Categorie: Strafrecht

HLN publiceerde vandaag een artikel over een dame die op één dag maar liefst 8 boetes ontving voor snelheidsovertredingen begaan op dezelfde steenweg die werden vastgesteld door een trajectcontrole.[1]  Dit houdt in dat de gemiddelde snelheid van de dame op hetzelfde traject telkens te hoog was. Voor meer informatie kan u ons volledig artikel over de trajectcontrole hier lezen.

Het komt natuurlijk onrechtvaardig over dat er 8 afzonderlijke boetes worden opgelegd voor snelheidsinbreuken die op dezelfde plek en binnen een welbepaalde periode zijn begaan.

De dame in kwestie zou dan ook in eerste instantie de boetes kunnen aanvechten via de politie zelf. Het ‘bezwaar’ wordt dan overgemaakt aan de Procureur des Konings die een beslissing neemt en mogelijks het onredelijk karakter van de situatie in acht neemt.

Worden de afzonderlijke boetes gehandhaafd, maar niet betaald, dan kan er een dagvaarding voor de Politierechtbank volgen. In dat geval kan art. 65 van het Strafwetboek een rol spelen:

“Wanneer een zelfde feit verscheidene misdrijven oplevert of wanneer verschillende misdrijven die de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, gelijktijdig worden voorgelegd aan een zelfde feitenrechter, wordt alleen de zwaarste straf uitgesproken.”

Wanneer verschillende feiten worden gepleegd, die voortkomen uit eenzelfde opzet dan kan de rechter dus gevraagd worden om de verschillende feiten als het ware ‘op te slorpen’ tot één geheel en er slechts 1 gezamenlijke straf voor uit te spreken.

Terugkoppelend naar het HLN artikel, zou praktisch gezien de Politierechter gevraagd kunnen worden om de verschillende dossiers samen te voegen, zodat alle snelheidsinbreuken op 1 zitting behandeld worden. Op die zitting moet dan de zogenaamde ‘eenheid van opzet’ aangetoond worden. De Politierechter oordeelt hier vrij over. De eenheid van opzet zou hier kunnen blijken uit het feit dat de snelheidsovertredingen telkens over hetzelfde traject en binnen een welbepaalde periode werden begaan.

Eens de eenheid van opzet wordt aangenomen, kan de Politierechter voor alle feiten samen nog maar één straf opleggen. Gaat het over verschillende soorten misdrijven, dan kan enkel de zwaarste straf worden opgelegd.

Naar onze mening moet de dame in kwestie zich dus niet zomaar neerleggen bij de 8 afzonderlijke geldboetes, maar kunnen deze worden aangevochten bij de politie zelf of voor de Politierechtbank.

Belangrijk om te weten is dat veel mensen binnen hun autoverzekering een waarborg rechtsbijstand hebben. In dat geval kan u met vrije keuze een advocaat inschakelen en uw rechten doen gelden. De erelonen van de door u gekozen advocaat worden dan door uw verzekeraar gedekt. U kan dus gratis beroep doen op gespecialiseerde bijstand!

Bevindt u zich in een gelijkaardige situatie als de dame in het HLN artikel? Aarzel dan zeker niet om de verkeersspecialisten van het Studio Legale team te contacteren en dan bekijken we samen wat de mogelijkheden zijn. U kan ons bereiken op het nummer 03 216 70 70 of via e-mail op info@studio-legale.be

 

 

 

[1] https://www.hln.be/binnenland/en-plots-lagen-er-8-snelheidsboetes-tegelijk-bij-charlotte-34-in-de-brievenbus-dit-voelt-onrechtvaardig~ac241b27/

 

De alternatieve afhandeling in strafzaken, meer dan achterkamerpolitiek, bekokstoven en afkopen…

 

Inleiding

In een recent artikel in onder meer de Gazet van Antwerpen vertelde de nieuwe Antwerpse Procureur des Konings Franky De Keyzer dat hij meer wil inzetten op de zogenaamde alternatieve afhandeling. “Ik wil bekijken of we het aantal zaken dat we voor de rechter brengen naar beneden kunnen krijgen”, aldus de Korpschef. Deze visie sluit aan bij de openingsrede van de Procureur-generaal van Antwerpen van 1 september 2019, die reeds aangaf om meer geschillen via de buitengerechtelijke en/of alternatieve afhandeling te willen beslechten.

 

Onbekend is onbemind

De alternatieve afhandeling wil zeggen dat het openbaar ministerie en de dader in gesprek gaan over het gepleegde misdrijf en de daarbij horende bestraffing. De bedoeling is om dit niet meer volledig aan de strafrechter over te laten, waarbij de procureur en de dader kibbelen over de feiten en de strafmaat.

Als een dader zijn misdrijf erkent en bereid is om de schade te herstellen, is dialoog met het openbaar ministerie soms een betere en snellere oplossing. Er wordt te vaak vergeten dat het hoofddoel van het strafrecht niet de bestraffing is, maar het herstel. Herstel naar de maatschappij toe, herstel naar het slachtoffer toe en herstel (rehabilitatie) van de dader. In een ideale wereld zorgt het strafrecht er voor dat eenieder die de grens van het maatschappelijk aanvaarde overtreedt, kordaat terecht wordt gewezen, zijn fout rechtzet en dezelfde fout niet meer begaat.

De hoofdoorzaak dat er niet meer strafzaken op alternatieve wijze worden beslecht, is ons inziens terug te brengen tot onwetendheid. Enerzijds is er een gebrek aan kennis van deze wijze van afhandeling bij zowel magistraten, als advocaten. Anderzijds bestaat er te veel onduidelijkheid en onjuiste informatie over deze alternatieve afhandeling bij het grote publiek.

 

De alternatieve afhandelingsvormen

Er zijn drie hoofdvormen van alternatieve beslechting

  • De voorafgaandelijke erkenning van schuld of ‘guilty plea’ (artikel 216 Wetboek van Strafvordering)
  • Het verval van strafvordering door betaling van een geldsom of minnelijke schikking (artikel 216bis Wetboek van Strafvordering)
  • Het verval van strafvordering door de uitvoering van maatregelen en de naleving van voorwaarden (artikel 216ter Wetboek van Strafvordering)

 

Algemeen

Voor alle onderhandelingen over een alternatieve beslechting geldt hetzelfde, met name dat ze vertrouwelijk zijn en dat verklaringen en/of documenten die bij de onderhandelingen worden gebruikt, niet nadien in de strafprocedure mogen gebruikt worden.  Moesten de onderhandelingen niets opleveren, kan de verdachte nog steeds voluit voor de vrijspraak gaan in de rechtbank. Dat hij in de onderhandelingen schuld zou bekend hebben, mag niet gebruikt worden of zelfs bekend gemaakt worden ten aanzien van de rechter.

Bij de voorafgaandelijke erkenning zal er uiteindelijk wel een onderhandelde veroordeling plaatsvinden, die dus op je strafregister komt. Een verval van strafvordering houdt in dat er geen straf wordt opgelegd. Toch wordt dit vermeld op het strafregister, maar enkel voor zover het over feiten gaat waarvoor reeds een onderzoeksrechter was gelast of indien de zaak al aanhangig was bij de rechtbank of het hof van beroep.

 

De voorafgaandelijke erkenning van schuld of ‘Guilty plea’ (art. 216 Sv)

In het artikel verwijst Procureur des Konings De Keyzer naar de zogenaamde ‘guilty plea’, wat in het wetboek van strafvordering officieel als ‘de voorafgaandelijke erkenning van schuld’ wordt beschreven. Deze vorm van afhandeling heeft reeds een lange traditie in bijvoorbeeld het Amerikaanse recht en is bij het grote publiek vooral bekend van de Amerikaanse series. In ruil voor een bekentenis, wordt er onderhandeld over een straf.

Het Belgische systeem is wel niet volledig gelijklopend met het Amerikaanse, waar er schijnbaar geen enkele beperking op deze onderhandelingen staat. Het systeem in België onderworpen aan enkele belangrijke voorwaarden:

  1. De dader moet schuld bekennen;
  2. Het kan enkel voor misdrijven die niet lijken gestraft te moeten worden met een gevangenisstraf van meer dan 5 jaar;
  3. Het kan enkel voor misdrijven waarvoor het Strafwetboek een maximale straf van 20 jaar voorziet (dus niet voor bijvoorbeeld moord);
  4. Het mag evenmin toegepast worden voor zedenfeiten;
  5. Alle slachtoffers moeten volledig vergoed worden.

Indien aan al deze voorwaarden is voldaan, kunnen de dader en het openbaar ministerie in onderhandeling gaan. In ruil voor een schuldbekentenis en een volledige betaling van alle slachtoffers, zal het openbaar ministerie een welbepaalde straf voorstellen. De idee is dat door de vrijwillige bekentenis en de spontane vergoeding van de slachtoffers, een mildere bestraffing wordt bekomen dan wat het openbaar ministerie zou eisen in de rechtszaal.

Door deze manier van onderhandelen moet enerzijds het openbaar ministerie geen ellenlang onderzoek voeren om de schuld van een dader te bewijzen en moeten de slachtoffer geen hele procedure doorlopen om hun schade vergoed te zien. Anderzijds weet ook de dader snel waar hij aan toe is en heeft hij zekerheid over zijn straf. Wanneer het onderzoek echter in handen is van een onderzoeksrechter, kan er geen gebruik gemaakt worden van deze vorm van alternatieve afhandeling. Zodra het gerechtelijk onderzoek volledig is afgerond door de onderzoeksrechter en de zaak werd doorverwezen naar de correctionele rechtbank, kan opnieuw gebruik gemaakt worden van de schuldbekentenis.

Iedereen komt er in feite beter uit. De dader wordt gestraft, het slachtoffer wordt vergoed en de maatschappij heeft op snelle en efficiënte wijze zijn herstel.

Om er zeker van te zijn dat alles wel correct verloopt en binnen proporties blijft, zal nog steeds een rechter nagaan of de afgesloten deal wel correct en proportioneel is. De rechtbank moet op het einde van de rit de onderhandelde straf nog bekrachtigen.

 

Verval van strafvordering door betaling van een geldsom

Deze manier van afhandeling is gekend als de zogenaamde minnelijke schikking. In feite wordt een erg groot deel van de bevolking geconfronteerd met deze manier van afhandelen in het verkeersrecht. Bij een deel van de verkeersovertredingen wordt er een minnelijke schikking voorgesteld aan de overtreder – wat dan in de volksmond ten onrechte ‘een boete’ wordt genoemd – om te voorkomen dat men voor de politierechtbank moet verschijnen. Betaalt men deze minnelijke schikking niet, dan gaat het dossier toch naar het parket voor dagvaarding.

De minnelijke schikking kan voor veel meer misdrijven gebruikt worden, dan enkel verkeersovertredingen. Sinds 2010 is het wetboek van strafvordering meermaals gewijzigd, om deze vorm van afhandeling te verruimen naar meerdere misdrijven.

