juni 2026 - STUDIO-LEGALE
Maand: juni 2026
PDF

Arbeidsrelaties worden net zoals vele andere zaken in onze maatschappij steeds meer gedigitaliseerd. Denk aan de elektronische ondertekening van arbeidsovereenkomsten en de correspondentie tussen werkgever en de werknemer die tegenwoordig bijna uitsluitend via elektronische weg plaatsvindt. Ook het ontslag voelt de impact van de digitalisering. In de praktijk rijst steeds vaker de vraag of de kennisgeving van de redenen bij een ontslag om dringende reden rechtsgeldig kan gebeuren via een elektronische aangetekende zending. Artikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet (WAO) definieert het begrip dringende reden als volgt: “Onder dringende reden wordt verstaan de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt.” Omdat een ontslag om dringende reden strikte vormvereisten kent, loont het de moeite om de recente rechtspraak hierover goed te kaderen.

De elektronisch aangetekende zending

Volgens de wet betreffende de postdiensten is een aangetekende zending een dienst die tegen een vaste vergoeding bescherming biedt tegen verlies, diefstal of beschadiging, en waarbij de afzender desgevraagd een bewijs krijgt van de datum van verzending of aflevering aan de geadresseerde. Op grond van deze wet hebben papieren én elektronische aangetekende zendingen dezelfde juridische waarde.

De eIDAS-verordening regelt de elektronische variant. Voldoet zo’n dienst aan de strenge voorwaarden van art.&nbsp44 van de eIDAS-verordening, dan is ze ‘gekwalificeerd’ en extra betrouwbaar. Die erkende aanbieders zijn terug te vinden op de ‘EU Trusted Lists’.

Er bestaat ook een hybride oplossing: digitaal versturen, maar fysiek bezorgen als dat nodig is – zonder dat de ontvanger eerst moet instemmen. Indien de zending voldoet aan de voorwaarden van bijlage II van het WER, wordt dit gelijkgesteld met de gekwalificeerde aangetekende zending.

Artikel 43 van de eIDAS-verordening bepaalt dat elektronisch aangetekende zendingen altijd toegelaten zijn als bewijs in de rechtbank, ook als ze niet ‘gekwalificeerd’ zijn. Gebruik je wél een gekwalificeerde dienst onder de eIDAS-verordening, dan geldt er een sterk vermoeden dat de gegevens correct, ongewijzigd en op het juiste moment door de juiste personen zijn verzonden en ontvangen.

Het Wetboek Economisch Recht erkent bovendien uitdrukkelijk de juridische geldigheid van elektronische communicatie. Artikel XII.15 WER bepaalt immers dat “aan elke wettelijke of reglementaire vormvereiste voor de totstandkoming van contracten langs elektronische weg is voldaan wanneer de functionele kwaliteiten van deze vereiste zijn gevrijwaard.” De wet stelt dus dat elektronische contracten even geldig zijn als papieren contracten, zolang de gebruikte digitale techniek dezelfde garanties biedt inzake identificatie, bewijs en onveranderlijkheid.

Procedure ontslag om dringende reden en de elektronische aangetekende zending

Artikel 35 WAO bepaalt de procedure van ontslag om dringende reden als volgt:

“(…) Ontslag om een dringende reden mag niet meer zonder opzegging of vóór het verstrijken van de termijn worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de partij die zich hierop beroept.

Alleen de dringende reden waarvan kennis is gegeven binnen drie werkdagen na het ontslag kan worden aangevoerd ter rechtvaardiging van het ontslag zonder opzegging of vóór het verstrijken van de termijn.

Op straffe van nietigheid, geschiedt de kennisgeving van de dringende reden hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot.

Deze kennisgeving kan ook geschieden door afgifte van een geschrift aan de andere partij. De handtekening van deze partij op het duplicaat van dit geschrift geldt enkel als bericht van ontvangst van de kennisgeving.

De partij die een dringende reden inroept, dient hiervan het bewijs te leveren; bovendien moet zij bewijzen dat zij de termijnen voorzien in het derde en vierde lid geëerbiedigd heeft.”

