven of om de verzoeker verder te horen over zijn motivatie en levenswandel. Bij een gunstige beslissing zal uw strafregister effectief terug blanco gemaakt worden.

Moest u nog vragen hebben of indien u bijstand wenst bij een aanvraag tot herstel in eer en rechten, aarzel niet om onze specialisten ter zake te contacteren:  info@studio-legale.be

Medialinks:

https://www.knack.be/nieuws/factchecker/factcheck-nee-je-krijgt-geen-blanco-strafblad-voor-75-euro/article-normal-1601627.html

https://justitie.belgium.be/nl/themas_en_dossiers/straffen_en_boetes/strafregister

[1] https://www.knack.be/nieuws/factchecker/factcheck-nee-je-krijgt-geen-blanco-strafblad-voor-75-euro/article-normal-1601627.html

[2] Wet van 25 december 2015 tot wijziging van de rechtspositie van de gedetineerden en van het toezicht op de gevangenissen en houdende diverse bepalingen inzake justitie, BS 30 december 2016

FAVV beveelt euthanasie op katje afkomstig uit Peru

Afgelopen week verscheen er een opvallend bericht in de krant.

Een Belgische studente wou een jong katje meebrengen uit Peru. Het dier was aldaar gechipt en gevaccineerd, ook tegen hondsdolheid.

De regelgeving[1] bepaalt dat zo’n dier gedurende 3 maanden in quarantaine dient te blijven vooraleer het naar een andere land kan worden overgebracht. Dit om een risico op besmetting volledig uit te sluiten.

De FOD Volksgezondheid stelt op haar website dat een afwijking van de regel kan worden toegestaan in geval van een noodsituatie zoals een natuurramp of een politieke instabiliteit die een onmiddellijke repatriëring noodzakelijk maakt.  Hiervoor dient men een aanvraag in te dienen bij het Federaal Agentschap van de Veiligheid voor de Voedselketen (FAVV). Een coronapandemie zou een afwijking mogelijk kunnen maken.

De studente had deze aanvraag tot afwijking ook ingediend bij het FAVV terwijl ze nog in Peru was, maar het FAVV oordeelde dat er een te hoog risico op hondsdolheid (rabiës) aanwezig was. Het FAVV motiveerde dit onder meer op basis van de kennis dat Peru een hoog risicoland is voor hondsdolheid. In het stadje Cuzco – waar het katje werd aangetroffen – werd zelfs nog recent hondsdolheid vastgesteld. Bovendien was er geen enkele informatie gekend over de voorgeschiedenis van katje Lee, die pas op 10 februari 2020 in een tuintje ergens in Peru werd gevonden. Het katje werd waarschijnlijk rond 10 november 2019 geboren, maar niemand weet in welke omstandigheden, waar en welke contacten er zijn geweest. Nadien zou er met zekerheid contact zijn geweest van katje Lee met andere katten in Peru in een plaatselijk “kattencafé”. Over deze andere katten is niet geweten of zij mogelijks besmet waren met hondsdolheid.

Het katje werd ter plaatse wel degelijk ingeënt tegen hondsdolheid, doch pas op 24 maart 2020. Dit was slechts 3 dagen voordat de eigenares aan het FAVV een uitzondering vroeg om het katje mee te nemen naar België. Daarover oordeelde het FAVV dat een vaccinatie geen bescherming biedt, als het dier al geïnfecteerd zou zijn. De incubatietijd voor hondsdolheid is gemiddeld 20 tot 60 dagen, reden waarom er een quarantaine van 3 maanden wordt vooropgesteld.

De studente had vanwege de coronapandemie echter maar één laatste kans op repatriëring naar België en besloot om, in weerwil van de negatieve beslissing van het FAVV, het katje begin april 2020 toch mee te nemen naar België.

Eenmaal hier ontving ze een bevel tot euthanasie van het FAVV. Omdat er een risico bestond dat het katje hondsdolheid kon hebben, oordeelde het FAVV dat het dier moest worden ingeslapen.

Vlaams minister van Dierwelzijn Ben Weyts stelt zich in de media vragen bij de aanpak van het FAVV. Volgens artikel 1 van de Dierenwelzijnswetgeving[2] mag niemand handelingen plegen waardoor een dier zonder noodzaak omkomt. Zo stelt hij dat er in dit geval geen noodzaak is, omdat het dier perfect hier in België in quarantaine geplaatst kan worden. Hij sluit wel niet uit dat de studente gestraft zal worden voor het illegaal importeren van een dier, maar vindt de euthanasie niet noodzakelijk. Een online petitie leverde zelfs al bijna 30.000 handtekeningen op na enkele dagen.

In haar arrest van 8 mei 2020 oordeelde de Raad van State hierover reeds dat een euthanasie, die opgelegd wordt door een Europese verordening, geen schending uitmaakt van de Dierenwelzijnswet.[3]

Het KB van 13 december 2014[4] bevat geen expliciete sanctie voor bij het schenden van de voorgeschreven verplichtingen door particulieren bij de invoer van dieren. Deze sanctie werd enkel voorzien bij commerciële verplaatsingen, dus door professionelen zoals fokkers. Evenwel lijkt het evident dat de maatregelen die daar werden voorzien, ook kunnen toegepast worden op particulieren.

De publieke vraag is of het FAVV echt geen andere optie heeft dan de euthanasie. Artikel 12 van het KB stelt dat er bij een overtreding drie opties zijn, namelijk de terugzending naar land van herkomst, de quarantaine of de euthanasie. Voor de euthanasie wordt uitdrukkelijk gesteld dat het enkel mag toegepast worden, voor zover een terugzending of quarantaine niet uitvoerbaar zouden zijn. Het is zodoende slechts een laatste redmiddel, een ultimum remedium.

Belangrijke nuance evenwel is dat het niet over zomaar een potentiële besmetting gaat, maar over hondsdolheid. Dit is een ziekte die bij mens en dier altijd dodelijk is, zodra er symptomen opduiken. Het KB van 18 september 2016[5], dat zich specifiek richt op de beveiliging tegen hondsdolheid, legt daarom een risicoanalyse op voor verdachte dieren. Indien de risicoanalyse wijst op een hoog risico, moet de euthanasie bevolen worden. Het FAVV heeft deze risicoanalyse uitgevoerd en kwam tot de conclusie dat euthanasie de enige veilige oplossing was. Deze beslissing werd aangevochten door de eigenares bij de Raad van State, maar deze laatste wees dit beroep af als ongegrond.[6]

Vervolgens weigerde de eigenares katje Lee over te dragen aan het FAVV, noch bood zij het diertje aan voor euthanasie. Het FAVV deed uiteindelijk zelfs een huiszoeking in de ouderlijke woning van de studente, maar konden het katje daar niet aantreffen.

In de uitoefening van al haar bevoegdheden, kan het FAVV immers enkele controle- en opsporingshandelingen stellen. Bij Koninklijk Besluit zijn zij bijvoorbeeld gemachtigd om huiszoekingen uit te voeren.[7] De beëdigde ambtenaren van het FAVV kunnen op elk moment een huiszoeking uitvoeren in een lokaal of ruimte, waar zich producten of dieren bevinden die onder hun controle vallen of om bewijzen te verzamelen. Als de huiszoeking plaatsvindt in een particuliere woning, dan kan dit enkel tussen 5 uur en 21 uur, na voorafgaande machtiging door een politierechter.

Daarnaast schrijft de vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens nog enkele vereisten voor. Een huiszoeking is immers een afwijking op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat het recht op het privé- en familieleven beschermt. De huiszoeking mag enkel plaatsvinden als dit voorzien is bij wet, noodzakelijk is voor het onderzoek, proportioneel is en voldaan is aan het subsidiariteitsbeginsel.

De mogelijkheid tot huiszoeking door het FAVV is voorzien bij KB, wat volstaat als wet. Met noodzakelijk wordt bedoeld dat deze onderzoekshandeling enkel mag plaatsvinden, wanneer dit effectief nodig is voor het onderzoek en/of voor bewijsvergaring. Een huiszoeking om iemand onder druk te zetten is bijvoorbeeld niet toegelaten. Met proportioneel wordt bedoeld dat de ingrijpende onderzoekshandeling in verhouding moet staan met het misdrijf. Het mag dus niet lichtzinnig aangewend worden voor kleine inbreuken. Tot slot is er de subsidiariteit, wat betekent dat de huiszoeking enkel en alleen mag uitgevoerd worden als er geen enkele minder ingrijpende onderzoeksmaatregel ter beschikking is, die tot hetzelfde resultaat zou leiden. Of al deze voorwaarden in dit concreet geval vervuld waren, zal naar alle waarschijnlijkheid voorafgaandelijk zijn afgetoetst geweest door
de politierechter.

Het FAVV ging uiteindelijk over tot dagvaarding in kort geding. De zaak werd op 15 mei ingeleid. Het FAVV vordert een dwangsom van € 5.000,00 per uur dat het katje niet wordt overgedragen voor euthanasie.

Over een eventuele strafrechtelijke vervolging, zal de procureur des Konings moeten beslissen. De straffen die geriskeerd worden door de eigenaar staan opgesomd in de Dierengezondheidswet.[8] Indien het katje effectief andere dieren zou besmetten, dan riskeert de invoerster zelfs een gevangenisstraf tot 5 jaar en/of een geldboete tot 80.000 euro (na opdeciemen). Het loutere niet-naleven van de maatregel, zonder besmettingen tot gevolg, kan bestraft worden met een geldboete van 800 tot 40.000 euro (na opdeciemen). Opvallend genoeg kan de rechter ook bijkomend de verbeurdverklaring van het katje bevelen. Het is dus theoretisch mogelijk dat als het katje niet wordt geëuthanaseerd, ze nadien toch nog kan worden afgenomen als strafsanctie. Voor alle duidelijkheid, dit maakt nog niet het voorwerp uit van het debat in kortgeding.

De zaak werd voorlopig uitgesteld naar 29 mei zodat partijen conclusies kunnen uitwisselen.

Wordt ongetwijfeld vervolgd…

Redactie : Eva Tessens en Koen De Backer

[1] Verordening (EU) Nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren ; KB 13 december 2014 houdende de veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van honden, katten en fretten, BS 29 december 2014, 106336.

[2] Wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, BS 3 december 1986, 16382.

[3] Raad van State 8 mei 2020, AR 247.513, Selena ALI tegen FAVV

[4] KB 13 december 2014 houdende de veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van honden, katten en fretten, BS 29 december 2014

[5] KB 18 september 2016 houdende de preventie en bestrijding van de hondsdolheid, BS 17 oktober 2016.

[6] Raad van State 8 mei 2020, AR 247.513, Selena ALI tegen FAVV

[7] KB 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen, BS 28 februari 2001.

[8] Artikel 23 Dierengezondheidswet van 24 maart 1987, BS 17 april 1987.

Ziet U door de bomen het bos niet meer door de tsunami aan regeltjes en (fake) news omtrent corona?

We staken met ons multidisciplinair team de koppen (niet te dicht) bij mekaar en maakten bijgaand overzicht van regels/(steun)maatregelen/do’s en don’ts.


De meest voorkomende vragen worden allemaal behandeld.

 

Download hier het pdf bestand: COVID VADEMECUM Vlaanderen (29/05/2020)

Download hier het pdf bestand: COVID VADEMECUM Wallonië (29/05/2020)

Download hier het pdf bestand: COVID VADEMECUM Brussel (29/05/2020)

 

Moest U toch nog vragen of problemen hebben, aarzel niet om ons te contacteren!

 

Mediapublicatie: Madeinantwerpen.be

————————————————————————————————–

 

Tu ne parviens plus à voir la forêt à travers les arbres à cause du tsunami de règles et de (fausses) nouvelles sur le corona ?

Avec notre équipe pluridisciplinaire, nous nous sommes concertés (pas trop près) et nous avons fait le tour d’horizon des règles, des mesures (de soutien), des choses à faire et à ne pas faire.

Les questions les plus courantes sont toutes traitées.

 

Téléchargez ici le fichier pdf du COVID VADEMECUM Vlaanderen (mise à jour au 29/05/2020)

Téléchargez ici le fichier pdf du COVID VADEMECUM Wallonië (mise à jour au 29/05/2020)

Téléchargez ici le fichier pdf du COVID VADEMECUM Brussel (mise à jour au 29/05/2020)

 

Si vous avez des questions ou des problèmes, n’hésitez pas à nous contacter!

 

 

Justitie in corona-tijden

Er is al veel geschreven over de corona-maatregelen binnen justitie. Letterlijk dan. De OVB bundelde alle maatregelen van alle hoven en rechtbanken in België in één document van (momenteel) op de kop 100 pagina’s. Elke rechtbank houdt er zijn eigen regels en maatregelen op na. Vele advocaten, maar ook magistraten en griffiepersoneel, zien door het bos de bomen niet meer.[1]

De leidraad lijkt te zijn om alle fysieke contacten te mijden en om de zittingen en aanwezigheden tot het absolute minimum te beperken. In De Standaard bevestigt Koen Geens dat er vooral getracht wordt om zo weinig mogelijk gedetineerden over te brengen uit de gevangenis naar de zittingen en te werken via de vertegenwoordiging door de advocaat.[2]

In de afzonderlijke richtlijnen van de rechtbanken staat te lezen dat de toegang tot de strafdossiers zal worden beperkt tot enkel de zaken met aangehoudenen en dit enkel door de advocaten zelf. Dus enkel voor hoogdringende dossiers kunnen advocaten nog terecht ter griffie. In de praktijk houdt dit in dat de griffies van de raadkamers, waar de dossiers inzake voorlopige hechtenis dienen ingezien te worden, nog steeds een bijzonder groot verloop van advocaten kent.

Immers is de inzage in lopende gerechtelijke onderzoeken beperkt tot 1 of 2 dagen voorafgaand aan de zitting. Dit in combinatie met de beperkte openingsuren van de griffies, zorgt dat een degelijk spreidingsplan voor de inzages materieel onmogelijk is. De social distance is moeilijk te hanteren op de griffie raadkamer, alle inspanningen ten spijt.

Alle inspanningen?

Hoewel… Misschien moet de uitspraak ‘alle inspanningen ten spijt’ met een korrel zout genomen worden. In veel gerechtelijke arrondissementen worden alle gerechtelijke onderzoeken immers volledig gescand. De inzage gebeurt op de griffie digitaal, op een computerscherm (te bedienen via een meestal niet-ontsmet klavier in een lokaal dat vaak de minimumvereisten van de ‘social distancing’ niet haalt).

Een telefonische rondvraag bij de griffies van de gevangenissen leert ons dat gedetineerden in verscheidene gevangenissen nog steeds zelf hun dossiers kunnen inkijken, maar dan digitaal op een computer in de gevangenissen (om nog te zwijgen van het hardnekkige gerucht dat dit voor de parketmagistraten al lang een verworven recht zou zijn).  Hierover lezen we geen letter in het magnum opus der corona-richtlijnen binnen justitie.

Als de gedetineerden zo gemakkelijk digitaal toegang hebben tot hun strafdossier buiten de griffie, waarom is dit dan niet mogelijk voor hun advocaten? Het voordeel van een digitaal dossier is net het gemak om dit vanop afstand te kunnen consulteren. Dat de toegang vanuit de gevangenis lukt, bewijst dat het technisch mogelijk is om ook toegang te geven aan de advocaat vanop zijn eigen computer.

Van advocaten wordt verwacht dat zij hun conclusies zoveel als mogelijk digitaal toezenden aan justitie (bij voorkeur met e-Deposit en niet met het bespuwde DPA-Deposit, uiteraard). Kan van een justitie die aandringt op een digitale benadering, niet verwacht worden dat zij minstens dezelfde inspanning richting de advocatuur doet? De grote propaganda-oorlog voor het zelf ontworpen e-Deposit-systeem van de rechterlijke orde, staat in schril contrast met het stilzwijgen omtrent de miljoenen-investering in het programma JustScan. Is het nog te verantwoorden dat een programma, waarvoor Justitie diep in de buidel heeft getast, niet in al zijn functionaliteiten wordt benut?

Digitale toegang tot dossiers… beter laat dan nooit?