Ook de verruimde minnelijke schikking is onderworpen aan strikte voorwaarden:

  1. Het kan enkel voor misdrijven die niet lijken gestraft te moeten worden met een gevangenisstraf van meer dan 2 jaar;
  2. Het is niet mogelijk voor zware geweldsmisdrijven;
  3. De dader moet afstand doen van alle vermogensvoordelen die hij uit het misdrijf heeft gehaald, alsook moeten alle eventuele verschuldigde belastingen of sociale bijdragen, met interesten, betaald worden;
  4. De dader moet alle gerechtskosten betalen;
  5. Het slachtoffer moet akkoord gaan met de schadevergoeding.

Als aan al deze voorwaarden voldaan is, dan kan het openbaar ministerie een geldsom voorstellen, die niet hoger kan zijn dan de maximale geldboete die wordt voorzien in de strafwet. De wet stelt dat het voorgestelde bedrag in verhouding moet zijn met de zwaarte van het misdrijf.

Het idee is dat de dader alle (financiële) gevolgen van zijn misdrijf moet herstellen en daarbovenop een boete moet betalen. Doet hij dat, dan zal de procureur niet meer vervolgen. Deze manier van afhandelen heeft vooral tot doel om de maatschappelijke kost te beperken. Ze wordt het meeste gebruikt voor financiële en fiscale misdrijven. Het onderzoek naar zo’n misdrijven is vaak erg complex en kan jaren in beslag nemen, met zelfs het risico dat de feiten uiteindelijk strafrechtelijk verjaren.

Helaas heeft deze manier van afhandelen een negatief imago gekregen bij het grote publiek, waarbij de verruimde minnelijke schikking veelal bekend staat als ‘de afkoopwet’. De idee dat ‘rijke mensen hun straf kunnen afkopen’ wordt gesterkt door een gebrek aan kennis en vooral foute informatie uit de media. Te vaak worden er persberichten verspreid waarbij een miljoenenfraude wordt ‘afgekocht’ door de betaling van een geldsom van bijvoorbeeld 500.000 euro. Bij het publiek en op de sociale media leeft dan het verkeerde idee dat de dader er uiteindelijk toch nog stevig op verdiend heeft.

Uiteraard kan er pas een minnelijke schikking plaatsvinden, als eerst alle (financiële) schade is vergoed. Dus eerst moeten alle gelden en goederen verkregen uit het misdrijf worden teruggegeven aan het slachtoffer of Justitie, daarna moeten alle gerechtskosten, sociale bijdragen en ontdoken belastingen (met intrest!) worden betaald en dan pas gaat men de bijkomende geldboete opleggen. Het kan en zal nooit de bedoeling zijn dat de dader er uiteindelijk toch nog op verdiend heeft.

Objectief bekeken wint de maatschappij enorm veel bij deze manier van afhandelen. Er is geen risico dat de dader vrijuit gaat wegens verjaring of een procedurefout, er moeten geen jarenlange dure onderzoeken gevoerd worden en er komt capaciteit vrij bij politie en justitie voor bijvoorbeeld drugs- en geweldsmisdrijven die een directere impact hebben op het algemeen welzijn. En op het einde van de rit vaart de belastingbetaler er wel bij, aangezien de dader zelf voor alle kosten opdraait en daarboven op nog de staatskas moet spijzen. De kosten van de procedure worden bijkomend beperkt. Ook Justitie moet soms economisch denken.

 

Verval van strafvordering door uitvoering van maatregelen en de naleving van voorwaarden

De laatste grote vorm van alternatieve afhandeling is een methode die helaas ook binnen justitie haast onbekend en dus ongebruikt is. Het is vergelijkbaar met de minnelijke schikking, maar in de plaats van een geldboete, moet de dader een welbepaalde voorwaarde naleven.

Deze afhandelingsmethode heeft volgende voorwaarden:

  1. De dader moet schuld bekennen;
  2. Het kan enkel voor misdrijven die niet lijken gestraft te moeten worden met een gevangenisstraf van meer dan 2 jaar;
  3. De slachtoffers moeten vergoed worden, waarbij de procureur des Konings kan verzoeken om een bemiddeling aan te gaan;
  4. De dader moet instemmen met de aan hem opgelegde voorwaarden.

Indien aan alle voorwaarden is voldaan, kan de procureur een verval van strafvordering uitspreken op voorwaarden dat de dader 1 of meerdere maatregelen naleeft, uit te voeren binnen een termijn van 1 jaar. Deze voorwaarden zijn de volgende:

  • Geneeskundige behandeling of therapie indien de feiten voortkomen uit een gedragsproblematiek, een ziekte of een verslaving;
  • Kosteloze dienstverlening van ten hoogste 120 uur;
  • Een opleiding volgen van ten hoogste 120 uur.

 

Conclusie

Dat de nieuwe procureur des Konings van Antwerpen een grote voorstander is van de alternatieve afhandeling, kan alleen maar toegejuicht worden. Met uitzondering van de verkeersmisdrijven, worden er thans immers bijzonder weinig strafzaken afgehandeld buiten de strafrechter om.

De wet schrijft in principe voor dat het voorstel tot alternatieve afhandeling vanuit het openbaar ministerie zou moeten komen, maar de praktijk leert dat het veelal de advocaten van de verdediging zelf zijn, die deze mogelijkheid op tafel leggen.

Om een echt succes te worden, dient eerst de onwetendheid aangepakt te worden. Bij de magistraten, bij de advocaten en ook bij de publieke opinie. Bij dat laatste mag de rol van de media niet onderschat worden, die te vaak de minnelijke schikking foutief afschildert als een ‘afkoping van de straf’. Wij hopen alleszins dat we met dit artikel vanuit Studio Legale mee kunnen helpen om deze onwetendheid aan te pakken.

Bij Studio Legale hebben onze gespecialiseerde advocaten ervaring met de alternatieve afhandeling in strafzaken. Moest u nog vragen hebben of indien u zelf denkt in aanmerking te komen voor een alternatieve afhandeling, aarzel niet om onze specialisten ter zake te contacteren:  info@studio-legale.be

 

Inleiding

In het onderzoek rond de voetbalfraude, werd door het federaal parket en één van de verdachte makelaars een spijtoptantenregeling afgesloten. Maar wat wil dit nu concreet zeggen? Volgens de media gaat het om de allereerste spijtoptant in België, maar dit moet met een korrel zout genomen worden.

Want echt helemaal nieuw is het principe binnen het Belgisch strafrecht niet. Zo voorziet artikel 326 van het Belgisch strafwetboek bijvoorbeeld al in een strafuitsluiting voor een schuldige die in de planningsfase van een aanslag alles opbiecht bij de overheid. Ook in artikel 6 van de Drugswet is een strafuitsluiting of strafvermindering voorzien voor de daders die de identiteit meedelen van andere nog niet geïdentificeerde daders in een strafonderzoek.

Het is wel correct dat de spijtoptant pas bij wet van 22 juli 2018 als algemeen principe werd ingevoegd in het Belgische wetboek van Strafvordering. En dus niet meer her en der in het wetboek bij welbepaalde misdrijven. De nieuwe regels voorzien wel dat er enkel kan gebruik gemaakt worden voor de spijtoptantenregeling voor de zogezegde zwaardere criminele feiten, waarvoor ook bijvoorbeeld telefoontaps en inkijkoperaties mogelijk zijn.

Wat is een spijtoptant?

Een spijtoptant is een persoon die in ruil voor een lichtere bestraffing of een andere gunstmaatregel, belastende verklaringen aflegt over anderen en eventueel over zichzelf. Een principe dat het publiek uit de Amerikaanse films en series kent. Maar ook in Europa kennen de meeste landen een regeling voor spijtoptanten, zoals in Italië, Nederland, Duitsland, Oostenrijk, Frankrijk en het Verenigd Koningrijk.

Hoe en wanneer komt het tot stand?

Enkel het openbaar ministerie kan beslissen of de inzet van een spijtoptant noodzakelijk en wenselijk is en dit met het voorafgaand akkoord van de procureur-generaal.

Uit de betreffende wetsartikelen blijkt helaas niet hoe een spijtoptantschap kan geïnitieerd worden. De strikte lezing van de wet stelt dat het initiatief van het openbaar ministerie zou uitgaan, maar uiteraard zal het in de praktijk vooral de verdachte zelf zijn, met behulp van zijn advocaat, die deze mogelijkheid zal op tafel leggen bij de parketmagistraat.

Volgens de wet kan er gebruik gemaakt worden van een elke fase van de strafprocedure, zelfs na de definitieve bestraffing.

De voorwaarden voor de regeling

De spijtoptantenregeling is onderworpen aan het zogenaamde principe van de subsidiariteit. Dit wil zeggen dat het enkel kan worden toegepast wanneer het onderzoek dit vereist en indien de overige middelen van het onderzoek niet volstaan voor de waarheidsvinding. De regeling mag dus enkel gebruikt worden als zogenaamd laatste redmiddel. Het is dus niet de bedoeling dat de spijtoptant een aanvulling wordt op de klassieke onderzoeksmaatregelen, maar enkel bij uitzondering wordt aangewend. In deze verschilt het wezenlijk van wat we dagelijks zien in de Amerikaanse films, waarbij elke verdachte een deal lijkt voorgeschoteld te krijgen in ruil voor medewerking.

Hieruit volgt dat de onderzoeksmagistraat eerst alle voor handen zijnde onderzoeks­maatregelen moet aanwenden om een misdrijf uit te klaren, alvorens hij toegevingen kan gaan doen aan een verdachte. Pas als het onderzoek volledig strop zit, kan de procureur des Konings zijn toevlucht nemen tot de spijtoptant.

De formalisering van de regeling

Zodra er een akkoord wordt bereikt, wordt er een schriftelijke overeenkomst gesloten tussen de spijtoptant en de bevoegde procureur des Konings. In dit zogenaamde ‘memorandum’ moeten minstens volgende gegevens uitdrukkelijk en nauwkeurig omschreven worden:

  • Identiteit van de spijtoptant en de identiteit van de advocaat die de spijtoptant bij het sluiten van het memorandum bijstaat (kan dus nooit anoniem)
  • De feiten waarover de spijtoptant zich bereid verklaart een getuigenis af te leggen
  • De toezeggingen aan de spijtoptant
  • De voorwaarden die in het kader van het akkoord eventueel aan de spijtoptant wordt opgelegd.

Het memorandum wordt opgenomen in het strafdossier en wordt niet afgeschermd van de andere verdachten in het onderzoek. De reden hiervoor is dat er anders een schending zou zijn van de rechten van verdediging van diegene waarover de spijtoptant informatie heeft gegeven. Zij hebben recht op tegenspraak, wat wil zeggen dat zij het recht hebben om te weten welke informatie er door wie gegeven werd in het strafdossier.