Wanneer een partij in de arbeidsrelatie zekere kennis heeft van de feiten die een zware fout uitmaken, moet het ontslag binnen 3 werkdagen aan de andere partij worden gemeld. De partij die het ontslag om dringende reden inroept, moet de exacte redenen die de oorzaak zijn van de beëindiging binnen 3 werkdagen na het ontslag ter kennis brengen aan de andere partij. Dit moet, op straffe van nietigheid, gebeuren via:

  • een ter post aangetekende brief;
  • een gerechtsdeurwaardersexploot;
  • een schriftelijk document opgesteld in twee exemplaren en ondertekend voor ontvangst.

Wat zegt de rechtspraak?

In een recente zaak van 13 oktober 2025 voor de arbeidsrechtbank Antwerpen werd betwist of een kennisgeving gedaan door de werkgever via een elektronisch aangetekende zending van ‘Connect Solutions’ rechtsgeldig was. De werknemer stelde dat artikel 35 WAO enkel een klassieke aangetekende brief via bpost toelaat. De werkgever voerde aan dat gebruik werd gemaakt van een door de Europese Commissie erkende gekwalificeerde dienst, en de kennisgeving daarom wel conform was.

De rechtbank volgde die redenering en verwees naar het niet-discriminatieprincipe van artikel 43 van de eIDAS-verordening: een gekwalificeerde elektronische aangetekende zending is juridisch gelijkwaardig aan een papieren aangetekende brief en biedt vergelijkbare waarborgen, zoals een vaste datum en identificatie via ‘itsme’. In dat licht oordeelde de rechtbank dat de kennisgeving op zich rechtsgeldig was en dat ook de omschrijving van de dringende reden voldoende precies was. Wel stelde zij vast dat de werkgever uiteindelijk niet slaagde in de bewijslast van het bestaan en de gegrondheid van de ingeroepen dringende reden.

Dit onderscheid is juridisch belangrijk: het gaat hier niet om een gebrek aan motivering van de kennisgeving, maar om het onvoldoende bewijs van de ingeroepen dringende reden zelf. Het vonnis benadrukt daarmee het verschil tussen de formele geldigheid van de kennisgeving en de materiële gegrondheid van de ontslagreden.

Een gelijkaardige strikte lezing van de vormvereisten vinden we terug in de rechtspraak van het arbeidshof Antwerpen. In een arrest van 10 december 2024 oordeelde het hof dat een elektronisch ondertekende opzegging via een platform zoals DocuSign niet voldeed aan de wettelijke vormvereisten van de Arbeidsovereenkomstenwet, met als gevolg dat de opzegging in principe absoluut nietig was. Het hof onderstreepte daarbij het strikte karakter van de vormvereisten bij ontslag.

In een later arrest van 8 april 2025 in hetzelfde dossier ging het arbeidshof verder in op de concrete gevolgen van die nietigheid. Hoewel de nietigheid werd bevestigd, kwalificeerde het hof het gedrag van de werkgever als rechtsmisbruik, omdat deze zich pas op de nietigheid beriep nadat de werknemer een beschermingsvergoeding had gevorderd. Als sanctie werd geoordeeld dat de werkgever zich niet langer op de nietigheid kon beroepen, waardoor hij alsnog de beschermingsvergoeding van vier jaar loon verschuldigd bleef.

Samen tonen deze beslissingen dat de rechtspraak enerzijds strikt blijft toezien op de naleving van de vormvereisten bij ontslag, maar anderzijds ook corrigerend optreedt wanneer die regels op een oneigenlijke of strategische manier worden ingeroepen.

Toestemming voor elektronische kennisgevingen?

Artikel XII.25, §1 WER vertrekt vanuit een duidelijk principe: niemand kan worden verplicht om juridische kennisgevingen elektronisch te ontvangen. Dat lijkt eenvoudig, maar in de praktijk zorgt dit net voor heel wat discussie wanneer het gaat om ontslag om dringende reden en de vraag of een voorafgaande toestemming vereist is.