In elk van de ons omringende landen krijgen de advocaten een digitale toegang tot de dossiers. In Nederland wordt deze gewoon per e-mail doorgezonden aan de advocaat, met vriendelijke groeten erbij. Geen verplaatsingen meer naar de griffie, geen slecht leesbare foto’s meer nemen van computerschermen en geen honderden vingers meer op de toetsen van éénzelfde klavier…

Stel Consult-online[3] eindelijk open voor advocaten vanop hun (thuis-)kantoor. Er zijn geen verplaatsingen meer nodig naar de griffies voor inzages op die manier. Dit kan dan voor zowel de voorlopige hechtenis, als de dossiers ten gronde. De griffies worden maximaal ontlast van de menselijke aanwezigheid van de advocaat, wat ook buiten corona-tijden meegenomen kan zijn.

De grootste struikelblok zou de beveiliging zijn. De griffies zouden zogezegd de controle verliezen over wie effectief inzage neemt in het dossier en het risico op onrechtmatige inzages zou te groot worden. Men vergeet blijkbaar dat het eigen e-Deposit de technologie bevat om advocaten enkel toegang te verschaffen via de elektronische advocatenkaart in combinatie met de persoonlijke pincode. Het kan toch niet moeilijk zijn om de bestaande technologie van het ene programma over te nemen in het andere programma? In tijden waarin we onze bankzaken en belastingaangiftes online doen, kan niet meer voorgehouden worden dat de toegang tot een digitale omgeving niet voldoende beveiligd kan worden. En als er misbruiken zouden zijn, dan zullen die strafrechtelijk en deontologisch aangepakt kunnen worden.

De laatste der quick-wins

De laatste jaren is de term ‘quick-win’ bijzonder populair geworden binnen justitie. Het staat voor een simpele en snelle ingreep die leidt tot een aanzienlijke verbetering van de rechtsgang. Laat de coronacrisis zorgen voor de volgende quick-win en laat advocaten digitale dossiers inkijken vanop hun (thuis-)kantoor. Een maatregel die het fysiek contact van de advocaten met de griffies kan beperken tot het absolute minimum, daar kan toch niemand bezwaar tegen hebben?

Wenst U informatie over dit artikel.  Neem gerust contact met ons op via info@studio-legale.be .

Auteurs:

Christian Clement & Koen De Backer

[1] Zie daarover Knack 23 maart 2020, “Reactie van justitie op corona: traag, verdeeld en inefficiënt”.

[2] De Standaard 24 maart 2020, “Rechtspreken zonder menselijk contact”, www.standaard.be.

[3] Dit is de applicatie om JustScan vanop afstand te consulteren.

Referenties & mediapublicaties:

https://www.dhnet.be/actu/belgique/l-avocate-nathalie-gallant-pousse-un-coup-de-gueule-si-le-ministre-ne-nous-laisse-pas-travailler-via-justscan-la-situation-sera-catastrophique-par-la-suite-5e7c5d3e9978e228414234c0#.XnzCmHJCXy6.whatsapp

https://www.jubel.be/zal-de-coronacrisis-leiden-tot-meer-inzicht-inzage-voor-de-belgische-strafrechtadvocaat/

https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2020/03/21/corona-kan-3-dagen-overleven-op-plastic-maar-
dat-is-lang-niet-h/

https://www.standaard.be/cnt/dmf20200324_04900685

https://www.knack.be/nieuws/belgie/reactie-van-justitie-op-corona-traag-verdeeld-en-inefficient/article-opinion-1579815.html

https://www.studio-legale.be/de-opheffing-van-het-scanverbod-een-voorzichtige-halleluja/?lang=nl

https://www.jubel.be/inzage-belgische-strafdossiers-kijken-mag-nog-kopieren-niet-meer-altijd/

https://www.studio-legale.be/inzage-belgische-strafdossiers-kijken-mag-nog-kopieren-niet-meer-altijd/?lang=nl

Geen beroepsmogelijkheid voor het openbaar ministerie bij toekenning van de modaliteit van de hechtenis onder elektronisch toezicht bij de regeling van de rechtspleging

 

De feitelijkheden die aanleiding gaven tot de beslissing

De aangehoudene zat gedurende het ganse strafonderzoek in voorlopige hechtenis in de gevangenis. Bij afsluiting van het dossier voor de raadkamer, de zogenaamde regeling van de rechtspleging, besloot de raadkamer dat de inverdenkinggestelde zijn proces mocht afwachten onder de modaliteit van het elektronisch toezicht.

Het openbaar ministerie tekende hoger beroep aan tegen deze wijziging van modaliteit van de hechtenis.

Het standpunt dat door onze advocaten voor de KI te Antwerpen werd verdedigd

Artikel 26, § 4 van de Wet Voorlopige Hechtenis bepaalt het volgende:

  • 4. In geval uit de beschikking van de raadkamer de invrijheidstelling van de verdachte volgt, kan de procureur des Konings hiertegen, wat de voorlopige hechtenis betreft, hoger beroep aantekenen binnen vierentwintig uren; in de gevallen bedoeld in de bovenstaande §§ 1 en 2, kan hij dit slechts doen na hoger beroep ingesteld te hebben tegen de beslissing in zoverre zij de regeling van de rechtspleging betreft.

De verdachte blijft aangehouden tot na verloop van de voormelde termijn.

Het hoger beroep heeft schorsende werking.

Het artikel stelt dus, expressis verbis, dat er enkel een mogelijkheid is tot beroep door het openbaar ministerie voor zover er een invrijheidstelling zou zijn bevolen in de beschikking van de raadkamer.

De voorlopige hechtenis onder de modaliteit van het elektronisch toezicht is geen invrijheidstelling. Artikel 16, §1, 2de alinea bepaalt uitdrukkelijk dat een bevel tot aanhouding kan uitgevoerd worden in de gevangenis of onder het elektronisch toezicht. Het elektronisch toezicht is met andere woorden een modaliteit van de aanhouding en geenszins een invrijheidstelling.

Het legaliteitsbeginsel houdt in dat er geen beroep kan ingesteld worden dat niet voorzien wordt bij wet. Bij een onduidelijke wet zou er eventueel kunnen geïnterpreteerd worden buiten de wet om, maar dit mag nooit in het nadeel spelen van de verdachte. Een beroep toelaten dat niet voorzien is bij wet en die een negatieve impact kan hebben op de situatie van de aangehoudene, is zonder meer een interpretatie van de wet in het nadeel van de verdachte.

Bovendien vereist artikel 5,1 EVRM dat elke vrijheidsbeneming een wettelijke basis heeft. Door het ontbreken van een beroepsmogelijkheid in de wet voor het openbaar ministerie, is deze vereiste wettelijke basis conform artikel 5,1 EVRM niet voorhanden. Elke rechter moet zodoende voorzichtig en beperkend omgaan met de interpretatie of analogietoepassing van een nationale wetgeving die enige beperking op dit recht op vrijheid inhoudt.

De uitspraak van de KI (klik hier en bekijk)

De KI te Antwerpen besliste dat het hoger beroep van het Openbaar Ministerie tegen een beschikking van de raadkamer die, bij het regelen van de rechtspleging, beslist dat hij aangehouden blijft doch onder de modaliteit van het elektronisch toezicht, niet bij wet voorzien is in artikel 26 Wet Voorlopige Hechtenis en bijgevolg onontvankelijk is.

Het standpunt van onze strafrechtadvocaten werd dus bijgetreden. Aldus werd klaarheid geschapen en werd er komaf gemaakt met eerdere andersluidende visies en rechtspraak.[1]

U kan steeds contact opnemen met ons kantoor voor meer informatie.

[1] Bij arrest van 23 november 2018 besliste de KI Antwerpen nog dat het beroep moest geïnterpreteerd worden ‘naar analogie’ en dat dit geen nadelige interpretatie van de wet zou inhouden ten aanzien van de inverdenkinggestelde (KI Antwerpen 23 november 2018, AR K/2543/2018, niet gepubliceerd).

 

————————————–

Pas de possibilité d’appel pour le ministère public lorsque la modalité de détention sous contrôle électronique est accordée suite le règlement de la procédure

Les faits à la base de la décision

La personne arrêtée était en détention préventive pendant toute la durée de l’enquête pénale. Après la fermeture du dossier par la chambre du conseil (ce qu’on appelle le règlement de la procédure), la chambre du conseil a décidé que le suspect pouvait attendre son procès sous la modalité de la surveillance électronique.

Le ministère public a fait appel contre cette modification du mode de détention.

La position défendue par nos avocats pour la CMA d’Anvers

L’article 26, paragraphe 4 de la loi relative à la détention préventive (loi 20 juillet 1990):

  • 4. Dans les cas où l’ordonnance de la chambre du conseil a pour effet la mise en liberté de l’inculpé, le procureur du Roi peut, dans les vingt-quatre heures, interjeter appel de la décision en tant qu’elle concerne la détention préventive; dans les cas visés aux §§ 1er et 2 ci-dessus, il ne peut le faire qu’après avoir interjeté appel de la décision en tant qu’elle concerne le règlement de la procédure.

L’inculpé reste détenu jusqu’à l’expiration dudit délai.

L’appel a un effet suspensif.

L’article stipule donc, expressis verbis, que le ministère public ne peut faire appel que dans la mesure où la libération a été ordonnée par une décision de la chambre du conseil.

La détention préventive sous la modalité de surveillance électronique n’est pas une libération. L’article 16, § 1, 2e alinéa stipule explicitement qu’un mandat d’arrêt peut être exécuté en prison ou sous surveillance électronique. En d’autres termes, la surveillance électronique est une modalité de détention et en aucun cas une libération.

Le principe de légalité signifie qu’aucun appel ne peut être interjeté qui n’est pas prévu par la loi. Dans le cas d’une loi peu claire, une interprétation pourrait éventuellement être faite en dehors de la loi, mais cela ne devrait jamais être au détriment du suspect. Autoriser un appel non prévu par la loi et susceptible d’avoir une influence négative sur la situation de la personne arrêtée, constitue sans aucun doute une interprétation de la loi au détriment du suspect.

En outre, l’article 5.1 de la CEDH exige que toute privation de liberté a besoin d’une base légale. En raison de l’absence de possibilité de recours juridiquement pour le ministère public, cette base juridique requise conformément à l’article 5.1 de la CEDH n’est pas disponible. Chaque juge doit donc être prudent et restrictif lorsqu’il s’agit d’interpréter ou d’appliquer
une analogie à la législation nationale qui contient certaines restrictions à ce droit à la liberté.

 

L’arrêt de la CMA d’Anvers (cliquez ici)

La CMA d’Anvers a décidé que l’appel interjeté par le ministère public contre une décision de la chambre du conseil qui, accordée au moment du règlement de la procédure, décidait qu’un inculpé serait arrêtée mais sous le régime de la surveillance électronique, n’était pas prévu par la loi à l’article 26 de la loi relative à la détention préventive et donc irrecevable.

Le point de vue de nos avocats pénalistes a donc été soutenue. Ainsi, la clarté a été créée et on a mis fin aux différentes visions et jurisprudence.[1]

[1] Dans son arrêt du 23 novembre 2018, le CMA d’Anvers a décidé que l’appel devait être interprété “par analogie” et que cela n’impliquerait pas une interprétation défavorable à l’égard d’inculpé (CMA Anvers 23 novembre 2018, AR K/2543/2018, non publié).

De wetgever schiet te hulp!

In het Belgische Staatsblad van 19 juni 2019 kwam eindelijk het sluitstuk van een (te) lang aanslepende ergernis. Aanleiding van het ongenoegen was het opleggen van het scanverbod in lopende strafonderzoeken door de Eerste Voorzitter van het hof van beroep te Antwerpen in april 2018, op aangeven van het College van Hoven en Rechtbanken (zie ons artikel: https://www.studio-legale.be/inzage-belgische-strafdossiers-kijken-mag-nog-kopieren-niet-meer-altijd/?lang=nl).

Gedurende meer dan een jaar werden advocaten geconfronteerd met een richtlijn, die dan nog geen algemene draagkracht had. De Voorzitters van de rechtbanken, waarvan men zou denken dat zij blindelings de opgelegde richtlijnen van hun overkoepelend orgaan zouden volgen, zaten hier immers niet op één lijn. Op de ene griffie verboden, op de andere griffie expliciet toegelaten en op de laatste griffie gedoogd. Een onhoudbare situatie, zo vond ook de Minister van Justitie.

Verlossing kwam er uiteindelijk met de wet van 5 mei 2019 rond de digitalisering van Justitie. De wetgevende macht kopte de voorzet van de rechterlijke macht binnen, die tijdens de hele discussie bleef herhalen dat er een duidelijke wettelijke basis nodig was voor advocaten en rechtszoekende om lopende strafonderzoeken te mogen scannen. Een inzagerecht was volgens het College van Hoven en Rechtbanken immers geen recht op kopiename. Kijken doe je met de ogen, niet met een digitaal toestel. De meest strikte interpretatie van het begrip inzage. De oplossing was dus om het wetboek van strafvordering, en in uitbreiding de Wet Voorlopige Hechtenis, zo aan te passen dat er niet meer kon geïnterpreteerd worden. Duidelijkheid troef, de heilige graal van een wetgeving.

Eindelijk duidelijkheid! Of toch bijna…

De belofte van de duidelijkheid werd waargemaakt. Volgende tekst werd ingevoerd in de verschillende wetsartikels: De inwilliging van het verzoek tot het bekomen van inzage van het dossier houdt in dat de verzoeker of zijn advocaat er zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie van kunnen nemen ter plaatse. Duidelijk toch?

Hoewel… Er staat expliciet dat de advocaat kopie mag nemen eigen middelen. Bedoelt de wetgever dan enkel ‘scannen’, door middel van leespennen, smartphones, fototoestellen, … .  Of mag de advocaat een gescand dossier ook op een USB-stick zetten nu? In vele gerechtelijke arrondissementen worden strafdossiers immers digitaal gescand. Momenteel wil dit dus zeggen dat een advocaat foto’s mag nemen van een computerscherm en zo kan kopiëren. U leest het goed, foto’s nemen van een computerscherm om een document te kopiëren. Maar als u nu de nieuwe wetsbepaling hierboven opnieuw zou lezen, lijkt het kopiëren op een USB-stick of externe harde schijf ook toegelaten. Dit is immers toch ook een kosteloos kopie met eigen middelen? Interessante vraagstuk voor de juristen.

Toegestaan! Maar niet altijd….

De wetgever heeft wel voorzien dat de magistraat die belast is met het onderzoek, dus de onderzoeksrechter of de procureur des Konings, gemotiveerd kan afwijken van de nieuwe algemene regel. Er kan dus toch een scanverbod worden opgelegd, maar dit zou de uitzondering moeten zijn. Deze uitzondering kan enkel indien de noodwendigheden van het onderzoek dit vereisen of indien de kopiename een gevaar zou opleveren voor personen of een ernstige schending van hun privéleven zou inhouden. De praktijk zal uitwijzen of de onderzoeksmagistraten veel zullen teruggrijpen naar deze beperking.

Enkele vragen rijzen toch… Moet deze uitzondering bij elke nieuwe inzage opgelegd en bijkomend gemotiveerd worden? Of kan deze in het begin van het onderzoek worden opgelegd en geldt die dan tot het einde van het onderzoek? Kan deze beperkt worden tot een specifieke partij of moet elke partij die inzagerecht heeft ook steeds dezelfde scanrechten hebben? Is deze beperking vatbaar voor beroep? Het wetboek van strafvordering voorziet enkel een beroep tegen het weigeren van een inzage, maar de vraag is of dit beroep ook kan aangewend worden tegen het opleggen van een scanverbod.

Nog meer interessante vraagstukken voor de juristen, maar zoals gezegd is het nog te vroeg om al te voorspellen of de beperking de regel, dan wel de uitzondering zal worden. Laten we uitgaan van het laatste.

Vertrouwen moet verdiend worden..

