Mag een aandeelhouder, in het kader van fiscale optimalisatie, alle winsten binnen zijn bedrijven houden en zich onthouden van het betalen van zijn privéschulden? Het Hof van Cassatie heeft zich over deze kwestie uitgesproken in een arrest van 21 oktober 2025[1]: bepaalde (fiscale) keuzes kunnen – wanneer er sprake is van een zekere en opeisbare privéschuld – worden gelijkgesteld met frauduleuze insolventie.
A - De feiten
De verdachte had tientallen jaren gewerkt aan het opbouwen van winstgevende bedrijven. Tussen 2009 en 2021 bleek echter dat hij opzettelijk zijn insolventie had georganiseerd.
Concreet had hij jaar na jaar besloten:
- zichzelf geen marktconforme vergoeding toe te kennen,
- geen dividenden of premies uit te keren
- de tegoeden op de rekening-courant niet over te schrijven naar zijn privévermogen
In september 2009 werd hij bij definitieve rechterlijke uitspraak veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 618.114,81 aan de schuldeiser. Door de opgezette vermogensstructuur was de gedwongen invordering van deze schuld echter bijzonder moeilijk.
Voor het Hof van Beroep te Gent erkende de aandeelhouder dat hij geen in beslag te nemen goederen op zijn naam had, maar voerde hij fiscale motieven aan om deze situatie te rechtvaardigen.
In een arrest van 26 mei 2025 oordeelde het Hof van Beroep te Gent echter dat dergelijke fiscale motieven alleen relevant waren voor zover de betrokkene geen vaststaande en opeisbare schuld had. Het Hof was dan ook van oordeel dat de verdachte op frauduleuze wijze zijn insolventie had georganiseerd om de gedwongen invordering van zijn schuld te belemmeren. De verdachte werd dan ook veroordeeld tot een strafrechtelijke sanctie en tot het betalen van schadevergoeding aan zij schuldeiser.
De veroordeelde besloot cassatieberoep in te stellen, maar dit werd door het Hof van Cassatie in een arrest van 21 oktober 2025 verworpen. Het Hof oordeelde namelijk dat een persoon zich schuldig maakt aan het misdrijf van frauduleuze insolventie wanneer hij niet over voldoende activa beschikt om aan de vordering van zijn schuldeiser te voldoen en zijn insolventie simuleert door zichzelf slechts een beperkte vergoeding uit te keren binnen de bedrijfsstructuren die hij zelf heeft opgezet.
Het Hof was van oordeel dat de uitbetaalde vergoeding niet in verhouding stond tot zijn verantwoordelijkheden binnen de vennootschappen, hun vermogen of hun resultaten, noch tot zijn minimale financiële behoeften.
De verdachte werd dan ook schuldig bevonden aan het frauduleus organiseren van zijn insolventie.
B - Definitie van het misdrijf van frauduleuze organisatie van insolventie
Dit misdrijf kan worden gedefinieerd als een overtreding waarbij de schuldenaar, met het oogmerk zich te onttrekken aan de rechten van zijn schuldeiser, opzettelijk en frauduleus zijn vermogen geheel of gedeeltelijk verduistert, verbergt of ontoegankelijk maakt. Dit houdt in dat hij het vermogen feitelijk of juridisch onttrekt aan de rechten en verhaalsmogelijkheden van zijn schuldeiser. Deze overtreding kan ook het gevolg zijn van gedragingen die erop gericht zijn de groei van zijn vermogen op frauduleuze wijze te belemmeren.
In het Belgische recht wordt dit misdrijf bestraft door artikel 490bis van het Strafwetboek, dat heden voorziet in een gevangenisstraf van één maand tot twee jaar en een boete van 800 tot 4 miljoen euro (na toepassing van de aanvullende tienden).
Er zijn drie constitutieve elementen vereist:
- het organiseren van de insolventie (materieel element)
- het niet nakomen van verplichtingen (materieel element)
- de frauduleuze opzet (moreel element)
Bij beoordeling van het morele element rijst de centrale vraag of er op het ogenblik van het betwiste gedrag sprake was van een schuld. Dit betreft een feitelijke vraag die onder de beoordelingsbevoegdheid van de strafrechter valt.
C - Verduidelijkingen door het Hof van Cassatie
In zijn arrest van 21 oktober 2025 heeft het Hof de grenzen van dit misdrijf afgebakend.
- De volgorde van de constitutieve elementen
Ten eerste heeft het Hof bevestigd dat de chronologische volgorde van de twee materiële elementen – het organiseren van de insolventie en het niet nakomen van de verplichtingen – niet van belang is. Het misdrijf kan derhalve worden gepleegd wanneer de schuldenaar op frauduleuze wijze zijn insolventie organiseert in afwachting van de opeisbaarheid van een schuld. Het misdrijf wordt evenwel pas gepleegd op het ogenblik dat de schuld opeisbaar wordt.