In de rechtspraak is daar namelijk nog geen volledige eensgezindheid over. Zo oordeelde de arbeidsrechtbank Luik op 23 mei 2024 vrij strikt dat een elektronische aangetekende zending slechts rechtsgeldig is wanneer de werknemer vooraf expliciet met deze communicatiewijze heeft ingestemd.

De arbeidsrechtbank Antwerpen koos in haar uitspraak van 13 oktober 2025 een meer pragmatische benadering. Daar werd geoordeeld dat de elektronische kennisgeving wél geldig was, omdat aan de voorwaarden van de eIDAS-verordening was voldaan én omdat de werkneemster de zending effectief had geopend en er zelfs per e-mail op had gereageerd. Belangrijk daarbij was ook dat er geen sprake was van een opgelegde digitale communicatie: als de zending niet was geopend, zou ze automatisch zijn omgezet in een klassieke aangetekende zending via bpost.

Toch blijft de voorzichtigheid geboden. Zelfs al laat de wet ruimte voor elektronische communicatie, dan nog is het in de praktijk aangewezen om het zekere voor het onzekere te nemen. Een voorafgaande toestemming blijft daarom sterk aanbevolen en kan best expliciet worden vastgelegd in de arbeidsovereenkomst, het arbeidsreglement of in een afzonderlijke toestemmingsverklaring waarin de werknemer ondubbelzinnig akkoord gaat met elektronische kennisgevingen.

Conclusie

De verdere digitalisering van het arbeidsrecht is duidelijk ingezet, maar vraagt om juridische precisie en zorgvuldige toepassing in de praktijk.

De recente rechtspraak lijkt elektronische aangetekende zendingen onder bepaalde voorwaarden te aanvaarden als geldige kennisgeving van een ontslag om dringende reden. Daarbij spelen niet alleen de naleving van de eIDAS-verordening en het gebruik van een gekwalificeerde dienstverlener een rol, maar ook feitelijke elementen zoals de effectieve kennisname door de werknemer. Toch blijft de rechtszekerheid op dit punt voorlopig beperkt, en is de discussie over toestemming en kennisname nog niet volledig uitgeklaard.

Hoewel sommige rechtbanken een pragmatische benadering hanteren wanneer blijkt dat de werknemer de zending effectief heeft geopend en erop heeft gereageerd, blijft er onzekerheid bestaan. Het risico dat de rechtspraak evolueert richting strengere vereisten rond toestemming of ontvangst kan niet worden uitgesloten.

Om die reden blijft voorzichtigheid aangewezen. In de huidige stand van de rechtspraak biedt de klassieke aangetekende brief vanuit bewijsrechtelijk en praktisch oogpunt nog steeds de meest veilige optie voor de kennisgeving van de dringende reden. De elektronische aangetekende zending kan in bepaalde gevallen een interessante aanvulling zijn, maar de toepassingsvoorwaarden blijven in ontwikkeling, waardoor terughoudendheid vandaag nog steeds gerechtvaardigd is.

Heeft u vragen over ontslag of wilt u zelf gebruikmaken van een elektronische aangetekende zending? De advocaten van Studio-Legale helpen u daar graag bij.

Auteurs: Joost Peeters en Michalina Paprocka

Bronnen:

  • Verordening (EU) 910/2014 van 23 juli 2014 van het Europees Parlement en de Raad betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG, Pb.L. 257, 28 augustus 2014 (eIDAS-verordening);
  • Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomstenwet (WAO), BS 22 augustus 1978, 9277;
  • Wet van 26 januari 2018 betreffende de postdiensten, BS 9 februari 2018, 9855;
  • Artikel XII.15 WER;
  • Artikel XII.25, § 1 en § 7 WER;
  • Arbeidshof Antwerpen 8 april 2025, AR 2023/AA/254;
  • Arbrb. Antwerpen 13 oktober 2025, AR 25/227/A;
  • Arbrb. Luik 23 mei 2024, AR 23/90/A;
  • L. DE BETHUNE en L. DRECHSLER, “eIDAS II: het sluitstuk van de Europese digitale transitie?”, Computerr. (NL) 2025, afl. 4, 242.
PDF