Het lijkt er dus op dat de wetgever opnieuw het vertrouwen geeft aan de advocaten. De rechten van verdediging die het halen van de angst voor de schending van het geheim van het onderzoek. Het vertrouwen is evenwel niet onvoorwaardelijk, aangezien in dezelfde wet van 5 mei 2019 ook de straffen gesteld voor het misbruik van het inzagerecht werden verhoogd. De maximum gevangenisstraf werd verdubbeld naar 2 jaar en de maximale geldboete ging van 500 euro naar 1000 euro. Dit lijkt een toegeving te zijn aan de bekommernissen van de rechterlijke macht, die lijkt te vrezen dat lopende strafonderzoeken via het scanrecht zomaar op de straatstenen zouden belanden. Deze strafverzwaring als pasmunt voor een uitgebreid scanrecht zal binnen de advocatuur weinig bezwaren kennen.

Conclusie

Zo lijkt er dus een einde gekomen te zijn aan de befaamde ‘inzagerel’ die heerste binnen Antwerpen, maar ook in andere gerechtelijke arrondissementen. Vandaar: halleluja. Het is nu duidelijk dat de advocaten, of de rechtszoekenden zelf, eindelijk ook in lopende strafdossiers mogen scannen. Maar mogen ze meer dan scannen? En moeten we vrezen dat scanverbod wegens de vage term ‘noodwendigheden van het onderzoek’ een standaardformule wordt bij elke toelating tot inzage? Vandaar: een voorzichtige halleluja.

U kan steeds contact opnemen met ons kantoor voor meer informatie.

Links :

https://www.advocatennet.be/nieuwe-wet-maakt-eindelijk-einde-aan-de-discussies-rond-het-scanrecht-van-strafdossiers/

https://www.advocatennet.be/scanrecht-van-strafdossiers-waarom-de-nieuwe-wet-nu-al-achterhaald-is/

https://www.studio-legale.be/inzage-belgische-strafdossiers-kijken-mag-nog-kopieren-niet-meer-altijd/?lang=nl

Inleiding

In het onderzoek rond de voetbalfraude, werd door het federaal parket en één van de verdachte makelaars een spijtoptantenregeling afgesloten. Maar wat wil dit nu concreet zeggen? Volgens de media gaat het om de allereerste spijtoptant in België, maar dit moet met een korrel zout genomen worden.

Want echt helemaal nieuw is het principe binnen het Belgisch strafrecht niet. Zo voorziet artikel 326 van het Belgisch strafwetboek bijvoorbeeld al in een strafuitsluiting voor een schuldige die in de planningsfase van een aanslag alles opbiecht bij de overheid. Ook in artikel 6 van de Drugswet is een strafuitsluiting of strafvermindering voorzien voor de daders die de identiteit meedelen van andere nog niet geïdentificeerde daders in een strafonderzoek.

Het is wel correct dat de spijtoptant pas bij wet van 22 juli 2018 als algemeen principe werd ingevoegd in het Belgische wetboek van Strafvordering. En dus niet meer her en der in het wetboek bij welbepaalde misdrijven. De nieuwe regels voorzien wel dat er enkel kan gebruik gemaakt worden voor de spijtoptantenregeling voor de zogezegde zwaardere criminele feiten, waarvoor ook bijvoorbeeld telefoontaps en inkijkoperaties mogelijk zijn.

Wat is een spijtoptant?

Een spijtoptant is een persoon die in ruil voor een lichtere bestraffing of een andere gunstmaatregel, belastende verklaringen aflegt over anderen en eventueel over zichzelf. Een principe dat het publiek uit de Amerikaanse films en series kent. Maar ook in Europa kennen de meeste landen een regeling voor spijtoptanten, zoals in Italië, Nederland, Duitsland, Oostenrijk, Frankrijk en het Verenigd Koningrijk.

Hoe en wanneer komt het tot stand?

Enkel het openbaar ministerie kan beslissen of de inzet van een spijtoptant noodzakelijk en wenselijk is en dit met het voorafgaand akkoord van de procureur-generaal.

Uit de betreffende wetsartikelen blijkt helaas niet hoe een spijtoptantschap kan geïnitieerd worden. De strikte lezing van de wet stelt dat het initiatief van het openbaar ministerie zou uitgaan, maar uiteraard zal het in de praktijk vooral de verdachte zelf zijn, met behulp van zijn advocaat, die deze mogelijkheid zal op tafel leggen bij de parketmagistraat.

Volgens de wet kan er gebruik gemaakt worden van een elke fase van de strafprocedure, zelfs na de definitieve bestraffing.

De voorwaarden voor de regeling

De spijtoptantenregeling is onderworpen aan het zogenaamde principe van de subsidiariteit. Dit wil zeggen dat het enkel kan worden toegepast wanneer het onderzoek dit vereist en indien de overige middelen van het onderzoek niet volstaan voor de waarheidsvinding. De regeling mag dus enkel gebruikt worden als zogenaamd laatste redmiddel. Het is dus niet de bedoeling dat de spijtoptant een aanvulling wordt op de klassieke onderzoeksmaatregelen, maar enkel bij uitzondering wordt aangewend. In deze verschilt het wezenlijk van wat we dagelijks zien in de Amerikaanse films, waarbij elke verdachte een deal lijkt voorgeschoteld te krijgen in ruil voor medewerking.

Hieruit volgt dat de onderzoeksmagistraat eerst alle voor handen zijnde onderzoeks­maatregelen moet aanwenden om een misdrijf uit te klaren, alvorens hij toegevingen kan gaan doen aan een verdachte. Pas als het onderzoek volledig strop zit, kan de procureur des Konings zijn toevlucht nemen tot de spijtoptant.

De formalisering van de regeling

Zodra er een akkoord wordt bereikt, wordt er een schriftelijke overeenkomst gesloten tussen de spijtoptant en de bevoegde procureur des Konings. In dit zogenaamde ‘memorandum’ moeten minstens volgende gegevens uitdrukkelijk en nauwkeurig omschreven worden:

  • Identiteit van de spijtoptant en de identiteit van de advocaat die de spijtoptant bij het sluiten van het memorandum bijstaat (kan dus nooit anoniem)
  • De feiten waarover de spijtoptant zich bereid verklaart een getuigenis af te leggen
  • De toezeggingen aan de spijtoptant
  • De voorwaarden die in het kader van het akkoord eventueel aan de spijtoptant wordt opgelegd.

Het memorandum wordt opgenomen in het strafdossier en wordt niet afgeschermd van de andere verdachten in het onderzoek. De reden hiervoor is dat er anders een schending zou zijn van de rechten van verdediging van diegene waarover de spijtoptant informatie heeft gegeven. Zij hebben recht op tegenspraak, wat wil zeggen dat zij het recht hebben om te weten welke informatie er door wie gegeven werd in het strafdossier.

Alle partijen hebben ook het recht om te weten wat de spijtoptant in ruil voor zijn medewerking heeft gekregen. Zo kunnen zij, maar ook de correctionele rechter, in alle openheid beoordelen hoe de verklaringen tot stand zijn gekomen. Alle partijen moeten immers de mogelijkheid krijgen om de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de spijtoptant te betwisten.

Het is immers niet ondenkbaar dat een spijtoptant leugenachtige verklaringen aflegt enkel en alleen om zichzelf daarmee een gunst te bewijzen. Om die redenen is er een recht op tegenspraak, maar daarnaast mag de veroordeling van anderen niet uitsluitend gebaseerd worden op de enkele verklaring van een spijtoptant. Deze verklaring moet nadien gestaafd worden door ander objectief bewijsmateriaal. Het gaat dus om zogezegd ‘steunbewijs’, wat wil zeggen dat de enkele verklaring van een spijtoptant nooit voldoende kan zijn om tot een veroordeling te komen.

Welke toezeggingen zijn er mogelijk?

De procureur des Konings is bij elke toezegging gebonden aan het proportionaliteitsbeginsel. Dit wil zeggen dat de toegeving in verhouding moet staan met wat de spijtoptant kan bijbrengen. Het toe te kennen voordeel moet steeds afgewogen worden tegen het gepleegde misdrijf en het eventuele aandeel van de spijtoptant hierin.

In de fase van de strafvordering

  • Het opleggen van een lagere straf
  • Het opleggen van een alternatieve straf of de eenvoudige schuldigverklaring

In de fase van de strafuitvoering

  • Gunstig advies in het kader van de strafuitvoering (voor voorwaardelijke invrijheidsstelling)
  • Toezegging van uitgaansvergunning of penitentiair verlof

In de fase van de detentie (voorhechtenis of strafuitvoering)

  • Plaatsing en overplaatsing naar een andere gevangenis

De wetgever heeft vanaf het begin duidelijk gemaakt dat het onmogelijk is om als ruil voor medewerking de opheffing van de voorlopige hechtenis of het gevangenschap te verkrijgen. Het spijtoptantschap zal dus nooit rechtstreeks kunnen leiden tot een onmiddellijke vrijlating.

De spijtoptant zal wel nog steeds de slachtoffers van zijn misdrijven moeten vergoeden. Meer zelfs, door het ondertekenen van het memorandum wordt er voor de spijtoptant een onweerlegbaar vermoeden van een burgerlijke fout vastgelegd. Dit wil zeggen dat hij door het aanvaarden van de regeling, zijn burgerlijke fout expliciet erkent en later op geen enkele manier meer kan betwisten.

Controle door de rechter

De correctionele rechter moet, voor de spijtoptanten die een regeling treffen in de fase van de strafvordering, het memorandum bekrachtigen. De rechter moet steeds een vervangende straf uitspreken, voor het geval de spijtoptant het memorandum niet zou nakomen.

Herroeping van de regeling

De wet voorziet dat de getroffen regeling herroepen kan (maar niet moet) worden in welbepaalde gevallen. De herroeping is mogelijk wanneer de verdachte het memorandum niet naleeft, niet de beloofde verklaringen aflegt, nadien nog nieuwe misdrijven pleegt, de slachtoffers niet vergoedt, de afgelegde verklaringen niet waarheidsgetrouw blijken te zijn of de strafvervolging bewust heeft willen dwarsbomen.

Besluit

De spijtoptantenregeling als vernieuwing bestempelen is de waarheid geweld aan doen. Het bestond reeds in zowat heel de Europa en zelfs al her en der in onze eigen strafwetgeving.

De echte vernieuwing is dat het in België nu eindelijk volledig juridisch werd uitgewerkt en meteen ook werd afgetoetst aan de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Zo is er voldoende nadruk gelegd op transparantie, het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces. Bovendien is er een, weliswaar beperkte, controle voorzien door een rechter.

De vraag met dergelijke nieuwigheden is niet zozeer of ze de juridische toets doorstaan, maar wel of ze de toets doorstaan van de publieke opinie. De wetgever heeft in de wetsartikelen alleszins een ongeziene controle ingebouwd op de procureur des Konings, door zowel de procureur-generaal, de federale procureur, als het Parlement. Dit geeft aan dat het om een politiek moeilijke beslissing ging en dat er voldoende paraplu’s werden ingebouwd voor moest het mislopen. De praktijk zal uitwijzen in welke mate de spijtoptant zijn plaats zal veroveren binnen het Belgische strafrecht.

 Moest u nog vragen hebben, aarzel niet om onze specialisten ter zake te contacteren:  info@studio-legale.be

Media Artikels Pers:
http://www.standaard.be/cnt/dmf20181120_03966770
https://www.demorgen.be/s/axf459550/MueKV
https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2018/11/20/veljkovic/
https://www.hln.be/sport/voetbal/belgisch-voetbal/spelersmakelaar-en-spijtoptant-veljkovic-vrij-onder-strenge-voorwaarden-na-deal-met-gerecht-hij-gaat-alles-uit-de-doeken-doen~af459550/
http://www.gva.be/cnt/dmf20181120_03966771/spelersmakelaar-veljkovic-gaat-samenwerken-met-gerecht-in-onderzoek-naar-wanpraktijken-in-voetbal

Schade door een huiszoeking… Wie gaat dat betalen?

 

In het programma De Rechtbank kwam recent een interessante juridische vraag aan bod, die helaas door de betreffende vrederechter niet beantwoord werd.

De vrederechter in kwestie stelde voor aan de verhuurder, die schade had geleden door een huiszoeking bij één van zijn huurders, om de politie een aangetekend schrijven te sturen. De politie wees schijnbaar alle verantwoordelijkheid af en toonde zich niet bereid tot enige schadevergoeding. Het voorstel van de vrederechter was om de schade dan maar te trachten te verhalen op de huurder in kwestie.

Maar klopt dit wel?

Aanvankelijk werd er aangenomen dat het optreden van de politie in het maatschappelijk belang, primeerde op het individueel belang. Als de politie door zijn legitiem en gerechtvaardigd optreden een derde schade berokkende, dat was behoorde dit tot het maatschappelijk risico dat iedereen wordt geacht te dragen binnen de rechtstaat.

Op 19 april 2004 bracht het hof van beroep te Antwerpen verandering in deze zienswijze.

De aanleiding waren een resem huiszoekingen in een welbepaalde appartementsblok op de Turnhoutsebaan in Borgerhout in december 2000. In een gecoördineerde actie van de politie, op bevel van de onderzoeksrechter, werden in deze appartementsblok 10 deuren opengebroken op zoek naar drugs. Hierbij werden alle deuren en de deurlijsten ernstig beschadigd. In 1 appartement werd uiteindelijk drugs gevonden.

De eigenares van het appartementsgebouw, die geen verdachte was in het dossier, werd geconfronteerd met al die schade. Ook zij richtte zich tot de Belgische Staat om deze schade vergoed te krijgen.  De Belgische Staat stelde echter dat het om een legitieme actie ging en dat het niet mogelijk was geweest om op minder schadelijke manier opgetreden te hebben. Daarom moest de verhuurster deze schade maar zelf dragen onder het mom van een openbare last om het algemeen belang te dienen.

De eigenares legde zich evenwel niet neer bij deze beslissing en trok uiteindelijk naar het hof van beroep van Antwerpen. Dit hof stelde dat het algemeen  belang  van  een  huiszoeking  het  toebrengen  van  schade  rechtvaardigt , maar dat dit zelfde algemeen belang niet rechtvaardigt om na afloop van de huiszoeking de eigenares met de schade te laten zitten.

Het hof van beroep te Antwerpen baseerde zich hierbij op het algemeen  rechtsbeginsel  van  de  gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten, dat onder meer is vastgesteld in artikel 16 van de Grondwet, waardoor de overheid niet zonder vergoeding lasten kan opleggen die groter zijn dan die welke een particulier in het gemeenschappelijk belang moet dragen. Met andere woorden, de schade die de eigenares heeft geleden ten gunste van de maatschappij, moet ook gedragen worden door de maatschappij. Deze zienswijze van het hof van beroep te Antwerpen werd door het Hof van Cassatie bevestigd.

Komen we terug bij de vraag: een huiszoeking, wie gaat dat betalen?

De eerste vraag die moet beantwoord worden, is de vraag bij wie de huiszoeking heeft plaatsgevonden. Is de eigenaar van het beschadigde pand zelf een verdachte in het dossier, dan zal hij de kosten zelf moeten dragen. Een kleine nuance is er evenwel als later blijkt dat deze verdachte onschuldig is en vrijgesproken wordt. Dan wordt hij, in theorie, gelijkgesteld met de eigenaars die niets te maken hebben met de feiten.

Als de huiszoeking gebeurt bij een verdachte die niet de eigenaar is van de woning en de eigenaar van de woning heeft niets te maken met de feiten, dan moet deze eigenaar niet zelf de kosten van de schade dragen.

Hoe kan je schadevergoeding bekomen?

Ondertussen heeft de FOD Justitie ingezien dat het niet werkbaar is om elk schadegeval voor de rechter te brengen. Een pragmatische oplossing werd uitgewerkt, namelijk dat eenieder die schade heeft geleden door een huiszoeking, waarbij hij zelf geen verdachte is, een verzoek tot schadevergoeding kan richten aan de FOD Justitie.

Omdat het gaat om een vergoeding van de effectief  geleden schade, legt de FOD Justitie wel bepaalde verplichtingen op. Elk verzoek tot schadevergoeding moet gepaard gaan met de volgende bewijzen:

  • Bewijs van de schade (foto’s van de beschadigde deur en/of deurlijsten)
  • Een factuur en betalingsbewijs voor de herstellingswerken en/of de nieuwe deur
  • Een bewijs van de effectieve plaatsing (foto van de deur)

Het is dus niet voldoende dat u een schadebestek laat opstellen. De FOD Justitie vereist dat u bewijst dat u ook effectief de herstelling hebt uitgevoerd én betaald.

