maart 2026 - STUDIO-LEGALE
Maand: maart 2026
PDF

Mag een aandeelhouder, in het kader van fiscale optimalisatie, alle winsten binnen zijn bedrijven houden en zich onthouden van het betalen van zijn privéschulden? Het Hof van Cassatie heeft zich over deze kwestie uitgesproken in een arrest van 21 oktober 2025[1]: bepaalde (fiscale) keuzes kunnen – wanneer er sprake is van een zekere en opeisbare privéschuld – worden gelijkgesteld met frauduleuze insolventie. A – De feiten

De verdachte had tientallen jaren gewerkt aan het opbouwen van winstgevende bedrijven. Tussen 2009 en 2021 bleek echter dat hij opzettelijk zijn insolventie had georganiseerd.

Concreet had hij jaar na jaar besloten:

  • zichzelf geen marktconforme vergoeding toe te kennen,
  • geen dividenden of premies uit te keren
  • de tegoeden op de rekening-courant niet over te schrijven naar zijn privévermogen

De winsten bleven systematisch binnen zijn bedrijven, terwijl talrijke kosten (zoals nutsvoorzieningen, vervoer en huisvesting) door zijn bedrijven werden gedragen. Hij leidde dus een luxueuze levensstijl dankzij zijn bedrijfsstructuren, zonder echter over enige in beslag te nemen activa op eigen naam te beschikken.

In september 2009 werd hij bij definitieve rechterlijke uitspraak veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 618.114,81 aan de schuldeiser. Door de opgezette vermogensstructuur was de gedwongen invordering van deze schuld echter bijzonder moeilijk.

Voor het Hof van Beroep te Gent erkende de aandeelhouder dat hij geen in beslag te nemen goederen op zijn naam had, maar voerde hij fiscale motieven aan om deze situatie te rechtvaardigen.

In een arrest van 26 mei 2025 oordeelde het Hof van Beroep te Gent echter dat dergelijke fiscale motieven alleen relevant waren voor zover de betrokkene geen vaststaande en opeisbare schuld had. Het Hof was dan ook van oordeel dat de verdachte op frauduleuze wijze zijn insolventie had georganiseerd om de gedwongen invordering van zijn schuld te belemmeren. De verdachte werd dan ook veroordeeld tot een strafrechtelijke sanctie en tot het betalen van schadevergoeding aan zij schuldeiser.

De veroordeelde besloot cassatieberoep in te stellen, maar dit werd door het Hof van Cassatie in een arrest van 21 oktober 2025 verworpen. Het Hof oordeelde namelijk dat een persoon zich schuldig maakt aan het misdrijf van frauduleuze insolventie wanneer hij niet over voldoende activa beschikt om aan de vordering van zijn schuldeiser te voldoen en zijn insolventie simuleert door zichzelf slechts een beperkte vergoeding uit te keren binnen de bedrijfsstructuren die hij zelf heeft opgezet.

Het Hof was van oordeel dat de uitbetaalde vergoeding niet in verhouding stond tot zijn verantwoordelijkheden binnen de vennootschappen, hun vermogen of hun resultaten, noch tot zijn minimale financiële behoeften.

De verdachte werd dan ook schuldig bevonden aan het frauduleus organiseren van zijn insolventie.

B – Definitie van het misdrijf van frauduleuze organisatie van insolventie

Dit misdrijf kan worden gedefinieerd als een overtreding waarbij de schuldenaar, met het oogmerk zich te onttrekken aan de rechten van zijn schuldeiser, opzettelijk en frauduleus zijn vermogen geheel of gedeeltelijk verduistert, verbergt of ontoegankelijk maakt. Dit houdt in dat hij het vermogen feitelijk of juridisch onttrekt aan de rechten en verhaalsmogelijkheden van zijn schuldeiser. Deze overtreding kan ook het gevolg zijn van gedragingen die erop gericht zijn de groei van zijn vermogen op frauduleuze wijze te belemmeren.

In het Belgische recht wordt dit misdrijf bestraft door artikel 490bis van het Strafwetboek, dat heden voorziet in een gevangenisstraf van één maand tot twee jaar en een boete van 800 tot 4 miljoen euro (na toepassing van de aanvullende tienden).