Het gebeurt wel eens dat een vonnis niet helemaal duidelijk of zelfs onafgewerkt is. Rechters zijn mensen en vergissen is menselijk… We denken aan onduidelijke formuleringen, rekenfouten of eenvoudigweg het vergeten van een vordering te behandelen. Velen zouden denken dat er dan beroep moet aangetekend worden, maar dat is niet altijd nodig en soms zelfs uitgesloten.

Het Gerechtelijk Wetboek voorziet immers in afdeling IX een heel aantal artikelen over de ‘Uitlegging en verbetering van de rechterlijke beslissing en herstel van het verzuim uitspraak te doen over een punt van de vordering’ (art. 793–801bis Ger.W.). Deze procedures laten toe om technische of formele gebreken recht te zetten, zonder dat de rechter zijn beslissing inhoudelijk herbekijkt.

Uitlegging (art. 793 Ger.W.) is bedoeld voor situaties waarin een beslissing onduidelijk of dubbelzinnig is. De rechter die het vonnis heeft gewezen, kan het verduidelijken, maar mag daarbij de rechten van de partijen niet uitbreiden, beperken of wijzigen. Het gaat dus louter om uitleggen van wat reeds beslist werd, niet om een nieuwe beoordeling.

Verbetering (art. 794 Ger.W.) heeft betrekking op kennelijke fouten, zoals verschrijvingen, rekenfouten of andere materiële vergissingen. Denk bijvoorbeeld aan een foutieve optelling van schadeposten of een verschrijving in een naam, het wisselen van partijen, het verwisselen zelfs van eiser en verweerder, etc. De rechter kan deze fouten te allen tijde, zelfs ambtshalve, corrigeren, op voorwaarde dat de correctie steun vindt in het dossier, de stukken of de wet. Ook hier geldt een belangrijke beperking: de verbetering mag geen impact hebben op de inhoud van de beslissing. Het onderscheid tussen een materiële fout en een inhoudelijke beoordeling is daarbij cruciaal.

Daarnaast voorziet de wet in het herstel van een omissie (art. 794/1 Ger.W.), wanneer de rechter heeft nagelaten om uitspraak te doen over een onderdeel van de vordering. In dat geval kan de beslissing worden aangevuld, zonder afbreuk te doen aan de reeds beslechte geschilpunten. Deze mogelijkheid is echter onderworpen aan een vervaltermijn van één jaar na het in kracht van gewijsde gaan van de beslissing.

De procedure zelf is relatief eenvoudig: de vordering wordt ingesteld bij de rechter die de beslissing heeft gewezen (art. 795 Ger.W.), via een verzoekschrift op tegenspraak of een gezamenlijk verzoekschrift (art. 796 Ger.W.). De rechter kan ook ambtshalve optreden (art. 797 Ger.W.). Tegelijk legt de wet duidelijke grenzen op: deze procedures mogen niet worden gebruikt als een verkapt rechtsmiddel, en zij zijn niet mogelijk wanneer de beslissing reeds wordt aangevochten via hoger beroep of cassatie (art. 798 en 799 Ger.W.).

In een recent arrest van het Hof van Cassatie van 2 april 2026 bevestigt het Hof dat de verbeteringsprocedure enkel betrekking heeft op louter materiële vergissingen. In die zaak hadden de feitenrechters de procedure aangewend om de ondertekening van een vonnis te “corrigeren” door deze te vervangen door die van een andere rechter. Het Hof oordeelde dat dit geen materiële fout betreft, maar een fundamenteel gebrek dat niet via een verbetering kan worden rechtgezet. Door toch van deze procedure gebruik te maken, hadden de rechters artikel 794 Ger.W. geschonden. (Cass. 2 april 2026, ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260402.1N.9)

Dit arrest onderstreept dat de verbeteringsprocedure geen middel is om wezenlijke gebreken in een beslissing te herstellen of om de beslissing alsnog te “regulariseren”. Zodra de correctie raakt aan de essentie van de rechterlijke beslissing of aan de totstandkoming ervan, is deze weg afgesloten.