In feite gaat de FOD Justitie hier in tegen het algemeen principe van de schadevergoedingen volgens het burgerlijk recht. Het principe is dat als u schade lijdt door iemand anders zijn fouten, dat deze uw schade moet vergoeden. Het is daarbij niet vereist dat u ook effectief uw schade herstelt met deze vergoeding. We kennen dit principe voornamelijk bij de vergoedingen voor verkeersschade. U laat na een schadegeval bestek opmaken van uw kosten en de tegenpartij moet dit dan vergoeden. Maar niemand kan u vervolgens dwingen om deze vergoeding ook effectief te gebruiken om de schade te herstellen. U kan er bijvoorbeeld voor opteren om te blijven rondrijden met de bluts en de kras in het koetswerk.

De FOD Justitie wijkt dus af van dit principe, naar alle waarschijnlijkheid om misbruiken tegen te gaan. Het is immers niet zo moeilijk om een gepeperde offerte te bekomen voor schade die in feite niet zoveel voorstelt. De FOD Justitie kan dit trouwens perfect doen, aangezien het een minnelijke procedure is.

Een andere optie is natuurlijk om de Belgische Staat te dagvaarding in vergoeding van de geleden schade. Dit is de drastische en langdurige weg, maar dan zal het de rechter zijn die de schade begroot. En dan vervalt de verplichting van de effectieve herstelling, zoals vereist in de minnelijke procedure.

Het probleem is dat elke rechter zelf beslist tot wat de Belgische Staat gehouden is. Zo besliste de rechtbank te Bergen op 6 september 2017 dat een verhuurder mee het maatschappelijk  risico van de schade bij een huiszoeking moet dragen in het collectieve belang. Deze verhuurder kreeg met andere woorden niet de volledige schade vergoed, maar slechts een gedeelte. Risico’s van het vak, zo oordeelde deze Waalse rechtbank schijnbaar.

Conclusie

Als u schade lijdt door een huiszoeking waarbij u niet zelf een verdachte bent, moet de overheid u deze schade vergoeden.

Dit kan via een minnelijke procedure bij de FOD Justitie of via de rechtbank. Het voordeel van de procedure bij de FOD Justitie is dat ze snel is en afgelijnd is. U zal zelf wel eerst de herstellingen effectief moeten uitvoeren en betalen. Geen herstelling wil zeggen geen vergoeding. Via de rechtbank zal het langer duren en loopt u het risico dat niet de volledige schade wordt vergoed. Maar de vergoeding die u krijgt, kan u besteden zoals u dat zelf verkiest.

Moest u nog vragen hebben of bent u zelf slachtoffer van schade door een huiszoeking of een andere onderzoeksmaatregel, aarzel niet om onze specialisten ter zake te contacteren:  info@studio-legale.be

(Een beeld uit de documentaire ‘Femme de la rue’, die de aanleiding was voor de wet. © RV)

Op 6 juni 2016 merken twee politie-inspecteurs van de zone Zaventem een man op die een rood voetgangerslicht negeert en andere weggebruikers in gevaar brengt. De inspecteurs proberen hem op verschillende manieren te laten stoppen.

Wanneer de man uiteindelijk tegengehouden wordt, reageert hij geagiteerd en eist hij om in het Frans te communiceren. De man wordt hoe langer, hoe bozer en scheldt beide inspecteurs uit voor “vuile strontflik”. Nadien richt hij zich enkel nog tot de vrouwelijke inspecteur en zegt hij zegt haar dat ze een job moet zoeken die geschikt is voor een vrouw, zoals bankbediende. Wanneer hij hierop wordt aangesproken, zegt hij dat hij niet met vrouwen praat  en dat “de vuile hoer” moet zwijgen.

Na kennisname van het proces verbaal besluit het parket Halle-Vilvoorde de man te dagvaarden. Hiervoor baseerden zij zich op de nieuwe ‘seksismewet’ (voluit ‘de wet van 22 mei 2014 ter bestrijding van seksisme in de openbare ruimte’)

Deze wet stelt “elk gebaar of handeling in de openbare ruimte strafbaar wanneer dit klaarblijkelijk bedoeld is om minachting uit te drukken jegens een persoon wegens zijn geslacht, of deze, om dezelfde reden, als minderwaardig te beschouwen of te reduceren tot diens geslachtelijke dimensie en die een ernstige aantasting van de waardigheid van deze persoon ten gevolge heeft.”[1]

Kortom moet een bepaald gedrag, om als seksisme te kunnen worden aanzien, vijf kenmerken bevatten:  een uitspraak of handeling (1), in de openbare ruimte (2), die duidelijk bedoeld is (3), om één of meerdere specifieke personen (4), te vernederen omwille van hun geslacht, met een ernstige aantasting van de waardigheid van die persoon tot gevolg (5).

Deze in het verleden reeds meermaals bekritiseerde definitie laat echter nog steeds veel ruimte voor interpretatie. [2]

Zo kan men de vraag stellen wat de wetgever bedoelt met ‘gebaren of handeling die bedoeld zijn om iemand als minderwaardig te beschouwen of terug te brengen tot diens geslachtelijke dimensie’…

Ondanks het vage karakter van de delictsomschrijving beslist de rechter autonoom over het al dan niet strafbaar karakter van de handeling en/of het gedrag.

Zo achtte de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg in Brussel in de bovenvermelde  casus dat de gedragingen onder het toepassingsgebied van de nieuwe seksismewet vallen en achtte het seksisme bewezen.

Op 7 november 2017 werd de man bij verstek veroordeeld tot een geldboete van 500 euro. (vermenigvuldigd met de opdeciemen: 3.000 euro. )

De rechter kon echter ook een gevangenisstraf uitspreken aangezien de wet seksisme straft met een gevangenisstraf  van 1 maand tot 1 jaar en/of een geldboete van 50 tot 1.000 euro.[3]

EERSTE STEEN GELEGD?

Nu de seksismewet voor het eerst werd toegepast door een correctionele rechtbank verkreeg ze de nodige media-aandacht.

In het eerste jaar dat de wet van kracht was, leverde ze volgens navraag van De Morgen amper 25 klachten op in Vlaanderen, Wallonië en Brussel samen.

Het is af te wachten of dit vonnis een verandering zal brengen in het (beperkt) aantal klachten…

To be continued, dus …

Heeft U hierover vragen of wenst u zelf klacht neer te leggen wegens seksisme ?

Werd u zelf verhoord, in verdenking gesteld of gedagvaard voor een feit van vermeend seksimse ?

Neem contact op met de strafcel van ons kantoor : info@studio-legale.be

[1] Artikel 2 wet van 22 mei 2014 ter bestrijding van seksisme in de openbare ruimte, BS 24 juli 2014.

[2] https://www.demorgen.be/opinie/een-wet-zoals-de-antiseksismewet-is-niet-alleen-inefficient-maar-ook-contraproductief-b3d38adc/

[3] Artikel 3 van de wet van 22 mei 2014 ter bestrijding van seksisme in de openbare ruimte, BS 24 juli 2014

De wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, ook wel de “Potpourri II-wet” genoemd, voert diverse aanpassingen door in het strafprocesrecht, en dit met het oog op een snellere en efficiëntere rechtsbedeling.

Middels een arrest dd. 21 december 2017 heeft het Grondwettelijk Hof evenwel geoordeeld dat enkele bepalingen van deze zgn. Potpourri II-wet ongrondwettig zijn. Dit is onder meer het geval voor de regels rond de hervorming van het Hof van Assisen.

De potpourri II-wet schafte met name de voorheen bestaande limitatieve lijst van misdaden die wegens verzachtende omstandigheden konden worden gecorrectionaliseerd af. Dit had als gevolg dat voortaan alle misdaden – ook de allerzwaarste – door de correctionele rechtbanken konden worden berecht, en niet meer – zoals vroeger – uitsluitend door het Hof van Assisen.

Minister van Justitie Koen Geens wilde met deze hervorming komaf maken met dure en tijdrovende assisenprocessen. Omwille van deze veralgemeende correctionaliseerbaarheid van misdaden heeft de wetgever simultaan ook de straffen die door de correctionele rechtbanken konden worden uitgesproken aanzienlijk verhoogd, met name tot veertig jaar i.p.v. de voorheen geldende grens van twintig jaar.

Art. 150 van de Grondwet schrijft echter voor dat alle criminele zaken door het Hof van Assisen moet worden behandeld. Dit artikel verplicht de wetgever m.a.w. om minstens de zwaarste misdrijven voor te behouden aan een volksjury. Door de wetswijziging konden echter alle misdaden onttrokken worden aan de rechter die de Grondwet toewijst.

Aangezien hierbij bovendien enkel het eerder subjectieve criterium van de ‘verzachtende omstandigheden’ wordt gehanteerd om te beslissen of een misdaad voor het Hof van Assisen dan wel voor de correctionele rechtbank wordt gebracht (en aldus de bevoegdheid van de rechtscolleges bepaalt), stelt het Grondwettelijk Hof dan ook zeer terecht dat de nieuwe regeling niet verzekert dat personen die zich in dezelfde toestand bevinden, volgens dezelfde regels inzake bevoegdheid en rechtspleging worden berecht, hetgeen het gelijkheidsbeginsel schendt.

Bovendien was het dus allesbehalve zeker dat deze ‘correctionalisering’ op basis van ‘verzachtende omstandigheden’ uiteindelijk in het voordeel van de beklaagde werkt, aangezien de correctionele rechtbank in bepaalde gevallen een hogere gevangenisstraf kan opleggen dan de minimale gevangenisstraf die het Hof van Assisen kan opleggen.

Het was hoogst merkwaardig te noemen dat wanneer men eerstens verzachtende omstandigheden moet aannemen om de zaak weg van assisen te houden, de uiteindelijke straf van de correctionele rechtbank toch hoger kan zijn dan wanneer men die zelfde zaak voor de jury van het Assisenhof brengt…

Het lijkt er inmiddels hoe langer hoe meer op dat ook deze Minister van Justitie er niet in zal slagen om dit laatste bastion van de hoogdemocratische ‘volksrechtspraak’ (een burger die beoordeeld wordt door een jury van zijn gelijken), de procedure voor het Hof van Assisen, af te schaffen.

Het zo veelvuldig aangekondigde wetsvoorstel rond de ‘Criminele Kamers’, waarmee het Kabinet van Justitie eerstens de vele criticasters van het de facto einde van de volksjury zoet trachtte te houden en vervolgens als antwoord bezigde op dit duidelijke terugfluiten door het Grondwettelijke Hof, zag inmiddels nog steeds het daglicht niet…

Indien u nog vragen heeft over dit artikel, aarzel dan zeker niet om onze specialisten te contacteren. Zij helpen u graag verder.

Christian CLEMENT

Sarah KLOECK

 

https://www.koengeens.be/news/2015/10/17/assisen-wordt-uitgedoofd
http://www.standaard.be/cnt/dmf20161007_02508140
https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2017/12/02/voor-assisen-of-voor-de-correctionele-rechtbank–een-wereld-van-/
https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2017/12/21/grondwettelijk-hof-vernietigt-assisenhervorming-/
https://nieuws.vtm.be/vtm-nieuws/binnenland/voor-lopende-zaken-verandert-er-niets
http://www.standaard.be/cnt/dmf20171221_03255615
http://www.knack.be/nieuws/belgie/grondwettelijk-hof-de-facto-afschaffing-van-assisen-is-een-schending-grondwet/article-normal-942547.htm
https://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20171221_03255625

 

In België bestaat er geen specifieke wet die het opnemen van een gesprek, waaraan men zelf deelneemt, verbiedt.

Men kan dus gesprekken tussen zichzelf en een derde opnemen, zonder hiervoor gestraft te worden.

Uiteraard doet dit heel wat vragen rijzen. Zijn er dan geen andere regels die het opnemen van gesprekken kunnen tegenhouden? Wat met de bescherming van de rechten van de mens?

Zelfs artikel 8.1 EVRM die het recht op privacy waarborgt, belet het louter opnemen van een gesprek door een deelnemer aan dit gesprek zonder medeweten van de andere deelnemers niet.[1]

Wel kan men deze opgenomen (telefoon)gesprekken niet zo maar publiekelijk verspreiden.

Op grond van artikel 314bis, §2, lid 2 van het Strafwetboek wordt gestraft “hij die, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden, gebruik maakt van een wettig gemaakte opname van niet voor publiek toegankelijke communicatie of gegevens van een informaticasysteem.”

Als men de opnames gebruikt voor een andere reden dan voor zichzelf en om een andere reden zoals voorzien in artikel 314bis, §2, tweede lid Sw. – dus bijvoorbeeld met het oog op bewijsvoering, maar evenzeer indien men de opnames van het gesprek onbewust overmaakt aan een derde – kan dit wel een schending van artikel 8 EVRM uitmaken.[2]

Het Hof van Cassatie heeft onder meer in haar arrest van 9 september 2008 bepaalt dat men, in het licht van de specifieke omstandigheden waarin het opnemen van het gesprek en het verspreiden van het opgenomen gesprek geschiedde, een schending van artikel 8 EVRM zal kunnen vaststellen. Hierbij neemt de rechter het criterium van de redelijke privacyverwachting van de deelnemers aan het gesprek en het beoogde doel van de opname in overweging.[3]

Dit is geen gemakkelijke opgave.

De rechter zal rekening houden met onder meer de inhoud van het gesprek, de omstandigheden waaronder het gesprek plaatsvond, de hoedanigheid van de deelnemers aan het gesprek en de hoedanigheid van de bestemmeling van de opname.

Als men de opgenomen gesprekken verspreidt, bestaat er bovendien uiteraard nog kans dat men vervolgd wordt voor andere strafrechtelijke inbreuken, zoals bijvoorbeeld laster en eerroof. Als men de opgenomen gesprekken bewust verspreidt om bijvoorbeeld iemand anders ten schande te maken, is artikel 314bis, §2, tweede lid Sw. van toepassing.

Wenst u zelf een (telefoon)gesprek op te nemen in het licht van de bewijsvoering in een geschil of bent u zelf slachtoffer van een ten onrechte opgenomen gesprek, aarzel dan niet om contact op te nemen met onze specialisten voor verder advies en bijstand. Klik hier om contact met ons kantoor op te nemen.

Nota bene 1: het Hof van Cassatie heeft eveneens toegestaan dat een cliënt een gesprek tussen hem en zijn raadsman kan opnemen zonder dat dit een schending van beroepsgeheim uitmaakt (artikel 458 Sw.).[4] Of we dit een goed idee vinden, is natuurlijk nog iets anders…

Nota bene 2: Het opnemen van telefoongesprekken waaraan men zelf niet deelneemt, is wel opgenomen in het Belgische Strafwetboek en is enkel in het licht van zeer specifieke omstandigheden, zoals bijvoorbeeld in het raam van bijzondere opsporingstechnieken, toegestaan.

Bronnen:

Cass. 9 januari 2001, Arr.Cass. 2001, 26.

Cass. 9 september 2008, Arr.Cass. 2008, 1890.

Cass. 17 november 2015, RW 2017, 380.

R. Verstraeten, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2007, 876.

P. Arnou, “Eigen telefoongesprekken opnemen mag van Cassatie”, Juristenkrant 2001, afl. 25, 5.

[1] Cass. 9 januari 2001, Arr.Cass. 2001, 26; Cass. 9 september 2008, Arr.Cass. 2008, 1890.

[2] Cass. 9 september 2008, Arr.Cass. 2008, 1890.

[3]Ibid.

[4]Cass. 17 november 2015, RW 2017, 380.

———————————————————————————————————————–

L’enregistrement des conversations

Il n’existe en Belgique aucune loi spécifique qui interdit d’enregistrer une conversation (par exemple téléphonique) à laquelle on prend part.

On peut donc enregistrer des discussions avec un tiers, sans encourir la moindre peine.