Alle partijen hebben ook het recht om te weten wat de spijtoptant in ruil voor zijn medewerking heeft gekregen. Zo kunnen zij, maar ook de correctionele rechter, in alle openheid beoordelen hoe de verklaringen tot stand zijn gekomen. Alle partijen moeten immers de mogelijkheid krijgen om de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de spijtoptant te betwisten.

Het is immers niet ondenkbaar dat een spijtoptant leugenachtige verklaringen aflegt enkel en alleen om zichzelf daarmee een gunst te bewijzen. Om die redenen is er een recht op tegenspraak, maar daarnaast mag de veroordeling van anderen niet uitsluitend gebaseerd worden op de enkele verklaring van een spijtoptant. Deze verklaring moet nadien gestaafd worden door ander objectief bewijsmateriaal. Het gaat dus om zogezegd ‘steunbewijs’, wat wil zeggen dat de enkele verklaring van een spijtoptant nooit voldoende kan zijn om tot een veroordeling te komen.

Welke toezeggingen zijn er mogelijk?

De procureur des Konings is bij elke toezegging gebonden aan het proportionaliteitsbeginsel. Dit wil zeggen dat de toegeving in verhouding moet staan met wat de spijtoptant kan bijbrengen. Het toe te kennen voordeel moet steeds afgewogen worden tegen het gepleegde misdrijf en het eventuele aandeel van de spijtoptant hierin.

In de fase van de strafvordering

  • Het opleggen van een lagere straf
  • Het opleggen van een alternatieve straf of de eenvoudige schuldigverklaring

In de fase van de strafuitvoering

  • Gunstig advies in het kader van de strafuitvoering (voor voorwaardelijke invrijheidsstelling)
  • Toezegging van uitgaansvergunning of penitentiair verlof

In de fase van de detentie (voorhechtenis of strafuitvoering)

  • Plaatsing en overplaatsing naar een andere gevangenis

De wetgever heeft vanaf het begin duidelijk gemaakt dat het onmogelijk is om als ruil voor medewerking de opheffing van de voorlopige hechtenis of het gevangenschap te verkrijgen. Het spijtoptantschap zal dus nooit rechtstreeks kunnen leiden tot een onmiddellijke vrijlating.

De spijtoptant zal wel nog steeds de slachtoffers van zijn misdrijven moeten vergoeden. Meer zelfs, door het ondertekenen van het memorandum wordt er voor de spijtoptant een onweerlegbaar vermoeden van een burgerlijke fout vastgelegd. Dit wil zeggen dat hij door het aanvaarden van de regeling, zijn burgerlijke fout expliciet erkent en later op geen enkele manier meer kan betwisten.

Controle door de rechter

De correctionele rechter moet, voor de spijtoptanten die een regeling treffen in de fase van de strafvordering, het memorandum bekrachtigen. De rechter moet steeds een vervangende straf uitspreken, voor het geval de spijtoptant het memorandum niet zou nakomen.

Herroeping van de regeling

De wet voorziet dat de getroffen regeling herroepen kan (maar niet moet) worden in welbepaalde gevallen. De herroeping is mogelijk wanneer de verdachte het memorandum niet naleeft, niet de beloofde verklaringen aflegt, nadien nog nieuwe misdrijven pleegt, de slachtoffers niet vergoedt, de afgelegde verklaringen niet waarheidsgetrouw blijken te zijn of de strafvervolging bewust heeft willen dwarsbomen.

Besluit

De spijtoptantenregeling als vernieuwing bestempelen is de waarheid geweld aan doen. Het bestond reeds in zowat heel de Europa en zelfs al her en der in onze eigen strafwetgeving.

De echte vernieuwing is dat het in België nu eindelijk volledig juridisch werd uitgewerkt en meteen ook werd afgetoetst aan de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Zo is er voldoende nadruk gelegd op transparantie, het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces. Bovendien is er een, weliswaar beperkte, controle voorzien door een rechter.

De vraag met dergelijke nieuwigheden is niet zozeer of ze de juridische toets doorstaan, maar wel of ze de toets doorstaan van de publieke opinie. De wetgever heeft in de wetsartikelen alleszins een ongeziene controle ingebouwd op de procureur des Konings, door zowel de procureur-generaal, de federale procureur, als het Parlement. Dit geeft aan dat het om een politiek moeilijke beslissing ging en dat er voldoende paraplu’s werden ingebouwd voor moest het mislopen. De praktijk zal uitwijzen in welke mate de spijtoptant zijn plaats zal veroveren binnen het Belgische strafrecht.

 Moest u nog vragen hebben, aarzel niet om onze specialisten ter zake te contacteren:  info@studio-legale.be

Media Artikels Pers:
http://www.standaard.be/cnt/dmf20181120_03966770
https://www.demorgen.be/s/axf459550/MueKV
https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2018/11/20/veljkovic/
https://www.hln.be/sport/voetbal/belgisch-voetbal/spelersmakelaar-en-spijtoptant-veljkovic-vrij-onder-strenge-voorwaarden-na-deal-met-gerecht-hij-gaat-alles-uit-de-doeken-doen~af459550/
http://www.gva.be/cnt/dmf20181120_03966771/spelersmakelaar-veljkovic-gaat-samenwerken-met-gerecht-in-onderzoek-naar-wanpraktijken-in-voetbal

Schade door een huiszoeking… Wie gaat dat betalen?

 

In het programma De Rechtbank kwam recent een interessante juridische vraag aan bod, die helaas door de betreffende vrederechter niet beantwoord werd.

De vrederechter in kwestie stelde voor aan de verhuurder, die schade had geleden door een huiszoeking bij één van zijn huurders, om de politie een aangetekend schrijven te sturen. De politie wees schijnbaar alle verantwoordelijkheid af en toonde zich niet bereid tot enige schadevergoeding. Het voorstel van de vrederechter was om de schade dan maar te trachten te verhalen op de huurder in kwestie.

Maar klopt dit wel?

Aanvankelijk werd er aangenomen dat het optreden van de politie in het maatschappelijk belang, primeerde op het individueel belang. Als de politie door zijn legitiem en gerechtvaardigd optreden een derde schade berokkende, dat was behoorde dit tot het maatschappelijk risico dat iedereen wordt geacht te dragen binnen de rechtstaat.

Op 19 april 2004 bracht het hof van beroep te Antwerpen verandering in deze zienswijze.

De aanleiding waren een resem huiszoekingen in een welbepaalde appartementsblok op de Turnhoutsebaan in Borgerhout in december 2000. In een gecoördineerde actie van de politie, op bevel van de onderzoeksrechter, werden in deze appartementsblok 10 deuren opengebroken op zoek naar drugs. Hierbij werden alle deuren en de deurlijsten ernstig beschadigd. In 1 appartement werd uiteindelijk drugs gevonden.

De eigenares van het appartementsgebouw, die geen verdachte was in het dossier, werd geconfronteerd met al die schade. Ook zij richtte zich tot de Belgische Staat om deze schade vergoed te krijgen.  De Belgische Staat stelde echter dat het om een legitieme actie ging en dat het niet mogelijk was geweest om op minder schadelijke manier opgetreden te hebben. Daarom moest de verhuurster deze schade maar zelf dragen onder het mom van een openbare last om het algemeen belang te dienen.

De eigenares legde zich evenwel niet neer bij deze beslissing en trok uiteindelijk naar het hof van beroep van Antwerpen. Dit hof stelde dat het algemeen  belang  van  een  huiszoeking  het  toebrengen  van  schade  rechtvaardigt , maar dat dit zelfde algemeen belang niet rechtvaardigt om na afloop van de huiszoeking de eigenares met de schade te laten zitten.

Het hof van beroep te Antwerpen baseerde zich hierbij op het algemeen  rechtsbeginsel  van  de  gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten, dat onder meer is vastgesteld in artikel 16 van de Grondwet, waardoor de overheid niet zonder vergoeding lasten kan opleggen die groter zijn dan die welke een particulier in het gemeenschappelijk belang moet dragen. Met andere woorden, de schade die de eigenares heeft geleden ten gunste van de maatschappij, moet ook gedragen worden door de maatschappij. Deze zienswijze van het hof van beroep te Antwerpen werd door het Hof van Cassatie bevestigd.

Komen we terug bij de vraag: een huiszoeking, wie gaat dat betalen?

De eerste vraag die moet beantwoord worden, is de vraag bij wie de huiszoeking heeft plaatsgevonden. Is de eigenaar van het beschadigde pand zelf een verdachte in het dossier, dan zal hij de kosten zelf moeten dragen. Een kleine nuance is er evenwel als later blijkt dat deze verdachte onschuldig is en vrijgesproken wordt. Dan wordt hij, in theorie, gelijkgesteld met de eigenaars die niets te maken hebben met de feiten.

Als de huiszoeking gebeurt bij een verdachte die niet de eigenaar is van de woning en de eigenaar van de woning heeft niets te maken met de feiten, dan moet deze eigenaar niet zelf de kosten van de schade dragen.

Hoe kan je schadevergoeding bekomen?

Ondertussen heeft de FOD Justitie ingezien dat het niet werkbaar is om elk schadegeval voor de rechter te brengen. Een pragmatische oplossing werd uitgewerkt, namelijk dat eenieder die schade heeft geleden door een huiszoeking, waarbij hij zelf geen verdachte is, een verzoek tot schadevergoeding kan richten aan de FOD Justitie.

Omdat het gaat om een vergoeding van de effectief  geleden schade, legt de FOD Justitie wel bepaalde verplichtingen op. Elk verzoek tot schadevergoeding moet gepaard gaan met de volgende bewijzen:

  • Bewijs van de schade (foto’s van de beschadigde deur en/of deurlijsten)
  • Een factuur en betalingsbewijs voor de herstellingswerken en/of de nieuwe deur
  • Een bewijs van de effectieve plaatsing (foto van de deur)

Het is dus niet voldoende dat u een schadebestek laat opstellen. De FOD Justitie vereist dat u bewijst dat u ook effectief de herstelling hebt uitgevoerd én betaald.

In feite gaat de FOD Justitie hier in tegen het algemeen principe van de schadevergoedingen volgens het burgerlijk recht. Het principe is dat als u schade lijdt door iemand anders zijn fouten, dat deze uw schade moet vergoeden. Het is daarbij niet vereist dat u ook effectief uw schade herstelt met deze vergoeding. We kennen dit principe voornamelijk bij de vergoedingen voor verkeersschade. U laat na een schadegeval bestek opmaken van uw kosten en de tegenpartij moet dit dan vergoeden. Maar niemand kan u vervolgens dwingen om deze vergoeding ook effectief te gebruiken om de schade te herstellen. U kan er bijvoorbeeld voor opteren om te blijven rondrijden met de bluts en de kras in het koetswerk.

De FOD Justitie wijkt dus af van dit principe, naar alle waarschijnlijkheid om misbruiken tegen te gaan. Het is immers niet zo moeilijk om een gepeperde offerte te bekomen voor schade die in feite niet zoveel voorstelt. De FOD Justitie kan dit trouwens perfect doen, aangezien het een minnelijke procedure is.