Er zijn drie constitutieve elementen vereist:

  • het organiseren van de insolventie (materieel element)
  • het niet nakomen van verplichtingen (materieel element)
  • de frauduleuze opzet (moreel element)

Bij beoordeling van het morele element rijst de centrale vraag of er op het ogenblik van het betwiste gedrag sprake was van een schuld. Dit betreft een feitelijke vraag die onder de beoordelingsbevoegdheid van de strafrechter valt.

C – Verduidelijkingen door het Hof van Cassatie

In zijn arrest van 21 oktober 2025 heeft het Hof de grenzen van dit misdrijf afgebakend.

  • De volgorde van de constitutieve elementen

Ten eerste heeft het Hof bevestigd dat de chronologische volgorde van de twee materiële elementen – het organiseren van de insolventie en het niet nakomen van de verplichtingen – niet van belang is. Het misdrijf kan derhalve worden gepleegd wanneer de schuldenaar op frauduleuze wijze zijn insolventie organiseert in afwachting van de opeisbaarheid van een schuld. Het misdrijf wordt evenwel pas gepleegd op het ogenblik dat de schuld opeisbaar wordt.

Zelfs wanneer de schuld wordt betwist en het voorwerp uitmaakt van een procedure voor de burgerlijke rechter, kan, afhankelijk van de omstandigheden, sprake zijn van frauduleuze organisatie van insolventie

  • Vormen van frauduleuze handelingen

Over het algemeen is er sprake van frauduleuze organisatie van insolventie wanneer de schuldenaar, om aan de vorderingen van zijn schuldeiser te ontkomen, opzettelijk en frauduleus zijn vermogen geheel of gedeeltelijk laten verdwijnen, verbergt of ontoegankelijk maakt. In zijn arrest van 21 oktober 2025 bevestigt het Hof van Cassatie dat het frauduleus verhinderen van de groei van het vermogen ook onder deze overtreding valt. Volgens het Hof kunnen met name de volgende gedragingen deze overtreding kenmerken:

  • het jarenlang uitbetalen van een beperkte vergoeding die niet redelijkerwijs in verhouding staat tot de verantwoordelijkheden binnen deze vennootschappen, het vermogen of de resultaten van deze vennootschappen en de minimale financiële behoeften;
  • het langdurig uitblijven van de uitkering van dividenden of tantièmes ondanks het behalen van winst in de vennootschappen;
  • het aanleggen en verminderen van saldi op lopende rekeningen zonder duidelijke terugkeer naar het privévermogen;

Gedragingen die voorheen louter fiscale keuzes waren, kunnen voortaan een overtreding van frauduleuze insolventieorganisaite vormen, indien ze met de vereiste frauduleuze opzet zijn gepleegd.

  • De versterkte bescherming van schuldeisers in geval van fraude ten nadele van schuldeisers

Het Hof heeft bevestigd dat het bestaan van het misdrijf niet vereist dat de schuldeiser houder is van een uitvoerbare titel of dat hij alle rechtsmiddelen voor gedwongen invordering heeft ondernomen of uitgeput.

Het komt veeleer aan de rechter toe om de insolventie van de schuldenaar te beoordelen in het licht van het werkelijke vermogen van de schuldeiser om betaling van zijn vordering te verkrijgen.

  • Absolute insolventie is niet vereist

Uiteindelijk heeft het Hof van Cassatie bevestigd dat de dader van het misdrijf niet noodzakelijkerwijs volledig insolvent hoeft te zijn. Het feit dat hij nog over inkomsten beschikt die in beslag kunnen worden genomen, is niet van belang. Het volstaat dat zijn resterende vermogen onvoldoende is om zijn schuld te betalen of zijn verplichtingen na te komen. Het feit dat hij opzettelijk en frauduleus een deel van zijn vermogen laat verdwijnen, verbergt of ontoegankelijk maakt, is voldoende.