Cela soulève naturellement bien des questions. N’y aurait-il pas d’autres règles qui pourraient empêcher l’enregistrement de ces conversations ? Quid de la protection des Droits de l’Homme ?

Même l’article 8.1 de la Convention Européenne des Droits de l’Homme (CEDH), qui garantit le droit au respect de la vie privée, n’interdit pas le simple enregistrement d’une discussion par une personne qui y participe, à l’insu des autres participants[1].

Il n’est toutefois pas nécessairement permis de rendre publiques ces discussions (téléphoniques ou non).

L’article 314bis, §2, al. 2 du Code pénal punit « quiconque, avec une intention frauduleuse ou à dessein de nuire, utilise un enregistrement, légalement effectué, de communications non accessibles au public ou de données d’un système informatique ».

Si l’on utilise les enregistrements à une autre fin que pour soi-même et même dans d’autres objectifs que ceux mentionnés dans l’article 314bis, §2, al. 2 C.P. – par exemple en vue de s’en servir comme preuve mais égalent si l’on transmet les enregistrements inconsciemment à des tiers – cela peut constituer une violation de l’article 8 de la CEDH[2].

Dans son arrêt du 9 septembre 2008, la Cour de cassation a notamment décidé que, à la lumière des circonstances particulières dans lesquelles se produisent l’enregistrement d’une discussion et le partage de l’enregistrement, l’on pourra considérer qu’il s’agit d’une violation de l’article 8 de la CEDH. Le juge prendra en compte le critère de l’attente raisonnable du respect à la vie privée des participants à la discussion et l’objectif de l’enregistrement[3].

Ce n’est naturellement pas une tâche facile.

Le juge prendra en compte notamment le contenu de la conversation, les circonstances dans lesquelles cette conversation s’est tenue, la qualité des participants, et la qualité du destinataire de l’enregistrement.

En cas de partage d’un enregistrement, existe naturellement également le risque d’être poursuivi pour d’autres infractions pénales, par exemple la calomnie ou la diffamation. Si l’enregistrement est volontairement partagé par exemple à dessein de nuire à une personne, l’article 314
bis, §2, al. 2 du Code pénal sera d’application.

Si vous souhaitez vous-même enregistrer une conversation (téléphonique ou non) afin de vous en servir comme preuve dans un litige, ou si vous êtes victime d’un enregistrement illégal d’une conversation, n’hésitez pas à prendre contact avec nos spécialistes pour obtenir une assistance et plus de conseils.

N.B. 1: la Cour de cassation a également estimé qu’un client qui enregistre une conversation entre lui et son conseil ne viole pas le secret professionnel garanti par l’article 458 du Code pénal[4]. Quant à savoir s’il s’agit selon nous d’une bonne idée, c’est naturellement une toute autre question.

N.B. 2: L’enregistrement de conversations téléphoniques auxquelles on ne participe pas, est bien prévue dans le Code pénal belge. Cet enregistrement n’est permis que dans des circonstances très spécifiques, comme par exemple dans le cadre de techniques particulières de recherche.

Sources:

Cass., 9 janvier 2001, Arr.Cass. 2001, p. 26.

Cass., 9 septembre 2008, Arr.Cass. 2008, p. 1890.

Cass., 17 novembre 2015, R.W. 2017, p. 380.

R. Verstraeten, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2007, p. 876.

P. Arnou, “Eigen telefoongesprekken opnemen mag van Cassatie”, Juristenkrant 2001, n°25, p. 5.

[1] Cass., 9 janvier 2001, Arr.Cass. 2001, 26; Cass. 9 septembre 2008, Arr.Cass. 2008, p. 1890.

[2] Cass., 9 septembre 2008, Arr.Cass. 2008, p. 1890.

[3]Ibid.

[4] Cass., 17 novembre 2015, R.W. 2017, p. 380.

Erkende daden van terrorisme

Koninklijk Besluit van 15 maart 2017 tot erkenning van daden van terrorisme in de zin van artikel 42bis van de wet van 1 augustus 1985 (BS 17 maart 2017)

22 mei 2017. Ariana Grande speelt een concert in het Manchester Arena. One last time – het slotnummer, krijgt plots een heel andere connotatie.

Nazinderend van de reeks aanslagen die in Europa én de rest van de wereld reeds gepleegd werden, wordt Europa opnieuw opgeschrikt door daden van terreur.

Terrorisme beheerst de samenleving sterker dan ooit.

Maar hoe zit het juist met de talloze slachtoffers en nabestaanden?

Zij komen in een juridisch en administratief kluwen terecht om enige vergoeding te bekomen.

De Belgische Staat is hier recent, in een eerste poging, aan tegemoet gekomen door daden van terrorisme te erkennen.

Sinds 15 maart 2017 bestaat er een lijst van daden in België en het buitenland die erkend worden als daden van terrorisme. Deze erkenning is nodig in het kader van de procedure die de financiële hulp aan de slachtoffers ervan regelt.

Uiteraard is deze lijst beperkt. Zij kan later, bij koninklijk besluit, nog aangevuld worden met andere daden van terrorisme.

Voortaan erkent de regering bepaalde daden als terreurdaden en dienen slachtoffers niet zelf meer aan te tonen dat een daad effectief een terroristische daad is.

De volgende terreurdaden zijn reeds door de regering erkend:

–          de aanslag van 8 juni 2012 op de metro in Brussel (België);

–          de aanslag van 24 mei 2014 op het Joods museum in Brussel (België);

–          de aanslag van 9 januari 2015 op een supermarkt in Parijs (Frankrijk);

–          de aanslag van 6 maart 2015 op straat in Bamako (Mali);

–          de aanslag van 18 maart 2015 op een museum in Tunis (Tunesië);

–          de aanslag van 26 juni 2015 op een strand in Sousse (Tunesië);

–          de aanslag van 13 november 2015 op een concertzaal en andere plaatsen in Parijs (Frankrijk);

–          de aanslag van 20 november 2015 op een hotel in Bamako (Mali);

–          de aanslag van 22 maart 2016 op de luchthaven van Zaventem en op het metrostation Maalbeek in Brussel (België);

–          de aanslag van 14 juli 2016 op de openbare weg in Nice (Frankrijk);

–          de aanslag van 6 augustus 2016 op straat in Charleroi (België);

–          de aanslag van 5 oktober 2016 op straat in Schaarbeek (België);

–          de aanslag van 1 januari 2017 in een discotheek in Istanboel (Turkije).

Slachtoffers van deze terreurdaden kunnen financiële hulp vragen bij de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en occasionele redders.

Slachtoffers van terreurdaden in het buitenland moeten over de Belgische nationaliteit beschikken of een duurzaam verblijf in België kunnen aantonen om in aanmerking te komen voor de financiële hulp. Slachtoffers van terreurdaden op het Belgisch grondgebied komen ongeacht hun nationaliteit in aanmerking voor de financiële hulp.

De slachtoffers van de erkende terreurdaden krijgen een speciaal statuut toegekend: het statuut van nationale solidariteit. De regelgeving omtrent dit statuut moet nog verder uitgewerkt worden.

Slachtoffers van deze erkende terreurdaden moeten zich niet langer burgerlijke partij stellen om aanspraak te kunnen maken op financiële hulp. Een aangifte bij de Commissie voor Financiële Hulp zou hiertoe moeten volstaan.

Door terreurdaden te erkennen, wordt de stap naar vergoeding voor slachtoffers reeds vereenvoudigd.

Dit KB bevat enkel een lijst van erkende terroristische daden.

In de wet bestaan er helaas nog enkele knelpunten, waardoor niet alle slachtoffers voor vergoeding in aanmerking komen.

Het is aan het parlement en de regering om spoedig werk te maken van een vereenvoudigd Fonds dat alle slachtoffers van terreurdaden vergoed.

Indien U vragen heeft over deze actuele rechtsproblematiek, aarzel niet om onze specialisten te raadplegen !

KB 15 maart 2017 tot erkenning van daden als daden van terrorisme in de zin van artikel 42bis van de wet van 1 augustus 1985, BS 17 maart 2017, 37771.

http://www.polinfo.be/NewsView.aspx?id=VS300510091&contentdomains=POLINFO&lang=nl

https://www.koengeens.be/news/2017/02/24/geens-geeft-slachtoffers-van-erkende-terreurdaden-recht-op-financiele-hulp

https://www.youtube.com/watch?v=irLSNF46bUk

———————————————–

Les actes reconnus de terrorisme

Arrêté royal du 15 mars 2017 portant reconnaissance d’actes en tant qu’actes de terrorisme au sens de l’article 42bis de la loi du 1er août 1985 (M.B. 17 mars 2017)

22 mai 2017. Ariana Grande donne un concert à la Manchester Arena. One last time – la chanson de clôture, prend soudain un autre sens.

Après une série d’attentats qui a frappé l’Europe et le reste du monde, l’Europe est à nouveau secouée par des actes de terrorisme.

Le terrorisme menace la société plus que jamais.

Mais qu’arrive-t-il aux victimes et survivants ?

Ils se retrouvent dans un imbroglio juridique et administratif pour tenter d’obtenir une indemnisation.

L’État belge a récemment introduit une première tentative de réponse à cette problématique en reconnaissant un certain nombre d’actes de terrorisme.

Il existe ainsi depuis le 15 mars une liste d’actes, en Belgique et à l’étranger, reconnus comme actes de terrorisme. Cette reconnaissance est nécessaire dans le cadre de la procédure qui règle l’aide financière aux victimes.

Cette liste est évidemment limitée. Elle pourra être étendue, par arrêté royal, à d’autres actes de terrorisme.

Le gouvernement reconnaît donc désormais certains actes déterminés comme des actes de terrorisme, les victimes ne devant dès lors plus démontrer elles-mêmes qu’un événement est effectivement un acte de terrorisme.

Les actes de terrorisme suivants sont d’ores et déjà reconnus par le gouvernement :

–          L’attentat dans le métro, le 8 juin 2012, à Bruxelles (Belgique);

–          L’attentat au musée juif, le 24 mai 2014, à Bruxelles (Belgique);

–          L’attentat dans un supermarché, le 9 janvier 2015, à Paris (France);

–          L’attentat en rue, le 6 mars 2015, à Bamako (Mali);

–          L’attentat dans un musée, le 18 mars 2015, à Tunis (Tunisie);

–          L’attentat sur une plage, le 26 juin 2015, à Sousse (Tunisie);

–          L’attentat dans une salle de concert et d’autres lieux, le 13 novembre 2015, à Paris (France);

–          L’attentat dans un hôtel, le 20 novembre 2015, à Bamako (Mali);

–          L’attentat à l’aéroport de Zaventem et dans la station de métro Maelbeek, le 22 mars 2016, à Bruxelles (Belgique);

–          L’attentat sur la voie publique, le 14 juillet 2016, à Nice (France);

–          L’attentat en rue, le 6 août 2016, à Charleroi (Belgique);

–          L’attentat en rue, le 5 octobre 2016, à Schaerbeek (Belgique);

–          L’attentat dans une discothèque, le 1er janvier 2017, à Istanbul (Turquie).

Les victimes de ces actes de terrorisme peuvent demander une aide financière à la Commission pour l’aide financière aux victimes d’actes intentionnels de violence et aux sauveteurs occasionnels.

Les victimes d’actes de terreur survenus à l’étranger doivent, pour bénéficier de cette indemnisation, disposer de la nationalité belge ou pouvoir démontrer une résidence durable en Belgique. Les victimes d’actes de terrorisme sur le territoire belge bénéficient de ce régime quelle que soit leur nationalité.

Les victimes d’actes de terrorisme se voient reconnaître un statut spécial : le statut de solidarité nationale. La législation relative à ce statut doit encore être finalisée.

Les victimes de ces actes de terrorisme reconnus ne doivent plus se constituer partie civile pour pouvoir prétendre à une aide financière. Une simple déclaration à la Commission pour l’aide financière aux victimes d’actes intentionnels de violence sera désormais suffisante.

L’indemnisation des victimes est donc facilitée par la reconnaissance du caractère terroriste d’un événement.

Cet arrêté royal ne contient rien d’autre qu’une liste d’actes de terrorisme reconnus. Il subsiste malheureusement dans la loi quelques points de blocage, qui font que toutes les victimes ne peuvent pas encore bénéficier d’une indemnisation.

Il appartient donc au parlement et au gouvernement d’œuvrer à établir un fonds qui indemnisera toutes les victimes d’actes de terrorisme.

Si vous vous posez des questions sur cette problématique actuelle, n’hésitez pas à prendre contact avec nos spécialistes !

AR du 15 mars 2017 portant reconnaissance d’actes en tant qu’actes de terrorisme au sens de l’article 42bis de la loi du 1er août 1985, M.B. 17 mars 2017, p. 37771.

http://www.polinfo.be/NewsView.aspx?contentdomains=POLINFO&id=VS300510081&lang=fr

https://www.koengeens.be/news/2017/02/24/geens-geeft-slachtoffers-van-erkende-terreurdaden-recht-op-financiele-hulp

https://www.youtube.com/watch?v=irLSNF46bUk

“Arrest Hof van Cassatie maakt flitsboetes onwettig”, “Cassatie maakt flitsboetes de facto onwettig”, “Flitsboetes ongeldig als politie bestuurder niet tegenhoudt”.

Deze krantenkoppen zijn u ongetwijfeld niet ontgaan.

Sinds de arresten van het Hof van Cassatie van 13.12.2016 lijkt het hele Belgische boetesysteem op zijn kop te staan.

Maar is dit wel zo? Zijn wel alle flitsboetes onwettig? En heeft dit dan tot gevolg dat u flitsboetes niet langer moet betalen?

Niet noodzakelijk.

Het Hof van Cassatie controleert in haar arresten louter of een rechter een correcte toepassing en gevolgtrekking van de wet heeft gemaakt. Zij doet geen uitspraak over de specifieke feiten en omstandigheden van een bepaald geval.

In het vonnis, waarover het Hof van Cassatie zich in het zijn arrest dd. 13.12.2016 diende uit te spreken, oordeelde de Correctionele Rechter te Brussel dat de Politie geen machtiging nodig heeft opzoekingen te doen in de Kruispuntbank Voertuigen.

Echter, volgens artikel 18 §1 van de Wet Kruispuntbank Voertuigen moet éénieder die toegang wenst tot de gegevens van de Kruispuntbank Voertuigen een machtiging ontvangen van het Sectoraal Comité voor de federale overheid voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

De Rechtbank had aldus een foutieve toepassing gemaakt van de wet en om deze reden heeft het Hof van Cassatie – volkomen terecht – het vonnis verbroken.

De wettelijke opdracht van de politie om overtredingen op verkeersreglementen op te sporen en vast te stellen, stelt haar niet vrij van de verplichting om een machtiging van het Sectoraal Comité van de Privacycommissie te vragen, wanneer zij de identiteitsgegevens van de houder van de nummerplaat opvraagt bij de Kruispuntbank Voertuigen.

Dit heeft echter – helaas – niet tot gevolg dat u nu elke flitsboete in de vuilbak kunt gooien.

Een identificatie zonder voorafgaande machtiging maakt enkel onregelmatig verkregen bewijsmateriaal uit, waarop de Belgische “Antigoon”-regelgeving van toepassing is (artikel 32 V.T.Sv.).

Volgens deze regelgeving is onregelmatig verkregen bewijs nietig in drie gevallen:

1)      Schending van een op straffe van nietigheid voorgeschreven formaliteit;

2)      Aantasting van de betrouwbaarheid van het bewijs;

3)      Gebruik van het bewijs is in strijd met het recht op een eerlijk proces.

De eerste twee voorwaarden vinden geen toepassing in deze problematiek, zodat enkel voorwaarde 3 in het vizier komt.

Naar ons oordeel zijn boetes welke zijn uitgeschreven na een opvraging bij de Kruispuntbank Voertuigen zonder machtiging in strijd met het recht op een eerlijk proces.

Zo heeft het Hof van Cassatie in haar arrest dd. 23 maart 2004[1] enkele criteria opgenoemd, waarmee de rechter rekening kan houden bij het beoordelen van de derde voorwaarde.

Één van deze criteria is het opzettelijk karakter van de begane onregelmatigheid.