Een andere optie is natuurlijk om de Belgische Staat te dagvaarding in vergoeding van de geleden schade. Dit is de drastische en langdurige weg, maar dan zal het de rechter zijn die de schade begroot. En dan vervalt de verplichting van de effectieve herstelling, zoals vereist in de minnelijke procedure.

Het probleem is dat elke rechter zelf beslist tot wat de Belgische Staat gehouden is. Zo besliste de rechtbank te Bergen op 6 september 2017 dat een verhuurder mee het maatschappelijk  risico van de schade bij een huiszoeking moet dragen in het collectieve belang. Deze verhuurder kreeg met andere woorden niet de volledige schade vergoed, maar slechts een gedeelte. Risico’s van het vak, zo oordeelde deze Waalse rechtbank schijnbaar.

Conclusie

Als u schade lijdt door een huiszoeking waarbij u niet zelf een verdachte bent, moet de overheid u deze schade vergoeden.

Dit kan via een minnelijke procedure bij de FOD Justitie of via de rechtbank. Het voordeel van de procedure bij de FOD Justitie is dat ze snel is en afgelijnd is. U zal zelf wel eerst de herstellingen effectief moeten uitvoeren en betalen. Geen herstelling wil zeggen geen vergoeding. Via de rechtbank zal het langer duren en loopt u het risico dat niet de volledige schade wordt vergoed. Maar de vergoeding die u krijgt, kan u besteden zoals u dat zelf verkiest.

Moest u nog vragen hebben of bent u zelf slachtoffer van schade door een huiszoeking of een andere onderzoeksmaatregel, aarzel niet om onze specialisten ter zake te contacteren:  info@studio-legale.be

update: https://www.jubel.be/begerige-blikken-op-data-justitie/

Na de (nog steeds lopende…) ‘rel rond het inzagerecht’[1], zit het er alweer tegen tussen de Eerste Voorzitter van het hof van beroep te Antwerpen en onze Minister van Justitie. Inzet van de discussie deze keer is de beslissing van de Minister van Justitie om niet meer te investeren in VAJA.

Voor de leken onder ons, VAJA is een acroniem voor “Vonnissen Arresten – Jugements Arrêts”. Het is een databank die als doel heeft om alle rechterlijke beslissingen te digitaliseren. Doordat alle data die nodig is voor een beslissing rechtstreeks uit de databanken van de griffie komt, is het slechts een kwestie van enkele muisklikken om een vonnis of arrest te genereren. Met data wordt dan de persoonsgegevens en de zaakgegevens bedoeld. Uiteraard moet de motivering en de beslissing nog door de rechter zelf geformuleerd worden. We zijn (nog) niet in het stadium dat we alles kunnen overlaten aan de almachtige computer.

De doelstelling van VAJA reikt echter verder dan enkel het werk voor de griffie te vergemakkelijken. Het is ook een noodzakelijke tussenstap tot het eindelijk bekomen van een nationale databank van alle rechtspraak in België. Op dit ogenblik wordt slechts een beperkt gedeelte van de rechtspraak van de hoven en rechtbanken gepubliceerd. Als het niet tot bij het Hof van Cassatie is geraakt, is de kans groot dat de rechtspraak nooit in enige databank zal terecht komen. Nochtans is het een noodzaak voor de rechtszekerheid dat ook de beslissingen van de ‘lagere’ rechtbanken breder gepubliceerd worden. Niet enkel voor advocaten, maar ook voor de rechters zelf. Op dit ogenblik wordt in de Belgische rechtbanken op dagelijkse basis het warm water opnieuw uitgevonden. In Nederland worden zowat alle beslissingen van de rechtbanken gepubliceerd via www.rechtspraak.nl. In Frankrijk vindt de rechtszoekende alle beslissingen die minstens in beroep werden uitgesproken terug via www.legifrance.gouv.fr. Soortgelijke databanken bestaan ook in Oostenrijk, Duitsland, Italië, … . Voor de nieuwsgierigen, een overzicht is terug te vinden op het Europees e-justitieportaal.[2]

Volgens onze minister van Justitie is de technologie die achter VAJA zit verouderd. In zijn interview in De Ochtend op Radio 1 van 20 juni 2018 deed Minister Geens enkele vreemde uitspraken. Volgens de informatie die hij van zijn diensten had gekregen, is het niet mogelijk om via VAJA een digitale handtekening aan te brengen op een beslissing. Het gevolg hiervan zou zijn dat de griffier een vonnis of arrest zou moeten printen, dan handtekenen, vervolgens scannen en ten slotte zo kan doorsturen.

Twee onderdelen van deze uitspraak doen de wenkbrauwen fronsen. Enerzijds juridisch, anderzijds technisch.

 

Een juridische onnauwkeurigheid ?

De Minister spreekt over het aanbrengen van digitale handtekeningen op de beslissing. Volgens de Minister zou het mogelijk zijn voor de griffier om een beslissing te laten handtekenen, dan scannen en dan als rechtsgeldig ondertekend digitaal over te maken. Ingevolge artikel 25,2 van de eIDAS-verordering[3] heeft evenwel enkel de gekwalificeerde elektronische handtekening dezelfde rechtsgevolgen als een handgeschreven handtekening. Deze verordening heeft een directe werking en is dus voor België bindend.

De gekwalificeerde elektronische handtekening is een handtekening die wordt toegevoegd aan een digitaal document en die zowel de identiteit van de ondertekenaar garandeert, alsook de integriteit van het ondertekende document. De identiteit wordt gegarandeerd doordat de ondertekening gepaard moet gaan met een manier van beveiligde authenticatie. In België gebruiken we hiervoor de eID, die in combinatie met de pincode de identiteit van de houder ervan garandeert. Bij het ondertekenen met gebruik van de eID, staat de identiteit van de ondertekenaar dus wettelijk vast. We kennen dit bijvoorbeeld van Tax-on-Web. Zoals gezegd moet ook de integriteit van het ondertekende document gegarandeerd worden. Dit houdt in dat na de ondertekening van het document, dit document niet meer kan gewijzigd worden. Wordt het wel gewijzigd, dan vervalt de elektronische handtekening automatisch. Technisch gebeurt dit door in de elektronische handtekening op onzichtbare wijze een kopie van het ondertekende document te voegen. Op het ogenblik dat de kopie en het ondertekende document van elkaar verschillen, vervalt de handtekening automatisch en is het document niet meer ondertekend.

Een handtekening scannen is geen gekwalificeerde elektronische handtekening en heeft geen rechtsgeldigheid. In de rechtbanken wordt de gescande handtekening tegenwoordig wel aanvaard, maar enkel via de omweg dat er geen nietigheid kan worden afgeleid uit een gescande handtekening omdat artikel 863 Ger.W. voorziet in een regularisatie ter zitting. Hieruit kan geconcludeerd worden dat een gescande handtekening geen substantieel vormgebrek is. Ook het Hof van Cassatie had, in burgerlijke zaken, voor de invoering van dit wetsartikel al het standpunt ingenomen dat een niet originele handtekening op een akte niet automatisch tot de nietigheid leidde.[4]

Deze zienswijze kan niet zomaar doorgetrokken worden voor vonnissen en arresten. Een regularisatie van de handtekening ter zitting is uiteraard onmogelijk. Aangezien de identiteit van de ondertekenaars, dus de rechters, raadsheren en/of griffiers, van openbare orde zijn en essentieel voor de beslissing, kan deze niet zomaar vervangen worden door een gescande handtekening.

Als de Minister van Justitie dus beweert dat vonnissen en arresten zomaar kunnen gescand worden met een handtekening erop en dat dit dan een rechtsgeldig digitale akte is, dan lijkt ons dat al te kort door de bocht. De enige elektronische handtekening die oi. wel rechtsgeldig is, is de gekwalificeerde elektronische handtekening. Dus de rechters en griffiers zullen moeten handtekenen met behulp van hun eID.

 

Een technische onnauwkeurigheid ?

De technologie om via VAJA een gekwalificeerde elektronische handtekening aan te brengen is te verouderd en het heeft geen zin om er daarom nog geld in te pompen, aldus de Minister. Wie een beetje thuis is in de technologie, fronst zoals gezegd de wenkbrauwen. Er zijn immers tools genoeg op de markt om aan documenten een elektronisch gekwalificeerde handtekening toe te voegen. Deze mogelijkheid is zelfs voorzien in de courante PDF’s van Adobe. De technologie van VAJA speelt dus geen enkele rol, aangezien de handtekening op het gegenereerde document wordt aangebracht. En dit document zal naar alle waarschijnlijkheid een PDF zijn, aangezien dit formaat leesbaar is voor zowat elke computer in België.

Bovendien is dit niet zo vernieuwend als wordt voorgehouden. Zelfs niet op nationaal niveau. De Raad van State maakt reeds geruime tijd gebruik van de gekwalificeerde elektronische handtekening om zijn arresten te ondertekenen. Onze overheid beschikt dus wel degelijk over de technologie en kennis om zijn vonnissen en arresten op rechtsgeldige wijze elektronisch te ondertekenen. Eens te meer het bewijs dat er geen enkele wisselwerking bestaat tussen de gemeenrechtelijke en de administratieve rechtbanken. Het kan de overheid toch niet zoveel kosten om zijn eigen technologie te gaan overnemen bij een ander departement?

Conclusie

Dat we op dit moment nog geen gebruik maken van elektronische vonnissen en arresten is niet te wijten aan de technologie. Het lijkt eerder te wijten te zijn aan een gebrek aan kennis en inzet door diegene die daarover moeten beslissen.

Een kleine investering door Justitie, zou een wereld van verschil kunnen betekenen voor de magistratuur, de advocatuur en de rechtszoekenden.

Moest u nog vragen hebben, aarzel niet om onze specialisten ter zake te contacteren:  info@studio-legale.be

 

Christian CLEMENT

Koen DE BACKER

 

[1] Zie oa http://www.studio-legale.be/inzage-belgische-strafdossiers-kijken-mag-nog-kopieren-niet-meer-altijd/?lang=nl

[2] https://e-justice.europa.eu/content_member_state_case_law-13-nl.do

[3] Verord. Ep en Raad nr. 910/2014, 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG, Pb. L. 28 augustus 2014, afl. 257, 73-114.

[4] Cass. 22 december 1992, AR C.94.0484.F

Wij zijn geen nichekantoor, maar bieden een doorgedreven specialisatie aan in een heel aantal rechtsdomeinen. We begeleiden graag ondernemingen van A-Z.