Volgens dit arrest moet de rechter bij de beoordeling van de insolventie van de schuldenaar rekening houden met de reële mogelijkheid voor de schuldeiser om zijn vordering te innen. Daarbij is de rechter niet verplicht om rekening te houden met activa waarover de dader slechts in theorie beschikt, omdat deze zodanig verborgen zijn dat een normaal handelende schuldeiser daarvan geen kennis kan hebben.

In de zaak die aanleiding gaf tot het cassatieberoep voerde de schuldenaar bijvoorbeeld aan dat de schuldeiser door een grondiger onderzoek had kunnen ontdekken dat hij aandeelhouder was van een andere vennootschap en dat de prestatiegelden of aandelen van deze vennootschappen in beslag hadden kunnen worden genomen.

Dit argument werd echter door het Hof van Beroep te Gent verworpen, omdat het Hof van oordeel was dat het slechts om een theoretische invorderingsmogelijkheid ging die in de praktijk niet haalbaar was. Volgens het Hof was het voor de schuldeiser de facto onmogelijk om de opeisbare schuld te innen vanwege de manier waarop de schuldenaar zijn vermogen had georganiseerd.

CONCLUSIE

Het arrest van het Hof van Cassatie van 21 oktober 2025 heeft de grens tussen legale fiscale optimalisatie en strafbaar gedrag verduidelijkt. Het benadrukt met klem aan dat de vrijheid van vermogens- en vennootschapsorganisatie haar grenzen kent wanneer er een zekere en opeisbare privéschuld bestaat. Vanaf dat moment kunnen keuzes die op zichzelf beschouwd onder voorzichtig fiscaal beheer vallen, wanneer zij systematisch en opzettelijk worden gemaakt, een daadwerkelijke frauduleuze insolventieorganisatie vormen.

Het is dan ook aangewezen bijzonder voorzichtig te zijn bij het maken van keuzes om uw vennootschap fiscaal te optimaliseren.

Als u vragen heeft over deze problematiek, kan u contact opnemen met [email protected] of onze website www.studio-legale.be raadplegen.

[1] Cass. 21 oktober 2025, P.25.0971.N

PDF

Sekswerk is al jaren aanwezig in België, zowel offline als online. Nieuw is dat het juridische kader nu wél aansluit bij die realiteit: sekswerkers kunnen voortaan werken binnen een duidelijk sociaal statuut, met de bijhorende arbeids- en socialezekerheidsbescherming. Die omslag maakt een wezenlijk verschil in de praktijk. Waar afspraken vroeger vaak in een grijze zone belandden, vertrekt de wetgeving nu van rechtszekerheid: wie als sekswerker werkt, doet dat op basis van een specifieke, schriftelijke en ondertekende arbeidsovereenkomst.

Die overeenkomst moet uiterlijk bij de start van de tewerkstelling worden opgesteld en ondertekend, en vormt de sleutel tot transparante afspraken over rechten, plichten en bescherming. In dit artikel leggen we uit wat dat nieuwe statuut betekent, welke voorwaarden gelden voor de tewerkstelling, en welke aandachtspunten essentieel zijn voor zowel werkgevers als sekswerkers.

Vóór 2022 zat een belangrijke kwetsbaarheid in het strafrechtelijke en arbeidsrechtelijke luik. In de praktijk werden overeenkomsten soms “omschreven” als andere activiteiten (horeca, massage), precies omdat een contract over seksuele diensten juridisch gevoelig lag. Het voorwerp van dergelijke overeenkomsten werd door een groot deel van de rechtspraak als strijdig met openbare orde en goede zeden beschouwd en als absoluut nietig gezien. Voor de betrokken sekswerker kon dat enorme gevolgen hebben: zodra “nietigheid” wordt opgeworpen, komt meteen ook de afdwingbaarheid van arbeids- en socialezekerheidsrechten onder druk te staan.

Die realiteit verklaart waarom de wetgever in 2022 een eerste bescherming heeft ingevoerd. De wet van 21 februari 2022[1] zorgt ervoor dat een werkgever zich niet zomaar kan beroepen op de “nietigheid” van het arbeidscontract om de sekswerker arbeidsrechten of sociale zekerheidsrechten te ontzeggen, enkel omdat het om prostitutie gaat. Dat was geen totaaloplossing, maar wel een duidelijke keuze: sociale bescherming mocht niet blijven afhangen van juridische kunstgrepen die net ontstaan waren door het ontbreken van een passend kader.