Daar volgens het algemeen rechtsbeginsel “nemo censetur ignorate legem” iedereen wordt geacht de wet te kennen – en dus zeker de politiediensten – zijn wij van oordeel dat de politiediensten de onregelmatigheid opzettelijk hebben begaan.

Zij behoorden immers te weten over welke bevoegdheden zij beschikken tijdens het uitvoeren van hun wettelijke opdracht om overtredingen op verkeersreglementen op te sporen en vast te stellen.

Echter, gelet op de eindeloze straffeloosheid die zulke redenering tot gevolg heeft, zullen de rechtbanken niet snel geneigd zijn deze piste te volgen.

Denk dus maar niet dat u niet langer rekening hoeft te houden met de opgelegde snelheidsbeperkingen. Dit zou u wel eens heel duur komen te staan.

(Let trouwens op: sinds 01.01.2017 is 70 km/u de norm op de Vlaamse gewestwegen. U zult dus enkel nog 90 km/u mogen rijden, wanneer dit uitdrukkelijk staat aangegeven.)

Het behoeft geen twijfel dat er noodzaak was om dergelijke lacune in de wet spoedig op te vangen.

Zo werd onmiddellijk een Machtigingsaanvraag door de Directie van de politionele informatie en de ICT-middelen (DRI) van de Federale Politie ingediend om van de DIV elektronisch de gegevens te ontvangen die noodzakelijk zijn voor de geïntegreerde politie om haar taken van gerechtelijke en bestuurlijke politie uit te voeren bij het Sectoraal comité voor de Federale Overheid (Privacycommissie).

 De onwettelijke situatie uit de wereld geholpen met volgende beslissing

https://www.privacycommission.be/sites/privacycommission/files/documents/beraadslaging_FO_053_2016.pdf die letterlijk stelt in haar beschikkend gedeelte: machtigt

de mededeling van persoonsgegevens van de DIV aan de politiediensten met

eerbiediging en binnen de beperkingen van de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen”

 

Sinds 15.12.2016 geen twijfels dus: U moet Uw boete betalen !

Voor dossiers of PV’s die dateren van voor 15/12: contacteer onze specialisten  !!

[1]Cass. 23 maart 2004, Arr.Cass. 2004, 518.

——————————————————————————————————————————————————

Et maintenant, on fait quoi avec ces amendes pour excès de vitesse ?

« Un arrêt de la Cour de cassation déclare les amendes pour excès de vitesse illégales », « La cassation rend les amendes pour excès de vitesse, de facto, illégales », « Les amendes pour excès de vitesse sont invalides si la police n’a pas arrêté le conducteur ».

 Ces titres de journaux ne vous auront certainement pas échappé.

Depuis l’arrêt de la Cour de cassation du 13 décembre 2016, il semble que tout le système des amendes en Belgique soit bouleversé.

Mais est-ce bien le cas ? Toutes les amendes sont-elles illégales ? Pouvez-vous refuser de payer vos amendes pour excès de vitesse ?

 Pas nécessairement.

 La Cour de cassation ne fait, dans ses arrêts, que contrôler si le juge a fait une correcte application de la loi. Elle ne prend aucune décision sur des faits spécifiques ou sur les circonstances d’une affaire déterminée.

Dans le jugement en question, sur lequel la Cour de cassation s’est prononcée dans son arrêt du 13 décembre, le tribunal correctionnel de Bruxelles avait décidé que la police ne devait pas bénéficier d’une autorisation pour effectuer une recherche dans la Banque-Carrefour des véhicules.

 Il découle toutefois de l’article 18, §1er de la loi sur la Banque-Carrefour des véhicules que quiconque souhaite accéder aux données de la Banque-Carrefour doit obtenir une autorisation du Comité sectoriel pour l’Autorité Fédérale de la Commission de la protection de la vie privée.

Le tribunal avait dès lors appliqué la loi de façon erronée et pour cette raison, la Cour de cassation a – à juste titre – cassé sa décision.

 La mission légale de la police de rechercher et constater les infractions au code de la route ne la libère pas de l’obligation de demander une autorisation au Comité sectoriel de la Commission de la vie privée lorsqu’elle souhaite obtenir les données personnelles d’un titulaire du numéro de plaque auprès de la Banque-Carrefour des véhicules.

 Cela n’a toutefois – hélas ! – pas pour conséquence que vous puissiez jeter toutes vos amendes pour excès de vitesse à la poubelle.

Le fait que l’identification ait été effectuée sans autorisation préalable signifie simplement que la façon dont la preuve a été obtenue est illégale. Or la législation « Antigone » est précisément applicable aux preuves obten
ues illégalement (Article 32 du Titre préliminaire du Code d’instruction criminelle).

 Il découle de ce régime que la preuve obtenue illégalement est nulle dans trois hypothèses :

  1. La violation d’une formalité prescrite à peine de nullité ;
  2. L’atteinte à la fiabilité de la preuve ;
  3. L’utilisation de la preuve contraire au droit à un procès équitable.

 Les deux premières hypothèses ne sont à l’évidence pas pertinentes dans la problématique qui nous occupe, de sorte que seule la 3e hypothèse va nous retenir plus longtemps.

 Il nous semble qu’une amende délivrée après consultation sans autorisation de la Banque-Carrefour des véhicules soit précisément contraire au droit à un procès équitable.

La Cour de cassation a, dans son arrêt du 23 mars 2004[1], énuméré un certain nombre de critères dont le juge peut tenir compte dans l’appréciation du caractère contraire au droit à un procès équitable.

 L’un de ces critères est le caractère délibéré de l’irrégularité commise.

Le principe général de droit « nemo censetur ignorare legem » veut que chacun soit supposé connaître la loi. Cela vaut bien sûr également pour les services de police. Il en découle selon nous que l’irrégularité doit être considérée comme ayant été commise délibérément.

Il appartenait en effet aux services de police de savoir sur quel fondement ils agissaient dans le cadre de l’exécution de leur mission légale consistant à rechercher et constater les infractions au code de la route.

 Compte tenu cependant de l’impunité définitive qui découlerait d’un tel raisonnement, il est peu probable que les tribunaux s’engagent dans cette voie.

 Ne pensez donc pas qu’il ne vous faut plus tenir compte des limitations de vitesse. Cela finirait vite par vous coûter très cher.

 (Pour rappel, depuis le 1er janvier, la vitesse de 70km/h est la norme en Région flamande. Vous ne pouvez plus rouler à une vitesse de 90km/h que si cela est expressément indiqué).

 Il ne fait aucun doute qu’il était urgent de combler une telle lacune juridique.

 Une demande d’autorisation de la Direction de l’information policière et des moyens ICT (DRI) de la Police Fédérale de communication électronique de données de la DIV nécessaires à la police intégrée afin d’exercer ses missions de police judiciaire et administrative fut donc rapidement introduite auprès du Comité sectoriel de l’Autorité Fédérale (Commission de la vie privée).

 Cette situation illicite fut éliminée par la décision suivante https://www.privacycommission.be/sites/privacycommission/files/documents/d%C3%A9lib%C3%A9ration_AF_053_2016.pdf dans le dispositif de laquelle on trouve ceci : « autorise la communication des données à caractère personnel de la DIV vers les services de police dans le respect et les limites des dispositions légales et réglementaires qui s’appliquent ».

 Depuis le 15 décembre 2016 plus de doute donc : vous devez payer vos amendes !

 Pour vos procès-verbaux qui dateraient d’avant le 15 décembre : contactez nos spécialistes par email !!

Traduction par Alexis PAQUOT.

[1] Cass., 23 mars 2004, Arr. Cass., 2004, p. 518.

De elektrische fiets…

Sinds 11 december 2018 moeten alle speedpedelecs ingeschreven worden bij de DIV en een speedpedelec-nummerplaat (SP) hebben https://www.vlaanderen.be/elektrische-fietsen

Veel vragen rijzen omtrent dit onderwerp, zeker na een recente wetswijziging die op 1 oktober in werking is getreden.

Wat verandert er nu concreet?

De elektrische fiets wordt eindelijk in onze wegcode ingeplant.

Men onderscheidt 2 categorieën :

 1)   De elektrische fiets die een ondersteuning krijgt tot max. 25km/u met een nominaal continu maximumvermogen van 1000 W, of het zogezegd ‘gemotoriseerd rijwiel’

2)   De elektrische fiets die een ondersteuning krijgt tot max. 45km/u met een nominaal continu maximumvermogen van 4000 W of de zogezegde ‘speed pedelec’

De gemotoriseerde rijwielen vallen onder de categorie van de fietsen, terwijl de speed pedelecs bij de bromfietsen worden gecatalogeerd.

 Voor alle elektrische fietsen (beide categorieën) geldt vanaf 1 oktober 2016 dat de bestuurders de minimumleeftijd van 16 jaar dienen te hebben bereikt.

 Aangezien de speed pedelecs als de ‘zware gevallen’ onder de elektrische fietsen worden beschouwd, worden zij vanaf 1 oktober 2016 tevens aan volgende regels onderworpen :

 –          Rijbewijs : De bestuurders van een speed pedelec dienen in het bezit te zijn van een rijbewijs AM, net zoals bromfietsers.

 –          Helm : Artikel 36 van de Wegcode stelt voortaan dat bestuurders en passagiers van een speed pedelec de keuze hebben tussen een bromfietshelm of fietshelm. Een fietshelm moet in dat geval wel bescherming bieden aan de slapen en het achterhoofd.

 –          Nummerplaat : De speed pedelecs dienen ook te zijn voorzien van een nummerplaatje. Dit begint met de letter ‘p’ en is 120mm hoog en 100mm breed. De boord is 5mm.

 –          Verzekeringspapieren : Een speed pedelecbestuurder dient net zoals een bromfietsbestuurder altijd zijn verzekeringspapieren op bij zich te hebben.

Belangrijk om weten is tevens dat speed pedelecs, net zoals bromfietsers (klasse B), het fietspad mogen volgen indien er een maximumsnelheid van 50km/u geldt op de gevolgde weg en op voorwaarde dat zij de andere weggebruikers niet in gevaar brengen.

Indien de toegelaten snelheid op de gevolgde weg hoger ligt dan 50km/u, zijn zij verplicht het fietspad te volgen (indien dit aanwezig is).

Opgelet dus vanaf nu! De speed pedelec wordt serieus genomen!

Heeft u vragen of opmerkingen bij dit artikel, aarzel dan niet om contact met ons op te nemen.

Medialinks:

http://www.legalworld.be/legalworld/content.aspx?id=97206&LangType=2067

http://www.gva.be/cnt/dmf20161005_02502805/bestuurder-17-zonder-helm-moet-speed-pedelec-afgeven

https://www.fiets.be/blog/de-elektrische-fiets-volgens-de-belgische-wetgeving/

http://www.hln.be/hln/nl/957/Binnenland/article/detail/2870184/2016/09/13/Rijbewijs-en-helm-binnenkort-verplicht-voor-snelle-elektrische-fietsen.dhtml

http://www.hln.be/hln/nl/957/Binnenland/article/detail/2888947/2016/09/27/Dit-verandert-er-allemaal-op-1-oktober.dhtml

Als buitenlander bij verstek veroordeeld in België – Wat nu (met zo’n EAB) ?

  1. Wat is verzet ?

Wanneer men als buitenlander kennis krijgt van het feit dat men in België bij verstek is veroordeeld, is de eerste vraag steeds welke mogelijkheden er zijn om nog iets te doen tegen deze uitspraak.

Artikel 187 van het Belgische Wetboek van Strafvordering (W.Sv.) regelt wat dat betreft de mogelijkheid om in verzet te komen tegen een verstekvonnis of –arrest.

Verzet is een zogenaamd gewoon rechtsmiddel waarbij de zaak opnieuw voor hetzelfde rechtscollege wordt gebracht teneinde een nieuwe beoordeling toe te laten.

Van belang hierbij is dat men op verzet nooit een zwaardere sanctie kan krijgen dan deze opgelegd bij verstek. (Bij een hoger beroep kan dat wel indien het OM evenzeer beroep heeft aangetekend, wat zij meestal doen bij middel van een zgn ‘volgappel’)

  1. Wat zegt de Belgische Wet ?

Artikel 187 W.Sv. §1 bepaalt de voorwaarden waaronder verzet kan worden aangetekend:

Ҥ 1. De bij verstek veroordeelde kan tegen het vonnis in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop het is betekend.

Is de betekening van het vonnis niet aan hem in persoon gedaan, dan kan hij die bij verstek veroordeeld is, wat de veroordelingen tot straf betreft, in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen.

Indien hij hiervan kennis heeft gekregen door de betekening van een Europees aanhoudingsbevel of een uitleveringsverzoek of indien de lopende termijn van vijftien dagen nog niet verstreken was op het ogenblik van zijn aanhouding in het buitenland, kan hij in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij werd overgeleverd of in het buitenland terug in vrijheid werd gesteld.

Indien niet blijkt dat hij kennis heeft gekregen van de betekening, kan hij die bij verstek veroordeeld is in verzet komen totdat de termijnen van verjaring van de straf verstreken zijn.

Wat de burgerrechtelijke veroordelingen betreft, kan hij in verzet komen tot de tenuitvoerlegging van het vonnis.

De burgerlijke partij en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij kunnen alleen in verzet komen overeenkomstig de bepaling van het eerste lid.”


  1. Verplichte vermeldingen op het EAB aanwezig ?

Dit artikel betreft het hier in België bij wet van 30 december 2009 gegeven antwoord op art. 4bis §1 van het Kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Europese Raad van 26 februari 2009 (tot wijziging van het Kaderbesluit aangaande het Europees Aanhoudingsbevel 2002/584/JBZ).

Art 4bis §1 bepaalt overigens ook dat een lidstaat de uitvoering van een EAB mag weigeren indien in dat EAB zelve niet duidelijk aangegeven staat op welk wijze en binnen welke termijn verzet of hoger beroep kan aangetekend worden.

Altijd na te kijken, dus.

  1. Aanvangstermijn van de 15 dagen ?

Van belang bij het bovenstaande is dat de zinsnede “of in het buitenland terug in vrijheid werd gesteld.” niet de situatie voor ogen heeft waarbij iemand omwille van een Belgisch EAB in een andere lidstaat voorlopig in vrijheid wordt gesteld ofte een tijdelijke ‘schorsing’ krijgt van zijn EAB-arrestatie.

Het is pas na een eindbeslissing over de tenuitvoerlegging van het EAB (die meestal gepaard zal gaan met de effectieve overlevering naar België, maar soms ook met een invrijheidstelling in de eigen lidstaat ), dat de termijn kan beginnen lopen.

Dat is ook logisch, aangezien men anders dreigt terecht te komen in de situatie die men nu net tracht te vermijden door art 4bis §1 van het Europese EAB-kaderbesluit : wel overgebracht worden naar een andere lidstaat, maar ginds niet meer de beslissing ten gronde kunnen aanvechten.

Dan zou men letterlijk ‘overgeleverd’ worden aan de (soms toch Kafkaiaanse) Belgische justitie…

  1. Recente wijzigingen door de ‘Potpourri’ van onze Minister van Justitie ?

Met de recente “Potpourri II-wet” (wet van 28.01.2016, voor wat huidig onderwerp betreft in werking sinds 01.03.2016 jl) werd bovendien grondig gesleuteld aan het Belgische strafprocesrecht.

De mogelijkheid om op gegronde wijze verzet aan te tekenen werd daardoor danig ingeperkt.

Wanneer op ontvankelijke wijze – dus binnen de hierboven vermelde termijnen – verzet wordt aangetekend, kan de rechter het verzet nog steeds als “ongedaan” beschouwen.

Artikel 187, § 6 W.Sv. bepaalt voortaan:

   § 6. Het verzet wordt als ongedaan beschouwd :
1° indien de eiser in verzet, wanneer hij persoonlijk of in de persoon van een advocaat verschijnt en vaststaat dat hij kennis heeft gehad van de dagvaarding in de procedure waarin hij verstek heeft laten gaan, geen gewag maakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek bij de bestreden rechtspleging, waarbij het erkennen van de aangevoerde overmacht of reden overgelaten wordt aan het soevereine oordeel van de rechter;
2° indien de eiser in verzet nogmaals verstek laat gaan bij zijn verzet, en dat in alle gevallen, ongeacht de redenen voor de opeenvolgende verstekken en zelfs indien het verzet reeds ontvankelijk werd verklaard.