Wij zoeken 3 nieuwe krachten om ons team te vervoegen. Er wordt steeds een brede opleiding aangeboden in het burgerlijk en handelsrecht, doch er zal bij de respectievelijke profielen nadruk worden gelegd op enkele van volgende rechtstakken :

  • aansprakelijkheidsrecht
  • WCO
  • vennootschapsrecht
  • bouwrecht
  • GDPR
  • faillissementen
  • (handels)huur
  • verzekeringsrecht
  • familiaal vermogensrecht
  • sociaal recht
  • verkeersrecht
  • administratief recht (omgevingsvergunningsdecreet)

 

 

Wij zoeken zeer gemotiveerde en enthousiaste werkkrachten, die klaar zijn voor de uitdagingen waar de moderne advocatuur momenteel voorstaat.

Wij verwachten van u een zelfstandige en initiatiefrijke werkhouding, met een goede juridische kennis, pragmatisch denkvermogen en oog voor detail.

We hechten veel belang aan talenkennis (Engels en Frans).

 

 

Wij bieden een zeer dynamische werkplek waar collegialiteit en teamspirit hoog in het vaandel worden gedragen.

U mag een correcte vergoeding en een degelijke opleiding verwachten, waarbij ruimte wordt gelaten om uw eigen dossiers te behandelen.

Contact :

 

Elke Willems

elke.willems@studio-legale.be

03/216.70.70

De wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, ook wel de “Potpourri II-wet” genoemd, voert diverse aanpassingen door in het strafprocesrecht, en dit met het oog op een snellere en efficiëntere rechtsbedeling.

Middels een arrest dd. 21 december 2017 heeft het Grondwettelijk Hof evenwel geoordeeld dat enkele bepalingen van deze zgn. Potpourri II-wet ongrondwettig zijn. Dit is onder meer het geval voor de regels rond de hervorming van het Hof van Assisen.

De potpourri II-wet schafte met name de voorheen bestaande limitatieve lijst van misdaden die wegens verzachtende omstandigheden konden worden gecorrectionaliseerd af. Dit had als gevolg dat voortaan alle misdaden – ook de allerzwaarste – door de correctionele rechtbanken konden worden berecht, en niet meer – zoals vroeger – uitsluitend door het Hof van Assisen.

Minister van Justitie Koen Geens wilde met deze hervorming komaf maken met dure en tijdrovende assisenprocessen. Omwille van deze veralgemeende correctionaliseerbaarheid van misdaden heeft de wetgever simultaan ook de straffen die door de correctionele rechtbanken konden worden uitgesproken aanzienlijk verhoogd, met name tot veertig jaar i.p.v. de voorheen geldende grens van twintig jaar.

Art. 150 van de Grondwet schrijft echter voor dat alle criminele zaken door het Hof van Assisen moet worden behandeld. Dit artikel verplicht de wetgever m.a.w. om minstens de zwaarste misdrijven voor te behouden aan een volksjury. Door de wetswijziging konden echter alle misdaden onttrokken worden aan de rechter die de Grondwet toewijst.

Aangezien hierbij bovendien enkel het eerder subjectieve criterium van de ‘verzachtende omstandigheden’ wordt gehanteerd om te beslissen of een misdaad voor het Hof van Assisen dan wel voor de correctionele rechtbank wordt gebracht (en aldus de bevoegdheid van de rechtscolleges bepaalt), stelt het Grondwettelijk Hof dan ook zeer terecht dat de nieuwe regeling niet verzekert dat personen die zich in dezelfde toestand bevinden, volgens dezelfde regels inzake bevoegdheid en rechtspleging worden berecht, hetgeen het gelijkheidsbeginsel schendt.

Bovendien was het dus allesbehalve zeker dat deze ‘correctionalisering’ op basis van ‘verzachtende omstandigheden’ uiteindelijk in het voordeel van de beklaagde werkt, aangezien de correctionele rechtbank in bepaalde gevallen een hogere gevangenisstraf kan opleggen dan de minimale gevangenisstraf die het Hof van Assisen kan opleggen.

Het was hoogst merkwaardig te noemen dat wanneer men eerstens verzachtende omstandigheden moet aannemen om de zaak weg van assisen te houden, de uiteindelijke straf van de correctionele rechtbank toch hoger kan zijn dan wanneer men die zelfde zaak voor de jury van het Assisenhof brengt…

Het lijkt er inmiddels hoe langer hoe meer op dat ook deze Minister van Justitie er niet in zal slagen om dit laatste bastion van de hoogdemocratische ‘volksrechtspraak’ (een burger die beoordeeld wordt door een jury van zijn gelijken), de procedure voor het Hof van Assisen, af te schaffen.

Het zo veelvuldig aangekondigde wetsvoorstel rond de ‘Criminele Kamers’, waarmee het Kabinet van Justitie eerstens de vele criticasters van het de facto einde van de volksjury zoet trachtte te houden en vervolgens als antwoord bezigde op dit duidelijke terugfluiten door het Grondwettelijke Hof, zag inmiddels nog steeds het daglicht niet…

Indien u nog vragen heeft over dit artikel, aarzel dan zeker niet om onze specialisten te contacteren. Zij helpen u graag verder.

Christian CLEMENT

Sarah KLOECK

 

https://www.koengeens.be/news/2015/10/17/assisen-wordt-uitgedoofd
http://www.standaard.be/cnt/dmf20161007_02508140
https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2017/12/02/voor-assisen-of-voor-de-correctionele-rechtbank–een-wereld-van-/
https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2017/12/21/grondwettelijk-hof-vernietigt-assisenhervorming-/
https://nieuws.vtm.be/vtm-nieuws/binnenland/voor-lopende-zaken-verandert-er-niets
http://www.standaard.be/cnt/dmf20171221_03255615
http://www.knack.be/nieuws/belgie/grondwettelijk-hof-de-facto-afschaffing-van-assisen-is-een-schending-grondwet/article-normal-942547.htm
https://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20171221_03255625

Erkende daden van terrorisme

Koninklijk Besluit van 15 maart 2017 tot erkenning van daden van terrorisme in de zin van artikel 42bis van de wet van 1 augustus 1985 (BS 17 maart 2017)

22 mei 2017. Ariana Grande speelt een concert in het Manchester Arena. One last time – het slotnummer, krijgt plots een heel andere connotatie.

Nazinderend van de reeks aanslagen die in Europa én de rest van de wereld reeds gepleegd werden, wordt Europa opnieuw opgeschrikt door daden van terreur.

Terrorisme beheerst de samenleving sterker dan ooit.

Maar hoe zit het juist met de talloze slachtoffers en nabestaanden?

Zij komen in een juridisch en administratief kluwen terecht om enige vergoeding te bekomen.

De Belgische Staat is hier recent, in een eerste poging, aan tegemoet gekomen door daden van terrorisme te erkennen.

Sinds 15 maart 2017 bestaat er een lijst van daden in België en het buitenland die erkend worden als daden van terrorisme. Deze erkenning is nodig in het kader van de procedure die de financiële hulp aan de slachtoffers ervan regelt.

Uiteraard is deze lijst beperkt. Zij kan later, bij koninklijk besluit, nog aangevuld worden met andere daden van terrorisme.

Voortaan erkent de regering bepaalde daden als terreurdaden en dienen slachtoffers niet zelf meer aan te tonen dat een daad effectief een terroristische daad is.

De volgende terreurdaden zijn reeds door de regering erkend:

–          de aanslag van 8 juni 2012 op de metro in Brussel (België);

–          de aanslag van 24 mei 2014 op het Joods museum in Brussel (België);

–          de aanslag van 9 januari 2015 op een supermarkt in Parijs (Frankrijk);

–          de aanslag van 6 maart 2015 op straat in Bamako (Mali);

–          de aanslag van 18 maart 2015 op een museum in Tunis (Tunesië);

–          de aanslag van 26 juni 2015 op een strand in Sousse (Tunesië);

–          de aanslag van 13 november 2015 op een concertzaal en andere plaatsen in Parijs (Frankrijk);

–          de aanslag van 20 november 2015 op een hotel in Bamako (Mali);

–          de aanslag van 22 maart 2016 op de luchthaven van Zaventem en op het metrostation Maalbeek in Brussel (België);

–          de aanslag van 14 juli 2016 op de openbare weg in Nice (Frankrijk);

–          de aanslag van 6 augustus 2016 op straat in Charleroi (België);

–          de aanslag van 5 oktober 2016 op straat in Schaarbeek (België);

–          de aanslag van 1 januari 2017 in een discotheek in Istanboel (Turkije).

Slachtoffers van deze terreurdaden kunnen financiële hulp vragen bij de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en occasionele redders.

Slachtoffers van terreurdaden in het buitenland moeten over de Belgische nationaliteit beschikken of een duurzaam verblijf in België kunnen aantonen om in aanmerking te komen voor de financiële hulp. Slachtoffers van terreurdaden op het Belgisch grondgebied komen ongeacht hun nationaliteit in aanmerking voor de financiële hulp.

De slachtoffers van de erkende terreurdaden krijgen een speciaal statuut toegekend: het statuut van nationale solidariteit. De regelgeving omtrent dit statuut moet nog verder uitgewerkt worden.

Slachtoffers van deze erkende terreurdaden moeten zich niet langer burgerlijke partij stellen om aanspraak te kunnen maken op financiële hulp. Een aangifte bij de Commissie voor Financiële Hulp zou hiertoe moeten volstaan.

Door terreurdaden te erkennen, wordt de stap naar vergoeding voor slachtoffers reeds vereenvoudigd.

Dit KB bevat enkel een lijst van erkende terroristische daden.

In de wet bestaan er helaas nog enkele knelpunten, waardoor niet alle slachtoffers voor vergoeding in aanmerking komen.

Het is aan het parlement en de regering om spoedig werk te maken van een vereenvoudigd Fonds dat alle slachtoffers van terreurdaden vergoed.

Indien U vragen heeft over deze actuele rechtsproblematiek, aarzel niet om onze specialisten te raadplegen !

KB 15 maart 2017 tot erkenning van daden als daden van terrorisme in de zin van artikel 42bis van de wet van 1 augustus 1985, BS 17 maart 2017, 37771.

http://www.polinfo.be/NewsView.aspx?id=VS300510091&contentdomains=POLINFO&lang=nl

https://www.koengeens.be/news/2017/02/24/geens-geeft-slachtoffers-van-erkende-terreurdaden-recht-op-financiele-hulp

https://www.youtube.com/watch?v=irLSNF46bUk

———————————————–

Les actes reconnus de terrorisme

Arrêté royal du 15 mars 2017 portant reconnaissance d’actes en tant qu’actes de terrorisme au sens de l’article 42bis de la loi du 1er août 1985 (M.B. 17 mars 2017)

22 mai 2017. Ariana Grande donne un concert à la Manchester Arena. One last time – la chanson de clôture, prend soudain un autre sens.

Après une série d’attentats qui a frappé l’Europe et le reste du monde, l’Europe est à nouveau secouée par des actes de terrorisme.

Le terrorisme menace la société plus que jamais.

Mais qu’arrive-t-il aux victimes et survivants ?

Ils se retrouvent dans un imbroglio juridique et administratif pour tenter d’obtenir une indemnisation.