In datzelfde jaar kwam er bovendien ook een bredere strafrechtelijke kentering. Na jarenlang gedoogbeleid werd met de hervorming van het seksueel strafrecht prostitutie in België effectief gedecriminaliseerd.[2] Sindsdien konden sekswerkers legaal weliswaar als zelfstandige werken.

De echte omslag kwam er met de wet van 3 mei 2024[3]. Die wet creëert een specifieke “arbeidsovereenkomst voor sekswerker” en verankert die expliciet in het klassieke arbeidsrecht. Het gaat immers om een arbeidsovereenkomst in de zin van de wet van 3 juli 1978, waarop in principe arbeids- en socialezekerheidsrecht van toepassing zijn, behoudens de bijzondere regels uit de wet van 3 mei 2024. De wet maakt ook helder wat binnen dit statuut valt: “sekswerk” is het verrichten van daden van prostitutie in uitvoering van die arbeidsovereenkomst, en de sekswerker verricht dit tegen loon en onder gezag van een erkende werkgever.

De wetgever wil met dit nieuwe kader twee zaken tegelijk bereiken: sekswerkers beter beschermen (met aandacht voor veiligheid, welzijn en vooral vrije instemming) én uitbuiting voorkomen via strikte controle op wie als werkgever mag optreden. Daarom mogen sekswerkers alleen worden tewerkgesteld door een werkgever die vooraf een officiële erkenning heeft gekregen.

Voorwaarden aan de kant van de werkgever (erkenning en verplichtingen):

  • De werkgever moet een rechtspersoon zijn met een toegelaten rechtsvorm (bv. BV—geen eenpersoons-BV—, CV of vzw); natuurlijke personen komen niet in aanmerking;
  • De werkgever moet een (maatschappelijke of bedrijfs) zetel in België hebben;
  • De bestuurders moeten geïdentificeerd zijn;
  • Er gelden uitsluitingsgronden: bestuurders (en ook leidinggevend en toezichthoudend personeel) mogen niet veroordeeld zijn voor een reeks ernstige misdrijven (o.a. seksuele misdrijven, mensenhandel, geweld, enz.);
  • De statuten moeten uitdrukkelijk vermelden dat de kernrechten van sekswerkers worden gerespecteerd (zoals: niet kunnen worden gedwongen, kunnen weigeren, kunnen onderbreken/stoppen, voorwaarden kunnen stellen);
  • Tijdens de erkenningsperiode gelden ook praktische veiligheids- en organisatieverplichtingen, waaronder:
  1. een referentiepersoon die minstens continu bereikbaar is tijdens de prestaties;
  2. alarmknoppen in de kamers én een mobiele alarmknop bij prestaties buiten de lokalen.

Als de werkgever de voorwaarden niet naleeft, kan de erkenning geschorst of ingetrokken worden.

Voorwaarden aan de kant van de sekswerker (wie kan onder dit statuut werken?):

  • Alleen meerderjarigen kunnen een arbeidsovereenkomst voor sekswerker sluiten; minderjarigen tewerkstellen is verboden;
  • Personen met het hoofdstatuut student kunnen dit niet doen;
  • Het kan ook niet via een flexi-job of als gelegenheidswerknemer;
  • De arbeidsovereenkomst moet voor elke sekswerker afzonderlijk schriftelijk worden opgesteld, uiterlijk bij de start;
  • Het contract moet het erkenningsnummer van de werkgever vermelden.

Wat deze wet echt onderscheidt van “gewone” arbeidswetgeving, is hoe expliciet ze het principe van vrije instemming verankert. De wet stelt voorop dat de sekswerker op ieder ogenblik vrij blijft om al dan niet in te stemmen met een seksuele handeling, en dat niemand gedwongen mag worden om een prostitutiehandeling uit te voeren. Het recht om een klant of handelingen te weigeren, te onderbreken of stop te zetten, kan niet als een tekortkoming worden beschouwd. De werkgever kan de sekswerker niet ontslaan omdat die geweigerd heeft een seksuele handeling uit te voeren.