De bij verstek veroordeelde dient dan ook voortaan aan te tonen dat er sprake is geweest van overmacht of een wettige reden van verschoning waardoor hij niet aanwezig kon zijn bij de procedure waarin hij verstek heeft laten gaan.

Kan dit niet worden aangetoond, dan wordt het verzet ongedaan verklaard.

Op die manier komt uiteraard een moeilijke bewijslast te liggen op de bij verstek veroordeelde.

Wordt het verzet door de rechter uiteindelijk ongedaan verklaard, dan voorziet de wet wel dat hoger beroep tegen deze beslissing kan worden aangetekend.

Dergelijk hoger beroep houdt vervolgens in dat de grond van de zaak bij de rechter in beroep aanhangig wordt gemaakt.

Artikel 187, § 9 W.Sv. bepaalt namelijk:

Ҥ 9. Tegen de beslissing die op verzet is gewezen staat hoger beroep open of, indien zij gewezen is in hoger beroep, cassatieberoep.
Hoger beroep tegen de beslissing die het verzet als ongedaan beschouwt, houdt in dat de grond van de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de rechter in hoger beroep, ook al is er geen hoger beroep ingesteld tegen het bij verstek gewezen vonnis.”

De beroepsrechter zal dus volledig over de grond van de zaak dienen te oordelen en is niet beperkt tot de vraag of het verzet wel degelijk als ongedaan dient te worden beschouwd.

Christian Clement, Matthias Boeckstijns & Sarah Kloeck.

Aarzel niet om ons te contacteren indien u met een vonnis op verstek of een Belgisch EAB geconfronteerd wordt !

Medialinks:

http://www.handbook.ecba-eaw.org

Racisme en vrijheid van meningsuiting …

Naar aanleiding van het overlijden van de 15-jarige Belgische jongen in Marokko en de talloze negatieve reacties op sociale media en nieuwswebsites die daarop volgden, woedde het debat over racisme en vrijheid van meningsuiting weer volop.

Sommigen zijn van mening dat dergelijke reacties steevast onder de vrijheid van meningsuiting vallen.

Ook wordt luidop de vraag gesteld wat er gebeurd is met onze vrijheid om te kwetsen, hetgeen toch inherent is aan de vrijheid van meningsuiting.

Verschillende verenigingen, besturen en personen vragen zich daarentegen af of de verschillende racistische reacties die werden gepost niet strafrechtelijk gesanctioneerd kunnen worden.

Zij zijn van oordeel dat het gaat om racisme en vragen zich af of en onder welke voorwaarden dit strafbaar is.

De wet tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenophobie ingegeven daden van 30 juli 1981 bepaalt in dat verband de omstandigheden waaronder racisme strafbaar wordt gesteld.[i]

Artikel 20 van de wet stelt strafbaar hij die in een van de in artikel 444 van het Strafwetboek bedoelde omstandigheden aanzet tot discriminatie, haat of geweld jegens een persoon, een groep, een gemeenschap of de leden ervan en dit wegens een van de beschermde criteria.

De beschermde criteria zijn: nationaliteit, ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming (artikel 4, 4° van de wet).

De in artikel 444 van Strafwetboek bedoelde omstandigheden zijn:

–          Hetzij in openbare bijeenkomsten of plaatsen;

–          Hetzij in tegenwoordigheid van verscheidene personen, in een plaats die niet openbaar is, maar toegankelijk voor een aantal personen die het recht hebben er te vergaderen of ze te bezoeken;

–          Hetzij om het even welke plaats, in tegenwoordigheid van de beledigde en voor getuigen;

–          Hetzij door geschriften, al dan niet gedrukt, door prenten of zinnebeelden, die aangeplakt, verspreid of verkocht, te koop geboden of openlijk tentoongesteld worden;

–          Hetzij ten slotte door geschriften, die niet openbaar gemaakt, maar aan verscheidene personen toegestuurd of meegedeeld worden.

Artikel 21 van de wet stelt bovendien strafbaar hij die in de in artikel 444 van het Strafwetboek bedoelde omstandigheden, denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat verspreidt.

Belangrijk in dit verband is bovendien artikel 22 van de wet van 30 juli 1981.

Deze bepaling stelt dat hij die behoort tot een groep of tot een vereniging die kennelijk en herhaaldelijk discriminatie of segregatie wegens een van de beschermde criteria verkondigt in de in artikel 444 van het Strafwetboek bedoelde omstandigheden, dan wel aan zodanige groep of vereniging zijn medewerking verleent, gestraft kan worden.

Het hof van beroep te Gent heeft m.b.t. deze bepaling nadrukkelijk geoordeeld dat de zogenaamde groep of vereniging geen rechtspersoonlijkheid dient te hebben, zodat elke ‘groep’ of ‘vereniging’ onder deze bepaling valt[ii].

Maakt men deel uit van een feitelijke vereniging die discriminatoire gedachten vertolkt, dan kan men met andere woorden strafbaar worden gesteld.

Het “vertolken” van discriminatie of segregatie dient in dat verband echter wel te worden begrepen als het aanzetten tot discriminatie in de zin van artikel 20 van de wet.

Een persoon kan dus maar strafbaar worden gesteld als hij behoort tot of zijn medewerking verleent aan (bvb een webmaster, …) een groep of vereniging in zoverre de activiteiten van deze groep of vereniging onder de toepassing van artikel 20 van de wet vallen.

De bepaling van artikel 22 gaat daarmee beduidend verder dan de bepalingen van artikel 20 en 21 van de wet van 30 juli 1981.

Uiteraard zal wel steeds moeten worden aangetoond dat men met zekerheid heeft behoord tot een bepaalde groep of vereniging.

Teruggekoppeld naar het overlijden van de 15-jarige Belgische jongen in Marokko, blijkt dan ook dat het online posten van racistische commentaren of reacties zonder twijfel onder de voorwaarden van de wet van kan 30 juli 1981 vallen.

Meer bepaald artikel 21 stelt het publiceren van racistische denkbeelden strafbaar.

Alle personen die een racistische commentaar hebben geplaatst kunnen op grond van deze bepaling dus wel degelijk gestraft worden.

De vrijheid van meningsuiting is dus geen absoluut recht.

Artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) bepaalt immers dat de vrijheid van meningsuiting door een nationale wet aan beperkingen kan onderworpen worden (artikel 10, lid 2 EVRM).

Is een persoon slachtoffer van racisme en discriminatie op grond van de wet van 30 juli 1981, dan kan klacht worden ingediend tegen de dader.

Deze klacht kan worden ingediend door het slachtoffer zelf of door het interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme of een belangenvereniging zoals bedoeld in artikel 32 van de wet (artikel 14, §1 en 2 van de wet).

Het is dus perfect mogelijk dat een derde die niet het rechtstreekse slachtoffer is van de racisme het interfederaal Centrum contacteert om op die manier een klacht tegen de dader of daders te bekomen.

Is het slachtoffer een geïdentificeerd natuurlijk persoon of een rechtspersoon, dan is de vordering van het interfederaal Centrum of een belangenvereniging echter enkel ontvankelijk indien kan worden aangetoond dat het slachtoffer instemt met de klacht (artikel 33 van de wet).

De wet van 30 juli 1981 is een niet te onderschatten instrument in de bestrijding van racisme en discriminatie.

De wet bepaalt op ruime wijze in welke gevallen sprake is van racisme en discriminatie.

Het online publiceren van discriminatoire gedachten valt op die manier onder de strafbaarstelling van artikel 21 van de wet en kan worden gestraft.

Het deel uitmaken van of het meewerken aan een feitelijke vereniging die discriminatoire gedachten vertolkt (in de zin van artikel 20 van de wet) houdt eveneens een strafbaarheid in.

De vrijheid van meningsuiting wordt op die manier dan ook beperkt, zodat men niet om het even wat mag schrijven of publiceren.

Wordt een persoon in een online post toch gediscrimineerd, dan kan klacht worden ingediend door het slachtoffer zelf of door het interfederaal Centrum of een belangenvereniging.

 

Heeft u verdere vragen omtrent een klacht wegens racisme, aarzel dan zeker niet om ons te contacteren.

Christian Clement, Joost Peeters & Matthias Boeckstijns.

 

Voetnoten :

[i]http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_loi/change_lg.pl?language=nl&la=N&amp
;cn=1981073035&table_ name=wet
.

[ii] Gent, 4 november 2014, R.W. 2015-16, 267-275

 

Medialinks :

http://www.gva.be/cnt/dmf20160802_02408756/sociale-media-reageren-met-afgrijzen-op-vreselijke-reacties-mensen-generen-zich-niet-meer;

http://www.hbvl.be/cnt/dmf20160802_02408624/dood-van-15-jarige-genkenaar-lokt-schandalige-reacties-uit;

http://www.standaard.be/cnt/dmf20160802_02408832;

http://www.standaard.be/cnt/dmf20160802_02408647;

http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/binnenland/1.2727535.

http://ictrecht.be/featured-2/vrijheid-om-kwetsen-verloren-recht/;

http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/opinieblog/opinie/1.2735578.

http://www.studio-legale.be/anonieme-internetcommentaren-kunnen-niet-worden-bestempeld-als-valsheid-in-informatica/?lang=nl

 

[i] http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_loi/change_lg.pl?language=nl&la=N&cn=1981073035&table_name=wet.

[ii] Gent, 4 november 2014, R.W. 2015-16, 267-275

Getuigenverhoor ter zitting : mag men in België zowaar stilaan zijn onschuld bewijzen..?

Elke penalist onder de Moerdijk zal het zuchtend beamen: getuigen dagvaarden ter zitting met de bedoeling om ze te laten horen in de strafzaak van je cliënt mocht iedereen. Ze daadwerkelijk gehoord krijgen, laat staan ze zelf ondervragen, was echter zéér weinigen gegund…

Op het eerste zicht leek dit voor elke rechtgeaarde jurist zo evidente onderdeel van het recht op een eerlijk proces en de daarbij horende wapengelijkheid tussen de vervolgende instantie (in België het OM, vertegenwoordigd door de Procureur des Konings in eerste aanleg en de Procureur-generaal in graad van beroep) en de verdediging nochtans duidelijk verwoord in het artikel 6.3.d van het EVRM :

“3. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:

                        d. de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge;”

 In tegenstelling tot de accusatoire Angelsaksische landen (ofte dus de meeste ‘rechtbankscènes’ in films en op televisie…) , kent België echter een van oorsprong inquisitoire strafrechtelijke procedure, dwz. waar de rechter het onderzoek dirigeert en dus ook het nut van een getuigenverhoor mag beoordelen. Dit lezen we dan ook terug in de artikelen 153 (politierechtbanken) en 190 (correctionele rechtbanken) van ons Wetboek van Strafvordering :

de getuigen voor en tegen worden gehoord, indien daartoe grond bestaat”

 Via ons Hof van Cassatie kreeg de bovenvermelde duidelijke Europese (ofte ‘supranationale’) bepaling van art 6.3.d. van het EVRM rond het getuigenverhoor ter zitting door de loop van de jaren heen dan ook de volgende vernauwde invulling :

    • Het recht op een eerlijk proces houdt volgens het Hof van Cassatie niet in dat de beklaagde zoveel getuigen moet kunnen oproepen als hij nodig acht om zijn verweer te kunnen voeren. Een onbeperkt ondervragingsrecht leidt ertoe dat de verdachte de procedure kan afremmen door de rechter te bestoken met zinloze getuigenissen. Tevens zou de leiding van het proces niet meer toekomen aan de rechter (inquisitoir), maar aan de partijen (accusatoir).[1]
    • De rechter oordeelt op onaantastbare wijze over de noodzaak van een getuigenverhoor à décharge.[2]
    • De rechter mag een selectie maken uit het aanbod van getuigen en is niet verplicht de getuigen te ondervragen die reeds door de beklaagde zijn opgeroepen.[3]
    • Een door de verdediging bij schriftelijke conclusies gevraagd getuigenverhoor, kan door de rechter geweigerd worden door middel van een wel heel beperkte motivering : een afwijzing “bij gemis aan belang[4] of de zinsnede dat het “niet noodzakelijk is voor de waarheidsvinding”[5] kan volstaan.

Na heel wat eerdere en op elkaar voortbouwende princiepsarresten van het EHRM tegen andere lidstaten omtrent het recht op getuigenverhoor uit art 6.3.d EVRM[1], werd België op 14 juni 2016 jl veroordeeld en schijnt het EHRM (eindelijk) paal en perk te stellen aan bovenvermelde heersende cassatierechtspraak.

Het arrest Riahi / België van het EHRM van 14 juni 2016 kan niet anders dan als een keerpunt gezien worden voor het getuigenverhoor ter zitting in het Belgische strafprocesrecht, en wel omwille van de volgende duidelijke bewoordingen :

  • Het Hof stelt vervolgens vast dat het hof van beroep het verzoek van de verzoeker om D. te verhoren, heeft afgewezen. Het Hof stelt vast dat de rechtbank haar beslissing heeft gemotiveerd met de opmerking dat de schuld van de verzoeker voldoende blijkt ui de omstandige, precieze en genuanceerde verklaringen van D., afgelegd tegenover de politie en bevestigd tijdens het verhoor door de onderzoeksrechter. Het Hof merkt op dat het hof van beroep zich niet heeft beroepen op een verhindering van de getuige om ter terechtzitting een verklaring af te leggen. Het hof van beroep heeft evenmin een feitelijke, procedurele of juridische reden aangehaald die het verhoor van de getuige kan verhinderen”.[2]
  • “Het recht om belastende getuigen vragen te (doen) stellen is een waarborg voor het recht op een eerlijk proces, daar het niet alleen de wapengelijkheid tussen de aanklager en de verdediging beschermt maar de verdediging en Justitie ook een essentieel instrument biedt om de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van die belastende verklaringen te controleren en zo dus ook de gegrondheid van de tenlastelegging”.[3]
  • “Het Hof stelt vast dat het hof van beroep de verklaringen van D., afgelegd tegenover de politie en de onderzoeksrechter, heeft geanalyseerd en hun omstandig, precies en genuanceerd karakter heeft benadrukt. Het Hof onthoudt echter dat zulk verhoor op zichzelf niet kan volstaan om het ontbreken van het getuigenverhoor te compenseren voor de verdediging. Hoe rigoureus dit onderzoek door de vonnisrechter ook wordt gevoerd, dit behelst slechts een onvoldoende controle in die zin dat het niet toelaat te beschikken over elementen die voortkomen uit een openbare confrontatie tussen de beklaagde en de aanklager.

Hiermee rekening houdende, meent het Hof dat de doorslaggevende aard van de verklaringen van D., zonder confrontatie met de beklaagde in een openbare terechtzitting, er toe leidt dat de rechter, hoe zorgvuldig hij de verklaring ook onderzoekt, de betrouwbaarheid van dat bewijs niet accuraat en eerlijk kunnen beoordelen.

Het Hof besluit dan ook dat de rechten van verdediging onderworpen zijn aan een beperking die niet verzoenbaar is met het recht op een eerlijk proces, de procedure in zijn geheel bekeken. Er is dan ook een schending van artikel 6 §1 en §3 (d).”[1]

 Laat ons hopen dat de Belgische correctionele rechters ten gronde er ook zo over denken, te meer nu door de tweede ‘Potpourriwet’ van 5 februari 2016 jl ook de zwaarste misdrijven voor hun kamers kunnen gebracht worden, daar waar deze levensdelicten voordien altijd voor het Hof van Assisen moesten behandeld werden voor een jury van 12 burgers die ter zitting overgingen tot het onderzoek van de zaak via … getuigenverhoren ter zitting.