Zelfs wanneer de schuld wordt betwist en het voorwerp uitmaakt van een procedure voor de burgerlijke rechter, kan, afhankelijk van de omstandigheden, sprake zijn van frauduleuze organisatie van insolventie
- Vormen van frauduleuze handelingen
Over het algemeen is er sprake van frauduleuze organisatie van insolventie wanneer de schuldenaar, om aan de vorderingen van zijn schuldeiser te ontkomen, opzettelijk en frauduleus zijn vermogen geheel of gedeeltelijk laten verdwijnen, verbergt of ontoegankelijk maakt. In zijn arrest van 21 oktober 2025 bevestigt het Hof van Cassatie dat het frauduleus verhinderen van de groei van het vermogen ook onder deze overtreding valt. Volgens het Hof kunnen met name de volgende gedragingen deze overtreding kenmerken:
- het jarenlang uitbetalen van een beperkte vergoeding die niet redelijkerwijs in verhouding staat tot de verantwoordelijkheden binnen deze vennootschappen, het vermogen of de resultaten van deze vennootschappen en de minimale financiële behoeften;
- het langdurig uitblijven van de uitkering van dividenden of tantièmes ondanks het behalen van winst in de vennootschappen;
- het aanleggen en verminderen van saldi op lopende rekeningen zonder duidelijke terugkeer naar het privévermogen;
Gedragingen die voorheen louter fiscale keuzes waren, kunnen voortaan een overtreding van frauduleuze insolventieorganisaite vormen, indien ze met de vereiste frauduleuze opzet zijn gepleegd.
- De versterkte bescherming van schuldeisers in geval van fraude ten nadele van schuldeisers
Het komt veeleer aan de rechter toe om de insolventie van de schuldenaar te beoordelen in het licht van het werkelijke vermogen van de schuldeiser om betaling van zijn vordering te verkrijgen.
- Absolute insolventie is niet vereist
Uiteindelijk heeft het Hof van Cassatie bevestigd dat de dader van het misdrijf niet noodzakelijkerwijs volledig insolvent hoeft te zijn. Het feit dat hij nog over inkomsten beschikt die in beslag kunnen worden genomen, is niet van belang. Het volstaat dat zijn resterende vermogen onvoldoende is om zijn schuld te betalen of zijn verplichtingen na te komen. Het feit dat hij opzettelijk en frauduleus een deel van zijn vermogen laat verdwijnen, verbergt of ontoegankelijk maakt, is voldoende.
Volgens dit arrest moet de rechter bij de beoordeling van de insolventie van de schuldenaar rekening houden met de reële mogelijkheid voor de schuldeiser om zijn vordering te innen. Daarbij is de rechter niet verplicht om rekening te houden met activa waarover de dader slechts in theorie beschikt, omdat deze zodanig verborgen zijn dat een normaal handelende schuldeiser daarvan geen kennis kan hebben.
In de zaak die aanleiding gaf tot het cassatieberoep voerde de schuldenaar bijvoorbeeld aan dat de schuldeiser door een grondiger onderzoek had kunnen ontdekken dat hij aandeelhouder was van een andere vennootschap en dat de prestatiegelden of aandelen van deze vennootschappen in beslag hadden kunnen worden genomen.
Dit argument werd echter door het Hof van Beroep te Gent verworpen, omdat het Hof van oordeel was dat het slechts om een theoretische invorderingsmogelijkheid ging die in de praktijk niet haalbaar was. Volgens het Hof was het voor de schuldeiser de facto onmogelijk om de opeisbare schuld te innen vanwege de manier waarop de schuldenaar zijn vermogen had georganiseerd.
CONCLUSIE
Het arrest van het Hof van Cassatie van 21 oktober 2025 heeft de grens tussen legale fiscale optimalisatie en strafbaar gedrag verduidelijkt. Het benadrukt met klem aan dat de vrijheid van vermogens- en vennootschapsorganisatie haar grenzen kent wanneer er een zekere en opeisbare privéschuld bestaat. Vanaf dat moment kunnen keuzes die op zichzelf beschouwd onder voorzichtig fiscaal beheer vallen, wanneer zij systematisch en opzettelijk worden gemaakt, een daadwerkelijke frauduleuze insolventieorganisatie vormen.
Het is dan ook aangewezen bijzonder voorzichtig te zijn bij het maken van keuzes om uw vennootschap fiscaal te optimaliseren.
Als u vragen heeft over deze problematiek, kan u contact opnemen met [email protected] of onze website www.studio-legale.be raadplegen.[1] Cass. 21 oktober 2025, P.25.0971.N