Zelfs het einde van de arbeidsovereenkomst is uitzonderlijk vormgegeven: de sekswerker heeft het recht om de arbeidsovereenkomst te beëindigen zonder opzegging noch vergoeding, precies omdat niemand tot het verrichten van prostitutie mag worden gedwongen.

Interessant is dat deze Belgische koerswijziging ook past binnen een breder Europees debat, waarin landen heel verschillend omgaan met sekswerk. Dat zag men scherp terug in een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 25 juli 2024[4] over de Franse wet van 2016 die de aankoop van prostitutiediensten strafbaar stelt.

In die zaak voerden 261 sekswerkers aan dat hun omstandigheden verslechterden sinds de wet: minder klanten, minder keuzevrijheid en grotere druk om in te stemmen met handelingen die zij anders zouden weigeren. Het Hof erkende dat er sprake was van een inmenging in het privéleven, maar aanvaardde de doelstellingen zoals onder meer de openbare orde, bescherming van gezondheid en rechten van anderen, en vooral het voorkomen van mensenhandel. Het Hof kende Frankrijk een ruime beoordelingsmarge toe wegens het gebrek aan Europese consensus. Uiteindelijk besloot het Hof dat er geen schending was van artikel 8 EVRM.

Tegelijk liet het Hof een belangrijk voorbehoud optekenen. Nationale autoriteiten moeten hun beleid en de gevolgen ervan voortdurend blijven evalueren. Dat is niet alleen relevant voor Frankrijk, maar toont aan dat er in Europa nog geen één “juiste” aanpak bestaat, maar dat elke keuze moet worden beoordeeld op haar echte impact op de veiligheid en de rechten van sekswerkers.

De nieuwe evolutie kan gezien worden als een stap vooruit. Met een helder arbeidsrechtelijk kader — gekoppeld aan een streng erkenningssysteem en een expliciete verankering van vrije instemming — neemt de rechtszekerheid toe en komt de verantwoordelijkheid terecht waar ze hoort, namelijk bij wie de activiteit organiseert en er economisch voordeel uit haalt.

Tegelijk is dit geen eindstation. Het succes van dit model zal in grote mate afhangen van de uitvoering. Hoe zorgvuldig erkenningen worden toegekend, hoe consequent toezicht en handhaving gebeuren, en hoe veiligheid én discretie in de praktijk worden gegarandeerd. Als die randvoorwaarden kloppen, kan dit kader daadwerkelijk bijdragen aan meer bescherming en minder uitbuiting, zonder blind te zijn voor de complexiteit van de sector. De regering zal de wet vanaf 1 december 2026 evalueren.

Indien u na het lezen van dit artikel nog vragen hebt, aarzel dan niet om ons te contacteren via [email protected] of 03 216 70 70.

[1] Wet van 21 februari 2022 betreffende de niet-inroepbaarheid van de nietigheid van de arbeidsovereenkomst ten aanzien van personen die zich prostitueren (BS 21 maart 2022)

[2] Wet van 21 maart 2022 houdende wijzigingen aan het Strafwetboek met betrekking tot het seksueel strafrecht

[3] Wet van 3 mei 2024 houdende bepalingen betreffende sekswerk onder arbeidsovereenkomst (BS 6 juni 2024)

[4] EHRM 25 juli 2024, RW 2025-26, nr. 20, 17 januari 2026

PDF

In het dagelijks economisch verkeer laten particulieren en ondernemingen zich voortdurend vertegenwoordigen: door werknemers, bestuurders, zaakvoerders, advocaten of makelaars. In de meeste gevallen verloopt dit probleemloos. Maar wat als achteraf blijkt dat de persoon die handelde geen (of slechts een beperkte) bevoegdheid hiertoe had?

Wat is schijnvertegenwoordiging?