L’État belge a récemment introduit une première tentative de réponse à cette problématique en reconnaissant un certain nombre d’actes de terrorisme.

Il existe ainsi depuis le 15 mars une liste d’actes, en Belgique et à l’étranger, reconnus comme actes de terrorisme. Cette reconnaissance est nécessaire dans le cadre de la procédure qui règle l’aide financière aux victimes.

Cette liste est évidemment limitée. Elle pourra être étendue, par arrêté royal, à d’autres actes de terrorisme.

Le gouvernement reconnaît donc désormais certains actes déterminés comme des actes de terrorisme, les victimes ne devant dès lors plus démontrer elles-mêmes qu’un événement est effectivement un acte de terrorisme.

Les actes de terrorisme suivants sont d’ores et déjà reconnus par le gouvernement :

–          L’attentat dans le métro, le 8 juin 2012, à Bruxelles (Belgique);

–          L’attentat au musée juif, le 24 mai 2014, à Bruxelles (Belgique);

–          L’attentat dans un supermarché, le 9 janvier 2015, à Paris (France);

–          L’attentat en rue, le 6 mars 2015, à Bamako (Mali);

–          L’attentat dans un musée, le 18 mars 2015, à Tunis (Tunisie);

–          L’attentat sur une plage, le 26 juin 2015, à Sousse (Tunisie);

–          L’attentat dans une salle de concert et d’autres lieux, le 13 novembre 2015, à Paris (France);

–          L’attentat dans un hôtel, le 20 novembre 2015, à Bamako (Mali);

–          L’attentat à l’aéroport de Zaventem et dans la station de métro Maelbeek, le 22 mars 2016, à Bruxelles (Belgique);

–          L’attentat sur la voie publique, le 14 juillet 2016, à Nice (France);

–          L’attentat en rue, le 6 août 2016, à Charleroi (Belgique);

–          L’attentat en rue, le 5 octobre 2016, à Schaerbeek (Belgique);

–          L’attentat dans une discothèque, le 1er janvier 2017, à Istanbul (Turquie).

Les victimes de ces actes de terrorisme peuvent demander une aide financière à la Commission pour l’aide financière aux victimes d’actes intentionnels de violence et aux sauveteurs occasionnels.

Les victimes d’actes de terreur survenus à l’étranger doivent, pour bénéficier de cette indemnisation, disposer de la nationalité belge ou pouvoir démontrer une résidence durable en Belgique. Les victimes d’actes de terrorisme sur le territoire belge bénéficient de ce régime quelle que soit leur nationalité.

Les victimes d’actes de terrorisme se voient reconnaître un statut spécial : le statut de solidarité nationale. La législation relative à ce statut doit encore être finalisée.

Les victimes de ces actes de terrorisme reconnus ne doivent plus se constituer partie civile pour pouvoir prétendre à une aide financière. Une simple déclaration à la Commission pour l’aide financière aux victimes d’actes intentionnels de violence sera désormais suffisante.

L’indemnisation des victimes est donc facilitée par la reconnaissance du caractère terroriste d’un événement.

Cet arrêté royal ne contient rien d’autre qu’une liste d’actes de terrorisme reconnus. Il subsiste malheureusement dans la loi quelques points de blocage, qui font que toutes les victimes ne peuvent pas encore bénéficier d’une indemnisation.

Il appartient donc au parlement et au gouvernement d’œuvrer à établir un fonds qui indemnisera toutes les victimes d’actes de terrorisme.

Si vous vous posez des questions sur cette problématique actuelle, n’hésitez pas à prendre contact avec nos spécialistes !

AR du 15 mars 2017 portant reconnaissance d’actes en tant qu’actes de terrorisme au sens de l’article 42bis de la loi du 1er août 1985, M.B. 17 mars 2017, p. 37771.

http://www.polinfo.be/NewsView.aspx?contentdomains=POLINFO&id=VS300510081&lang=fr

https://www.koengeens.be/news/2017/02/24/geens-geeft-slachtoffers-van-erkende-terreurdaden-recht-op-financiele-hulp

https://www.youtube.com/watch?v=irLSNF46bUk

Als buitenlander bij verstek veroordeeld in België – Wat nu (met zo’n EAB) ?

  1. Wat is verzet ?

Wanneer men als buitenlander kennis krijgt van het feit dat men in België bij verstek is veroordeeld, is de eerste vraag steeds welke mogelijkheden er zijn om nog iets te doen tegen deze uitspraak.

Artikel 187 van het Belgische Wetboek van Strafvordering (W.Sv.) regelt wat dat betreft de mogelijkheid om in verzet te komen tegen een verstekvonnis of –arrest.

Verzet is een zogenaamd gewoon rechtsmiddel waarbij de zaak opnieuw voor hetzelfde rechtscollege wordt gebracht teneinde een nieuwe beoordeling toe te laten.

Van belang hierbij is dat men op verzet nooit een zwaardere sanctie kan krijgen dan deze opgelegd bij verstek. (Bij een hoger beroep kan dat wel indien het OM evenzeer beroep heeft aangetekend, wat zij meestal doen bij middel van een zgn ‘volgappel’)

  1. Wat zegt de Belgische Wet ?

Artikel 187 W.Sv. §1 bepaalt de voorwaarden waaronder verzet kan worden aangetekend:

Ҥ 1. De bij verstek veroordeelde kan tegen het vonnis in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop het is betekend.

Is de betekening van het vonnis niet aan hem in persoon gedaan, dan kan hij die bij verstek veroordeeld is, wat de veroordelingen tot straf betreft, in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen.

Indien hij hiervan kennis heeft gekregen door de betekening van een Europees aanhoudingsbevel of een uitleveringsverzoek of indien de lopende termijn van vijftien dagen nog niet verstreken was op het ogenblik van zijn aanhouding in het buitenland, kan hij in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij werd overgeleverd of in het buitenland terug in vrijheid werd gesteld.

Indien niet blijkt dat hij kennis heeft gekregen van de betekening, kan hij die bij verstek veroordeeld is in verzet komen totdat de termijnen van verjaring van de straf verstreken zijn.

Wat de burgerrechtelijke veroordelingen betreft, kan hij in verzet komen tot de tenuitvoerlegging van het vonnis.

De burgerlijke partij en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij kunnen alleen in verzet komen overeenkomstig de bepaling van het eerste lid.”


  1. Verplichte vermeldingen op het EAB aanwezig ?

Dit artikel betreft het hier in België bij wet van 30 december 2009 gegeven antwoord op art. 4bis §1 van het Kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Europese Raad van 26 februari 2009 (tot wijziging van het Kaderbesluit aangaande het Europees Aanhoudingsbevel 2002/584/JBZ).

Art 4bis §1 bepaalt overigens ook dat een lidstaat de uitvoering van een EAB mag weigeren indien in dat EAB zelve niet duidelijk aangegeven staat op welk wijze en binnen welke termijn verzet of hoger beroep kan aangetekend worden.

Altijd na te kijken, dus.

  1. Aanvangstermijn van de 15 dagen ?

Van belang bij het bovenstaande is dat de zinsnede “of in het buitenland terug in vrijheid werd gesteld.” niet de situatie voor ogen heeft waarbij iemand omwille van een Belgisch EAB in een andere lidstaat voorlopig in vrijheid wordt gesteld ofte een tijdelijke ‘schorsing’ krijgt van zijn EAB-arrestatie.

Het is pas na een eindbeslissing over de tenuitvoerlegging van het EAB (die meestal gepaard zal gaan met de effectieve overlevering naar België, maar soms ook met een invrijheidstelling in de eigen lidstaat ), dat de termijn kan beginnen lopen.

Dat is ook logisch, aangezien men anders dreigt terecht te komen in de situatie die men nu net tracht te vermijden door art 4bis §1 van het Europese EAB-kaderbesluit : wel overgebracht worden naar een andere lidstaat, maar ginds niet meer de beslissing ten gronde kunnen aanvechten.

Dan zou men letterlijk ‘overgeleverd’ worden aan de (soms toch Kafkaiaanse) Belgische justitie…

  1. Recente wijzigingen door de ‘Potpourri’ van onze Minister van Justitie ?

Met de recente “Potpourri II-wet” (wet van 28.01.2016, voor wat huidig onderwerp betreft in werking sinds 01.03.2016 jl) werd bovendien grondig gesleuteld aan het Belgische strafprocesrecht.

De mogelijkheid om op gegronde wijze verzet aan te tekenen werd daardoor danig ingeperkt.

Wanneer op ontvankelijke wijze – dus binnen de hierboven vermelde termijnen – verzet wordt aangetekend, kan de rechter het verzet nog steeds als “ongedaan” beschouwen.

Artikel 187, § 6 W.Sv. bepaalt voortaan:

   § 6. Het verzet wordt als ongedaan beschouwd :
1° indien de eiser in verzet, wanneer hij persoonlijk of in de persoon van een advocaat verschijnt en vaststaat dat hij kennis heeft gehad van de dagvaarding in de procedure waarin hij verstek heeft laten gaan, geen gewag maakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek bij de bestreden rechtspleging, waarbij het erkennen van de aangevoerde overmacht of reden overgelaten wordt aan het soevereine oordeel van de rechter;
2° indien de eiser in verzet nogmaals verstek laat gaan bij zijn verzet, en dat in alle gevallen, ongeacht de redenen voor de opeenvolgende verstekken en zelfs indien het verzet reeds ontvankelijk werd verklaard.

De bij verstek veroordeelde dient dan ook voortaan aan te tonen dat er sprake is geweest van overmacht of een wettige reden van verschoning waardoor hij niet aanwezig kon zijn bij de procedure waarin hij verstek heeft laten gaan.

Kan dit niet worden aangetoond, dan wordt het verzet ongedaan verklaard.

Op die manier komt uiteraard een moeilijke bewijslast te liggen op de bij verstek veroordeelde.

Wordt het verzet door de rechter uiteindelijk ongedaan verklaard, dan voorziet de wet wel dat hoger beroep tegen deze beslissing kan worden aangetekend.

Dergelijk hoger beroep houdt vervolgens in dat de grond van de zaak bij de rechter in beroep aanhangig wordt gemaakt.

Artikel 187, § 9 W.Sv. bepaalt namelijk:

Ҥ 9. Tegen de beslissing die op verzet is gewezen staat hoger beroep open of, indien zij gewezen is in hoger beroep, cassatieberoep.
Hoger beroep tegen de beslissing die het verzet als ongedaan beschouwt, houdt in dat de grond van de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de rechter in hoger beroep, ook al is er geen hoger beroep ingesteld tegen het bij verstek gewezen vonnis.”

De beroepsrechter zal dus volledig over de grond van de zaak dienen te oordelen en is niet beperkt tot de vraag of het verzet wel degelijk als ongedaan dient te worden beschouwd.

Christian Clement, Matthias Boeckstijns & Sarah Kloeck.

Aarzel niet om ons te contacteren indien u met een vonnis op verstek of een Belgisch EAB geconfronteerd wordt !