[1] DE SMET, B., “Oproepen en ondervragen van getuigen à décharge”, noot onder Cass. 23 november 2010, R.W. 2011-2012, nr 7, pag 369-370
[2] oa. Cass. 29 oktober 1985, Arr. Cass. 1985-86, 135
 [3] oa. Cass. 3 november 1987, Arr. Cass. 1987-88, 140
[4] oa. Cass. 17 oktober 1990, Arr. Cass. 1990-91, 189
[5] oa. Cass. 23 november 2010, R.W. 2011-2012, nr 7, pag 367-370 met noot DE SMET, B.
[6] Zie oa. EHRM 23 april 1997, Van Mechelen ea. / Nederland ; EHRM 13 oktober 2005, Bracci / Italië, nr. 36822/02 ; EHRM 28 september 2010, A.S. / Finland, nr. 40156/07 ; EHRM 15 december 2011, Al-Khawaja en Tahery / V.K., nr. 26766/05 en 22228/06 ; EHRM 13 maart 2012, Karpenko / Rusland, nr. 5605/04 ; EHRM 22 november 2012, Tseber / Tsjechië, nr. 46203/08 ; EHRM 15 december 2015, Schatschaschwili / Duitsland, nr. 9154/10 ; EHRM 24 mei 2016, Przydzial / Pol
en, nr 15847/08
[7]EHRM 14 juni 2016, Riahi / België, nr. 65400/10, § 36 (vrije vertaling)
[8]EHRM 14 juni 2016, Riahi / België, nr. 65400/10, § 39 (vrije vertaling)
 [9]EHRM 14 juni 2016, Riahi / België, nr. 65400/10, § 41-43 (vrije vertaling)

Heeft u vragen of opmerkingen bij dit artikel, aarzel dan niet om contact met ons op te nemen.

Medialinks:

‘Criminele kamer’ bespreekbaar voor Vlaamse Balies
http://www.standaard.be/cnt/dmf20160903_02452474
http://www.standaard.be/cnt/dmf20160907_02458681
https://www.facebook.com/Studio-Legale-140460979359015/?fref=ts
https://www.jubel.be/getuigenverhoor-ter-zitting-mag-men-belgie-zowaar-stilaan-zijn-onschuld-bewijzen/
http://www.demorgen.be/binnenland/justitieminister-koen-geens-voorziet-nieuwe-assisenprocedure-bb34beac/
 
 

Woekerprijzen voor concerttickets aan banden gelegd… maar niet altijd even makkelijk om je geld terug te krijgen.

Doorwinterde concertfans zullen het al wel eens mee hebben gemaakt: het concert van je favoriete band werd meteen uitverkocht, je viel net buiten de boot en je vond later via het internet toch nog een ticket, weliswaar aan het drievoudige van de prijs. Of net andersom: je kan onverwachts niet naar een concert of festival en je wilt je ticket doorverkopen, waarbij de verleiding er natuurlijk is om ook een centje te verdienen (echte eerlijke muziekliefhebbers zullen niet in deze verleiding komen).

Deze praktijken behoren in België sinds 30 juli 2013 tot het verleden door de Wet betreffende de verkoop van toegangsbewijzen tot evenementen. Het principe van de wet is eenvoudig: het is strikt verboden om tickets voor concerten, festivals,… door te verkopen voor een prijs, die hoger ligt dan diegene die werd aangerekend door de organisator en die door de doorverkoper dus zelf betaald werd. Je kan dus als koper al hetgeen dat je bovenop de oorspronkelijke verkoopprijs betaalde aan de doorverkoper van hem terugvorderen. Als je zelf een ticket aan een verhoogde prijs hebt aangekocht, moet je oppassen wanneer je zelf nogmaals aan een verhoogde prijs doorverkoopt. Je zal mogelijkerwijze aan de koper alles bovenop de oorspronkelijke prijs moeten terugbetalen, en niet enkel hetgeen je zelf extra aanrekende.

Wil je een business model maken van doorverkoop van tickets, dan ben je er ook aan voor de moeite, zelfs indien je niets bovenop de oorspronkelijk prijs vraagt (je slaat bijvoorbeeld tickets in onder de prijs van mensen die er zelf vanaf moeten, en verkoopt ze door aan de oorspronkelijke prijs). De wet verbiedt strikt elke regelmatige doorverkoop en laat enkel maar occasionele doorverkoop toe. De regelmatige doorverkoper stelt zich bloot aan burgerrechtelijke en strafrechtelijke vervolging.

Bij overtredingen van de wet kan de overheid een minnelijke schikking voorstellen aan de verkoper. De ambtenaren van de Algemene Directie Controle en Bemiddeling van de FOD Economie zijn bevoegd om eventuele inbreuken op te sporen en vast te stellen. Ze hebben een ruime bevoegdheid gekregen. Ze kunnen bijvoorbeeld binnentreden in lokalen en vertrekken en ze kunnen beslag leggen op documenten. Bijstand van de politie is mogelijk.

Bij gebrek aan betaling van de minnelijke schikking wordt het PV overgemaakt aan de Procureur des Konings.

Het teveel betaalde terugvorderen klinkt echter makkelijker dan het daadwerkelijk is.

Vaak gebeurt verkoop van tickets via het internet (bv. via TicketSwap) en is de beschikbare informatie van de verkoper beperkt tot een profielnaam en/of een e-mailadres. Soms berusten profielnaam en e-mailadres op fictieve namen, waardoor identificatie van de werkelijke verkoper moeilijk wordt. Daarom is het aan te raden, in de mate van het mogelijke, steeds uitgebreidere identiteitsgegevens van de verkoper te vragen bij aankoop van tickets via het internet. Daarnaast kan je aan de aanbieders van de verkoopsplatformen om gegevens van de verkoper vragen, maar dit komt mogelijks in conflict met de privacywetgeving.

De vraag stelt zich ook of de aanbieders van de verkoopsplatformen (bv. TicketSwap, Ebay,…) kunnen aangesproken worden, indien bv. de verkoper niet traceerbaar is. In principe is dit mogelijk volgens de Wet, nu ook “de verstrekking van middelen die worden aangewend voor een doorverkoop” volgens de Wet verboden is. In een arrest van 30 april 2015 heeft het Grondwettelijk Hof echter beslist dat op de uitbaters van elektronische platformen geen actieve toezicht – verplichting rust, maar dat van hen enkel verwacht kan worden dat zij optreden indien ze op de hoogte gesteld worden van een overtreding van de Wet. Dit perkt de mogelijkheden om je geld terug te vorderen van de uitbaters van de elektronische platformen natuurlijk stevig in. Er zijn echter platformen die enkel tickets verhandelen en toelaten indien bv. maximaal 120% van de prijs wordt gevraagd. Hiermee wordt actieve overtreding van de wet eigenlijk in de hand gewerkt en is de kans groot dat je van zulke platformen je geld kan terugvragen.

Het feit deze platformen vaak buitenlandse vennootschappen zijn, legt een ander pijnpunt bloot. Tickets worden vaak over de landsgrenzen verhandeld, en de vraag of de Belgische wetgeving en de beperking van de ticketprijs wel van toepassing is, hangt van verschillende factoren af.

Kortom: de Wet van 30 juli 2013 biedt je de mogelijkheid om steeds hetgeen je bovenop de oorspronkelijke ticketprijs betaald hebt, terug te vorderen, maar er liggen wel wat hindernissen in de weg: identificatie van de verkoper, elektronische handelsplatformen die eventueel moeilijk doen, terugvorderen over de landsgrenzen heen… In deze gevallen strekt het tot aanbeveling een advocaat te raadplegen. Studio Legale geeft je graag een eerste advies over de mogelijkheden om in jouw specifieke geval terug te vorderen, eveneens gelet op een kosten/batenanalyse. Indien je veel teveel voor een al duur ticket betaald heeft, loont het zich hoogstwaarschijnlijk wel.

Contacteer ons!

Medialinks:

http://economie.fgov.be/nl/consument/bedrog/voorbeelden/doorverkoop_concerttickets/#.V76oB6JzKNg

https://www.facebook.com/Studio-Legale-140460979359015/?fref=ts

1.

Tegenwoordig krijgen internetgebruikers meer en meer de mogelijkheid om hun mening over een of andere dienst kenbaar te maken.

Denk wat dat betreft maar aan reisbureaus, restaurants, hotels, internetwinkels, enz.

Ook op internetfora allerhande bestaat de mogelijkheid om ongezouten zijn of haar mening te geven.

Recent diende het Hof van Beroep te Gent zich uit te spreken over de vraag of zo’n anoniem geplaatste commentaar op het internet als valsheid in informatica kan worden bestempeld (art. 210bis van het Strafwetboek).[1]

In de te beoordelen zaak had de beklaagde zich valselijk uitgegeven als cliënt van twee advocaten.

Op het internet had hij vervolgens verschillende negatieve commentaren geplaatst over deze advocaten.

De vraag bestond erin of deze commentaren als valsheid in informatica dienden te worden beschouwd.

2.

Valsheid in informatica vereist wat dat betreft volgende constitutieve bestanddelen:[2]

–          vervalsing van de waarheid via datamanipulatie;

–          gebruikmakend van een informatiesysteem of technologisch middel;

–          een bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden;

–          een verandering van de juridische draagwijdte van de gegevens.

Met betrekking tot deze laatste voorwaarde stelt het Hof van Beroep dat een anoniem geplaatste commentaar op het internet waarbij de gebruiker zijn of haar subjectieve beleving weergeeft geen valsheid in informatica uitmaakt.[3]

Er kan immers niet redelijk worden aangenomen dat dergelijke commentaren, die per definitie nagenoeg oncontroleerbaar zijn, temeer wanneer ze anoniem worden gedaan, en waarvan de juridische draagwijdte uiterst beperkt is, van aard zijn om de gemiddelde bezoeker van de betrokken website zonder meer te overtuigen van de waarachtigheid en juistheid van de vermelde commentaar of van de hoedanigheid van diegene die de commentaar plaatste, aldus het Hof.[4]

3.

Dat het anoniem plaatsen van negatieve commentaren op het internet geen valsheid in informatica uitmaakt, houdt echter geen vrijgeleide in om voortaan over om het even wie valse informatie te verspreiden op het internet.

Dergelijke handelingen kunnen nog steeds strafbaar worden gesteld onder de vorm van andere misdrijven, zoals bijvoorbeeld valse naamdracht, laster en eerroof of belaging.[5]

Daarnaast blijft uiteraard steeds de mogelijkheid bestaan om een schadevergoeding te vorderen bij de burgerlijke rechter.

 

Heeft u zelf twijfels bij het plaatsen van een commentaar of wenst u iets te ondernemen tegen een anoniem geplaatste commentaar, aarzel dan niet om ons te contacteren.

 

Matthias Boeckstijns

Christian Clement

 

[1] Gent 19 mei 2015, RABG 2016/1, 54.

[2] A. DE NAUW, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Mechelen, Kluwer, 2010, 35.

[3] Gent 19 mei 2015, RABG 2016/1, 54.

[4] Gent 19 mei 2015, RABG 2016/1, 54.

[5] V. VEREECKE, “Anonieme internetcommentaren dringen zich niet op aan de openbare trouw” (noot onder Gent 19 mei 2015), RABG 2016/1, 73.

In 2004 ging in de schoot van het wereld anti-dopingagentschap, of kort gezegd “WADA”, een anti-dopingcode van kracht (WADA-code). Aan de hand van deze code wordt getracht regelgeving en sancties omtrent doping wereldwijd te harmoniseren.

Op 15 november 2013 werd door WADA in het Zuid-Afrikaanse Johannesburg een wijziging van de WADA-code aanvaard. De deelnemende lidstaten moeten de wijzigingen tegen 2015 omzetten in eigen wetgeving. De nieuwe WADA-code zal met ingang van 1 januari 2015 van kracht worden.[1]

Het ontwerpdecreet over de nieuwe antidopingcode is op 7 november 2014 door de Vlaamse regering goedgekeurd. De nieuwe wijzigingen bestaan onder andere uit: een verhoging van de strafmaat van 2 naar 4 jaar, een optrekking van de verjaringstermijn van 8 naar 10 jaar en het optreden tegen de trainers en de begeleiders van de betrokken sporter.[2] Het is duidelijk dat er een verstrenging werd doorgevoerd in plaats van een versoepeling.

In dopingzaken is er van een eerlijk proces weinig sprake. Wanneer er een verboden stof in het lichaam van een sporter gevonden wordt, ontstaat er een onweerlegbaar vermoeden van schuld dat die sporter een dopinginbreuk heeft begaan. Het principe dat in dopingzaken wordt gehanteerd is ‘schuldig tot het tegendeel bewezen is’. De betrokken sporter moet nu zelf gaan aantonen dat het bewijs van aanwezigheid van verboden stof in zijn lichaam gebrekkig is. Hij moet proberen te bewijzen dat er fouten gemaakt zijn tijdens de procedure. Dit is een onredelijk zware opdracht voor de sporter, zijn goede naam wordt hierdoor ook al besmeurd. Denk maar aan de pijnlijke zaak van tienkamper Thomas Van der Plaetsen: Een positieve dopingtest werd bij hem vastgesteld waardoor hij onterecht als dopingzondaar bestempeld werd (de positieve test was te wijten aan teelbalkanker).[3]

In Vlaanderen hebben we aangenomen dat de overtreding vaststaat zonder dat een intentie moet worden bewezen. Als onschuldige sporters even zwaar gestraft worden als schuldige sporters, wordt een negatief signaal de wereld ingestuurd. De fundamentele rechten van de sporter dreigen hierbij aangetast te worden.[4]

Wielrenner Bjorn Leukemans werd door de disciplinaire raad van de Vlaamse gemeenschap veroordeeld tot 9 maanden schorsing. Na een tegenaanval van de advocaat van Leukemans, werd de schorsing vernietigd. De motivering van de Raad van State luidde als volgt: “Als een sanctie wordt opgelegd, is het aan de tuchtorganen om te bewijzen dat de sporter in de fout is gegaan. Er kan geen sprake zijn van een aansprakelijkheid van de sporter waardoor de bewijslast wordt omgekeerd.

Dit was een historische uitspraak in de dopingrechtspraak. Laat ons hopen dat ze die uitspraak nog veel zullen gebruiken in de komende dopingzaken. In het licht hiervan is de verstrenging ongehoord.

“Dit betekent meteen ook dat er geen sprake kan zijn van een foutloze aansprakelijkheid in hoofde van de sporter waardoor de bewijslast zou worden omgekeerd. In tegendeel brengt de mogelijkheid tot het opleggen van enige tuchtsanctie door de Sportbonden en tuchtoverheden, met zich mee dat het aan die organen toekomt te bewijzen dat de betrokken sporter in de fout is gegaan, of nog dat hij schuld heeft aan zijn positieve dopingtest. Wanneer aldus zou komen vast te staan dat die sporter wel degelijk schuld treft, kan het betrokken tuchtorgaan een sanctie opleggen, maar dan nog steeds rekening houdende met alle elementen van het dossier, hetgeen van belang kan zijn bij het bepalen van de strafmaat. Wanneer de sporter niets valt te verwijten en hij derhalve geen schuld treft, kan hij ook niet gesanctioneerd worden.”[5]

 

 

 

 

[1] KABINET P. MUYTERS, “Nieuwe WADA-code strenger, slimmer en klantvriendelijker”, Brussel, 15 november 2013.

[2] “Philippe Muyters: “Nieuwe antidopingcode is strenger maar menselijker””, Het Laatste Nieuws, 7 november 2014.

[3] “Belgische atleet moet niet meer bewijzen hoe doping in zijn lichaam komt.” Het Nieuwsblad, 20 juli 2012.

[4] L. Declerq, “De bestraffing van dopingpraktijken in topsport”, Jura Falconis, Jg.48, 2011-2012, nummer3.

[5] Arr. RvS nr. 220.084, 28 juni 2012.

Hoofdwebsite Contact
afspraak maken upload






      GDPR proof area
      Upload uw documenten





      sleep uw documenten naar hier of kies bestand


      sleep uw briefwisseling naar hier of kies bestand











        Benelux (€... )EU (€... )Internationaal (prijs op aanvraag)

        Door de aanvraag in te dienen, verklaart u zich uitdrukkelijk akkoord met onze algemene voorwaarden en bevestigt u dat u onze privacyverklaring aandachtig heeft gelezen. Het verzenden van deze aanvraag geldt als een opdrachtbevestiging.
        error: Helaas, deze content is beschermd!