In principe kan iemand slechts rechtshandelingen stellen voor rekening van een ander indien hij daartoe bevoegd is én binnen de grenzen van die bevoegdheid blijft.

Wanneer echter blijkt dat een persoon optreedt voor een andere persoon, terwijl hij in werkelijkheid geen of slechts een beperkte vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft, spreken we van een schijnvertegenwoordiging.

In principe geldt dat de vertegenwoordigde in dergelijke gevallen niet gebonden is door de rechtshandelingen die zonder geldige bevoegdheid werden gesteld.

Op dit uitgangspunt bestaan echter twee belangrijke uitzonderingen, namelijk de bekrachtiging van de rechtshandeling door de vertegenwoordigde, of het bestaan van een schijnmandaat.

Wanneer is men toch gebonden door de schijnvertegenwoordiging?

Opdat een rechtshandeling die zonder bevoegdheid werd gesteld alsnog tegenstelbaar zou zijn aan de schijnvertegenwoordigde, moeten drie cumulatieve voorwaarden vervuld zijn.

Vooreerst moet er sprake zijn van een schijn die niet met de werkelijkheid overeenstemt. De indruk moet bestaan dat de lasthebber over een vertegenwoordigingsbevoegdheid beschikt, terwijl dat in werkelijkheid niet of slechts gedeeltelijk het geval is.

Daarnaast mag de derde met wie de schijnbare lasthebber handelde, niet redelijkerwijze weten dat de vermeende bevoegdheid niet bestond. De beoordeling gebeurt steeds in functie van de concrete omstandigheden.

Tot slot moet de schijn kunnen worden toegerekend aan de persoon in wiens naam er werd gehandeld.

Wat zijn de juridische gevolgen?

Wanneer aan deze voorwaarden is voldaan, kan de derde te goeder trouw zich beroepen op de leer van de schijnvertegenwoordiging. In dat geval geldt de schijn als werkelijkheid.

De gevolgen kunnen aanzienlijk zijn en verschillen naargelang de betrokken partij.

De handelingen van de onbevoegde vertegenwoordiger kunnen rechtstreeks worden toegerekend aan de schijnlastgever, die dan wordt geacht zelf de verbintenis te zijn aangegaan, met alle contractuele, financiële en juridische gevolgen van dien.

De onbevoegde vertegenwoordiger zelf blijft evenmin buiten schot. Hij kan aansprakelijk worden gesteld door de schijnlastgever voor het handelen zonder of buiten zijn bevoegdheid.

Herkenbaar? Twijfelt u of u gebonden bent door handelingen van een derde of wordt u aangesproken op een bevoegdheid die u nooit hebt toegekend? Aarzel dan niet om ons te contacteren op [email protected]

Auteurs:

  • Lena HERBOTS
  • Joost PEETERS

Bronnen:

(1) Artikel 1.8, §5 Burgerlijk Wetboek

(2) (1e k.) 2 mei 2025, C.24.0072.N, RW2025-26/12, 448.

(3) (1e k.) 2 september 2010, C.10.0014.F, Arr.Cass.2010/9, 2085.

(4) VANSWEEVELT T. en WEYTS B., Handboek Verbintenissenrecht, Larcier Intersentia, 2023.

(5) VAN LOOCK S., ‘Gevolgen ten opzichte van derden: vertegenwoordiging van de lastgever’ in X. Bestendig Handboek Distributierecht, Kluwer, 2020.

Hoofdwebsite Contact
afspraak maken upload






      GDPR proof area
      Upload uw documenten





      sleep uw documenten naar hier of kies bestand


      sleep uw briefwisseling naar hier of kies bestand











        Benelux (€... )EU (€... )Internationaal (prijs op aanvraag)

        Door de aanvraag in te dienen, verklaart u zich uitdrukkelijk akkoord met onze algemene voorwaarden en bevestigt u dat u onze privacyverklaring aandachtig heeft gelezen. Het verzenden van deze aanvraag geldt als een opdrachtbevestiging.
        error: Deze inhoud is auteursrechtelijk beschermd. Kopiëren, reproduceren of hergebruiken zonder voorafgaande schriftelijke toestemming is niet toegestaan.