Medialinks:

http://www.handbook.ecba-eaw.org

Racisme en vrijheid van meningsuiting …

Naar aanleiding van het overlijden van de 15-jarige Belgische jongen in Marokko en de talloze negatieve reacties op sociale media en nieuwswebsites die daarop volgden, woedde het debat over racisme en vrijheid van meningsuiting weer volop.

Sommigen zijn van mening dat dergelijke reacties steevast onder de vrijheid van meningsuiting vallen.

Ook wordt luidop de vraag gesteld wat er gebeurd is met onze vrijheid om te kwetsen, hetgeen toch inherent is aan de vrijheid van meningsuiting.

Verschillende verenigingen, besturen en personen vragen zich daarentegen af of de verschillende racistische reacties die werden gepost niet strafrechtelijk gesanctioneerd kunnen worden.

Zij zijn van oordeel dat het gaat om racisme en vragen zich af of en onder welke voorwaarden dit strafbaar is.

De wet tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenophobie ingegeven daden van 30 juli 1981 bepaalt in dat verband de omstandigheden waaronder racisme strafbaar wordt gesteld.[i]

Artikel 20 van de wet stelt strafbaar hij die in een van de in artikel 444 van het Strafwetboek bedoelde omstandigheden aanzet tot discriminatie, haat of geweld jegens een persoon, een groep, een gemeenschap of de leden ervan en dit wegens een van de beschermde criteria.

De beschermde criteria zijn: nationaliteit, ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming (artikel 4, 4° van de wet).

De in artikel 444 van Strafwetboek bedoelde omstandigheden zijn:

–          Hetzij in openbare bijeenkomsten of plaatsen;

–          Hetzij in tegenwoordigheid van verscheidene personen, in een plaats die niet openbaar is, maar toegankelijk voor een aantal personen die het recht hebben er te vergaderen of ze te bezoeken;

–          Hetzij om het even welke plaats, in tegenwoordigheid van de beledigde en voor getuigen;

–          Hetzij door geschriften, al dan niet gedrukt, door prenten of zinnebeelden, die aangeplakt, verspreid of verkocht, te koop geboden of openlijk tentoongesteld worden;

–          Hetzij ten slotte door geschriften, die niet openbaar gemaakt, maar aan verscheidene personen toegestuurd of meegedeeld worden.

Artikel 21 van de wet stelt bovendien strafbaar hij die in de in artikel 444 van het Strafwetboek bedoelde omstandigheden, denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat verspreidt.

Belangrijk in dit verband is bovendien artikel 22 van de wet van 30 juli 1981.

Deze bepaling stelt dat hij die behoort tot een groep of tot een vereniging die kennelijk en herhaaldelijk discriminatie of segregatie wegens een van de beschermde criteria verkondigt in de in artikel 444 van het Strafwetboek bedoelde omstandigheden, dan wel aan zodanige groep of vereniging zijn medewerking verleent, gestraft kan worden.

Het hof van beroep te Gent heeft m.b.t. deze bepaling nadrukkelijk geoordeeld dat de zogenaamde groep of vereniging geen rechtspersoonlijkheid dient te hebben, zodat elke ‘groep’ of ‘vereniging’ onder deze bepaling valt[ii].

Maakt men deel uit van een feitelijke vereniging die discriminatoire gedachten vertolkt, dan kan men met andere woorden strafbaar worden gesteld.

Het “vertolken” van discriminatie of segregatie dient in dat verband echter wel te worden begrepen als het aanzetten tot discriminatie in de zin van artikel 20 van de wet.

Een persoon kan dus maar strafbaar worden gesteld als hij behoort tot of zijn medewerking verleent aan (bvb een webmaster, …) een groep of vereniging in zoverre de activiteiten van deze groep of vereniging onder de toepassing van artikel 20 van de wet vallen.

De bepaling van artikel 22 gaat daarmee beduidend verder dan de bepalingen van artikel 20 en 21 van de wet van 30 juli 1981.

Uiteraard zal wel steeds moeten worden aangetoond dat men met zekerheid heeft behoord tot een bepaalde groep of vereniging.

Teruggekoppeld naar het overlijden van de 15-jarige Belgische jongen in Marokko, blijkt dan ook dat het online posten van racistische commentaren of reacties zonder twijfel onder de voorwaarden van de wet van kan 30 juli 1981 vallen.

Meer bepaald artikel 21 stelt het publiceren van racistische denkbeelden strafbaar.

Alle personen die een racistische commentaar hebben geplaatst kunnen op grond van deze bepaling dus wel degelijk gestraft worden.

De vrijheid van meningsuiting is dus geen absoluut recht.

Artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) bepaalt immers dat de vrijheid van meningsuiting door een nationale wet aan beperkingen kan onderworpen worden (artikel 10, lid 2 EVRM).

Is een persoon slachtoffer van racisme en discriminatie op grond van de wet van 30 juli 1981, dan kan klacht worden ingediend tegen de dader.

Deze klacht kan worden ingediend door het slachtoffer zelf of door het interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme of een belangenvereniging zoals bedoeld in artikel 32 van de wet (artikel 14, §1 en 2 van de wet).

Het is dus perfect mogelijk dat een derde die niet het rechtstreekse slachtoffer is van de racisme het interfederaal Centrum contacteert om op die manier een klacht tegen de dader of daders te bekomen.

Is het slachtoffer een geïdentificeerd natuurlijk persoon of een rechtspersoon, dan is de vordering van het interfederaal Centrum of een belangenvereniging echter enkel ontvankelijk indien kan worden aangetoond dat het slachtoffer instemt met de klacht (artikel 33 van de wet).

De wet van 30 juli 1981 is een niet te onderschatten instrument in de bestrijding van racisme en discriminatie.

De wet bepaalt op ruime wijze in welke gevallen sprake is van racisme en discriminatie.

Het online publiceren van discriminatoire gedachten valt op die manier onder de strafbaarstelling van artikel 21 van de wet en kan worden gestraft.

Het deel uitmaken van of het meewerken aan een feitelijke vereniging die discriminatoire gedachten vertolkt (in de zin van artikel 20 van de wet) houdt eveneens een strafbaarheid in.

De vrijheid van meningsuiting wordt op die manier dan ook beperkt, zodat men niet om het even wat mag schrijven of publiceren.

Wordt een persoon in een online post toch gediscrimineerd, dan kan klacht worden ingediend door het slachtoffer zelf of door het interfederaal Centrum of een belangenvereniging.

 

Heeft u verdere vragen omtrent een klacht wegens racisme, aarzel dan zeker niet om ons te contacteren.

Christian Clement, Joost Peeters & Matthias Boeckstijns.

 

Voetnoten :

[i]http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_loi/change_lg.pl?language=nl&la=N&amp
;cn=1981073035&table_ name=wet
.

[ii] Gent, 4 november 2014, R.W. 2015-16, 267-275

 

Medialinks :

http://www.gva.be/cnt/dmf20160802_02408756/sociale-media-reageren-met-afgrijzen-op-vreselijke-reacties-mensen-generen-zich-niet-meer;

http://www.hbvl.be/cnt/dmf20160802_02408624/dood-van-15-jarige-genkenaar-lokt-schandalige-reacties-uit;

http://www.standaard.be/cnt/dmf20160802_02408832;

http://www.standaard.be/cnt/dmf20160802_02408647;

http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/binnenland/1.2727535.

http://ictrecht.be/featured-2/vrijheid-om-kwetsen-verloren-recht/;

http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/opinieblog/opinie/1.2735578.

http://www.studio-legale.be/anonieme-internetcommentaren-kunnen-niet-worden-bestempeld-als-valsheid-in-informatica/?lang=nl

 

[i] http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_loi/change_lg.pl?language=nl&la=N&cn=1981073035&table_name=wet.

[ii] Gent, 4 november 2014, R.W. 2015-16, 267-275

Getuigenverhoor ter zitting : mag men in België zowaar stilaan zijn onschuld bewijzen..?

Elke penalist onder de Moerdijk zal het zuchtend beamen: getuigen dagvaarden ter zitting met de bedoeling om ze te laten horen in de strafzaak van je cliënt mocht iedereen. Ze daadwerkelijk gehoord krijgen, laat staan ze zelf ondervragen, was echter zéér weinigen gegund…

Op het eerste zicht leek dit voor elke rechtgeaarde jurist zo evidente onderdeel van het recht op een eerlijk proces en de daarbij horende wapengelijkheid tussen de vervolgende instantie (in België het OM, vertegenwoordigd door de Procureur des Konings in eerste aanleg en de Procureur-generaal in graad van beroep) en de verdediging nochtans duidelijk verwoord in het artikel 6.3.d van het EVRM :

“3. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:

                        d. de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge;”

 In tegenstelling tot de accusatoire Angelsaksische landen (ofte dus de meeste ‘rechtbankscènes’ in films en op televisie…) , kent België echter een van oorsprong inquisitoire strafrechtelijke procedure, dwz. waar de rechter het onderzoek dirigeert en dus ook het nut van een getuigenverhoor mag beoordelen. Dit lezen we dan ook terug in de artikelen 153 (politierechtbanken) en 190 (correctionele rechtbanken) van ons Wetboek van Strafvordering :

de getuigen voor en tegen worden gehoord, indien daartoe grond bestaat”

 Via ons Hof van Cassatie kreeg de bovenvermelde duidelijke Europese (ofte ‘supranationale’) bepaling van art 6.3.d. van het EVRM rond het getuigenverhoor ter zitting door de loop van de jaren heen dan ook de volgende vernauwde invulling :

    • Het recht op een eerlijk proces houdt volgens het Hof van Cassatie niet in dat de beklaagde zoveel getuigen moet kunnen oproepen als hij nodig acht om zijn verweer te kunnen voeren. Een onbeperkt ondervragingsrecht leidt ertoe dat de verdachte de procedure kan afremmen door de rechter te bestoken met zinloze getuigenissen. Tevens zou de leiding van het proces niet meer toekomen aan de rechter (inquisitoir), maar aan de partijen (accusatoir).[1]
    • De rechter oordeelt op onaantastbare wijze over de noodzaak van een getuigenverhoor à décharge.[2]
    • De rechter mag een selectie maken uit het aanbod van getuigen en is niet verplicht de getuigen te ondervragen die reeds door de beklaagde zijn opgeroepen.[3]
    • Een door de verdediging bij schriftelijke conclusies gevraagd getuigenverhoor, kan door de rechter geweigerd worden door middel van een wel heel beperkte motivering : een afwijzing “bij gemis aan belang[4] of de zinsnede dat het “niet noodzakelijk is voor de waarheidsvinding”[5] kan volstaan.

Na heel wat eerdere en op elkaar voortbouwende princiepsarresten van het EHRM tegen andere lidstaten omtrent het recht op getuigenverhoor uit art 6.3.d EVRM[1], werd België op 14 juni 2016 jl veroordeeld en schijnt het EHRM (eindelijk) paal en perk te stellen aan bovenvermelde heersende cassatierechtspraak.

Het arrest Riahi / België van het EHRM van 14 juni 2016 kan niet anders dan als een keerpunt gezien worden voor het getuigenverhoor ter zitting in het Belgische strafprocesrecht, en wel omwille van de volgende duidelijke bewoordingen :

  • Het Hof stelt vervolgens vast dat het hof van beroep het verzoek van de verzoeker om D. te verhoren, heeft afgewezen. Het Hof stelt vast dat de rechtbank haar beslissing heeft gemotiveerd met de opmerking dat de schuld van de verzoeker voldoende blijkt ui de omstandige, precieze en genuanceerde verklaringen van D., afgelegd tegenover de politie en bevestigd tijdens het verhoor door de onderzoeksrechter. Het Hof merkt op dat het hof van beroep zich niet heeft beroepen op een verhindering van de getuige om ter terechtzitting een verklaring af te leggen. Het hof van beroep heeft evenmin een feitelijke, procedurele of juridische reden aangehaald die het verhoor van de getuige kan verhinderen”.[2]
  • “Het recht om belastende getuigen vragen te (doen) stellen is een waarborg voor het recht op een eerlijk proces, daar het niet alleen de wapengelijkheid tussen de aanklager en de verdediging beschermt maar de verdediging en Justitie ook een essentieel instrument biedt om de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van die belastende verklaringen te controleren en zo dus ook de gegrondheid van de tenlastelegging”.[3]
  • “Het Hof stelt vast dat het hof van beroep de verklaringen van D., afgelegd tegenover de politie en de onderzoeksrechter, heeft geanalyseerd en hun omstandig, precies en genuanceerd karakter heeft benadrukt. Het Hof onthoudt echter dat zulk verhoor op zichzelf niet kan volstaan om het ontbreken van het getuigenverhoor te compenseren voor de verdediging. Hoe rigoureus dit onderzoek door de vonnisrechter ook wordt gevoerd, dit behelst slechts een onvoldoende controle in die zin dat het niet toelaat te beschikken over elementen die voortkomen uit een openbare confrontatie tussen de beklaagde en de aanklager.

Hiermee rekening houdende, meent het Hof dat de doorslaggevende aard van de verklaringen van D., zonder confrontatie met de beklaagde in een openbare terechtzitting, er toe leidt dat de rechter, hoe zorgvuldig hij de verklaring ook onderzoekt, de betrouwbaarheid van dat bewijs niet accuraat en eerlijk kunnen beoordelen.

Het Hof besluit dan ook dat de rechten van verdediging onderworpen zijn aan een beperking die niet verzoenbaar is met het recht op een eerlijk proces, de procedure in zijn geheel bekeken. Er is dan ook een schending van artikel 6 §1 en §3 (d).”[1]

 Laat ons hopen dat de Belgische correctionele rechters ten gronde er ook zo over denken, te meer nu door de tweede ‘Potpourriwet’ van 5 februari 2016 jl ook de zwaarste misdrijven voor hun kamers kunnen gebracht worden, daar waar deze levensdelicten voordien altijd voor het Hof van Assisen moesten behandeld werden voor een jury van 12 burgers die ter zitting overgingen tot het onderzoek van de zaak via … getuigenverhoren ter zitting.

[1] DE SMET, B., “Oproepen en ondervragen van getuigen à décharge”, noot onder Cass. 23 november 2010, R.W. 2011-2012, nr 7, pag 369-370
[2] oa. Cass. 29 oktober 1985, Arr. Cass. 1985-86, 135
 [3] oa. Cass. 3 november 1987, Arr. Cass. 1987-88, 140
[4] oa. Cass. 17 oktober 1990, Arr. Cass. 1990-91, 189
[5] oa. Cass. 23 november 2010, R.W. 2011-2012, nr 7, pag 367-370 met noot DE SMET, B.
[6] Zie oa. EHRM 23 april 1997, Van Mechelen ea. / Nederland ; EHRM 13 oktober 2005, Bracci / Italië, nr. 36822/02 ; EHRM 28 september 2010, A.S. / Finland, nr. 40156/07 ; EHRM 15 december 2011, Al-Khawaja en Tahery / V.K., nr. 26766/05 en 22228/06 ; EHRM 13 maart 2012, Karpenko / Rusland, nr. 5605/04 ; EHRM 22 november 2012, Tseber / Tsjechië, nr. 46203/08 ; EHRM 15 december 2015, Schatschaschwili / Duitsland, nr. 9154/10 ; EHRM 24 mei 2016, Przydzial / Pol
en, nr 15847/08
[7]EHRM 14 juni 2016, Riahi / België, nr. 65400/10, § 36 (vrije vertaling)
[8]EHRM 14 juni 2016, Riahi / België, nr. 65400/10, § 39 (vrije vertaling)
 [9]EHRM 14 juni 2016, Riahi / België, nr. 65400/10, § 41-43 (vrije vertaling)

Heeft u vragen of opmerkingen bij dit artikel, aarzel dan niet om contact met ons op te nemen.

Medialinks:

‘Criminele kamer’ bespreekbaar voor Vlaamse Balies
http://www.standaard.be/cnt/dmf20160903_02452474
http://www.standaard.be/cnt/dmf20160907_02458681
https://www.facebook.com/Studio-Legale-140460979359015/?fref=ts
https://www.jubel.be/getuigenverhoor-ter-zitting-mag-men-belgie-zowaar-stilaan-zijn-onschuld-bewijzen/
http://www.demorgen.be/binnenland/justitieminister-koen-geens-voorziet-nieuwe-assisenprocedure-bb34beac/
 
 

In 2004 ging in de schoot van het wereld anti-dopingagentschap, of kort gezegd “WADA”, een anti-dopingcode van kracht (WADA-code). Aan de hand van deze code wordt getracht regelgeving en sancties omtrent doping wereldwijd te harmoniseren.

Op 15 november 2013 werd door WADA in het Zuid-Afrikaanse Johannesburg een wijziging van de WADA-code aanvaard. De deelnemende lidstaten moeten de wijzigingen tegen 2015 omzetten in eigen wetgeving. De nieuwe WADA-code zal met ingang van 1 januari 2015 van kracht worden.[1]

Het ontwerpdecreet over de nieuwe antidopingcode is op 7 november 2014 door de Vlaamse regering goedgekeurd. De nieuwe wijzigingen bestaan onder andere uit: een verhoging van de strafmaat van 2 naar 4 jaar, een optrekking van de verjaringstermijn van 8 naar 10 jaar en het optreden tegen de trainers en de begeleiders van de betrokken sporter.[2] Het is duidelijk dat er een verstrenging werd doorgevoerd in plaats van een versoepeling.

In dopingzaken is er van een eerlijk proces weinig sprake. Wanneer er een verboden stof in het lichaam van een sporter gevonden wordt, ontstaat er een onweerlegbaar vermoeden van schuld dat die sporter een dopinginbreuk heeft begaan. Het principe dat in dopingzaken wordt gehanteerd is ‘schuldig tot het tegendeel bewezen is’. De betrokken sporter moet nu zelf gaan aantonen dat het bewijs van aanwezigheid van verboden stof in zijn lichaam gebrekkig is. Hij moet proberen te bewijzen dat er fouten gemaakt zijn tijdens de procedure. Dit is een onredelijk zware opdracht voor de sporter, zijn goede naam wordt hierdoor ook al besmeurd. Denk maar aan de pijnlijke zaak van tienkamper Thomas Van der Plaetsen: Een positieve dopingtest werd bij hem vastgesteld waardoor hij onterecht als dopingzondaar bestempeld werd (de positieve test was te wijten aan teelbalkanker).[3]

In Vlaanderen hebben we aangenomen dat de overtreding vaststaat zonder dat een intentie moet worden bewezen. Als onschuldige sporters even zwaar gestraft worden als schuldige sporters, wordt een negatief signaal de wereld ingestuurd. De fundamentele rechten van de sporter dreigen hierbij aangetast te worden.[4]

Wielrenner Bjorn Leukemans werd door de disciplinaire raad van de Vlaamse gemeenschap veroordeeld tot 9 maanden schorsing. Na een tegenaanval van de advocaat van Leukemans, werd de schorsing vernietigd. De motivering van de Raad van State luidde als volgt: “Als een sanctie wordt opgelegd, is het aan de tuchtorganen om te bewijzen dat de sporter in de fout is gegaan. Er kan geen sprake zijn van een aansprakelijkheid van de sporter waardoor de bewijslast wordt omgekeerd.

Dit was een historische uitspraak in de dopingrechtspraak. Laat ons hopen dat ze die uitspraak nog veel zullen gebruiken in de komende dopingzaken. In het licht hiervan is de verstrenging ongehoord.

“Dit betekent meteen ook dat er geen sprake kan zijn van een foutloze aansprakelijkheid in hoofde van de sporter waardoor de bewijslast zou worden omgekeerd. In tegendeel brengt de mogelijkheid tot het opleggen van enige tuchtsanctie door de Sportbonden en tuchtoverheden, met zich mee dat het aan die organen toekomt te bewijzen dat de betrokken sporter in de fout is gegaan, of nog dat hij schuld heeft aan zijn positieve dopingtest. Wanneer aldus zou komen vast te staan dat die sporter wel degelijk schuld treft, kan het betrokken tuchtorgaan een sanctie opleggen, maar dan nog steeds rekening houdende met alle elementen van het dossier, hetgeen van belang kan zijn bij het bepalen van de strafmaat. Wanneer de sporter niets valt te verwijten en hij derhalve geen schuld treft, kan hij ook niet gesanctioneerd worden.”[5]

 

 

 

 

[1] KABINET P. MUYTERS, “Nieuwe WADA-code strenger, slimmer en klantvriendelijker”, Brussel, 15 november 2013.

[2] “Philippe Muyters: “Nieuwe antidopingcode is strenger maar menselijker””, Het Laatste Nieuws, 7 november 2014.

[3] “Belgische atleet moet niet meer bewijzen hoe doping in zijn lichaam komt.” Het Nieuwsblad, 20 juli 2012.

[4] L. Declerq, “De bestraffing van dopingpraktijken in topsport”, Jura Falconis, Jg.48, 2011-2012, nummer3.

[5] Arr. RvS nr. 220.084, 28 juni 2012.

Hoofdwebsite Contact
afspraak maken upload






      GDPR proof area
      Upload uw documenten





      sleep uw documenten naar hier of kies bestand


      sleep uw briefwisseling naar hier of kies bestand











        Benelux (€... )EU (€... )Internationaal (prijs op aanvraag)

        Door de aanvraag in te dienen, verklaart u zich uitdrukkelijk akkoord met onze algemene voorwaarden en bevestigt u dat u onze privacyverklaring aandachtig heeft gelezen. Het verzenden van deze aanvraag geldt als een opdrachtbevestiging.
        error: Helaas, deze content is beschermd!