Tot slot bevat het Gerechtelijk Wetboek nog enkele praktische regels, onder meer inzake kosten (art. 801 Ger.W.) en de vermelding van de verbeterende beslissing op het oorspronkelijke vonnis (art. 800 Ger.W.). Deze bepalingen bevestigen dat het gaat om een aanvullend mechanisme dat nauw verbonden blijft met de oorspronkelijke beslissing.

Besluit

De procedures van uitlegging, verbetering en herstel van omissies vormen een efficiënt en noodzakelijk correctiemechanisme binnen het procesrecht. Ze bieden een snel alternatief voor zwaardere rechtsmiddelen, maar zijn strikt afgebakend.

De relevante wetsartikelen

Afdeling IX. Uitlegging en verbetering van de rechterlijke beslissing en herstel van het verzuim uitspraak te doen over een punt van de vordering

Art. 793. De rechter die een onduidelijke of dubbelzinnige beslissing heeft gewezen, kan die uitleggen, zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen. [1 De beslagrechter kan een onduidelijke of dubbelzinnige beslissing uitleggen, zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen.

Art. 794. Het gerecht dat de beslissing heeft gewezen, het gerecht waarnaar de beslissing werd verwezen of de beslagrechter kunnen te allen tijde ambtshalve of op verzoek van een partij elke kennelijke rekenfout of verschrijving of andere kennelijke leemte dan het in artikel 794/1 bedoelde verzuim uitspraak te doen over een punt van de vordering, met inbegrip van een inbreuk op artikel 780, met uitsluiting van artikel 780, eerste lid, 3° of op artikel 782, § 2 en met inbegrip van een louter formele miskenning van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, verbeteren, zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen. De verbetering vindt steun in de wet, het dossier van de rechtspleging of de stavingsstukken die werden voorgelegd aan de rechter die de te verbeteren beslissing heeft uitgesproken.

Art. 794/1. Het gerecht dat verzuimd heeft zich over een punt van de vordering uit te spreken, kan, mits rekening te houden met de in artikel 748bis vervatte regels, dit verzuim herstellen zonder afbreuk te doen aan de over de reeds beslechte geschilpunten uitgesproken beslissingen. Het verzoek dient op straffe van verval]2 te worden ingediend ten laatste een jaar nadat de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.

Art. 795. De vorderingen [1 tot uitlegging, verbetering of herstel van [2 het verzuim uitspraak te doen over]2 een punt van de vordering]1 worden gebracht voor de rechter die [1 de uit te leggen, te verbeteren of te herstellen beslissing heeft gewezen, of voor het gerecht waarnaar de beslissing wordt verwezen.

Art. 796. [1 De zaak wordt aan de rechter voorgelegd bij verzoekschrift op tegenspraak als bedoeld in de artikelen 1034bis tot 1034sexies dan wel bij gezamenlijk verzoekschrift overeenkomstig artikel 706. Het verzoekschrift kan alleen worden ingediend als de beslissing niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een uitlegging, rechtzetting of herstel van een omissie

Art. 797. Uitlegging en verbetering kunnen ambtshalve geschieden. Een rechtsmiddel als bedoeld in boek III van het vierde deel kan niet worden aangewend wanneer uitsluitend de uitlegging of verbetering van de betrokken beslissing of het herstel in die beslissing van het verzuim uitspraak te doen over een punt van de vordering wordt beoogd.

Art. 798. Tenzij alle partijen in het geding het eens zijn, kan de vordering tot uitlegging niet worden ingesteld voordat de termijnen van hoger beroep of van voorziening in cassatie zijn verstreken. Zij kan niet worden ingesteld wanneer tegen de beslissing hoger beroep of voorziening in cassatie is ingesteld. De uitlegging van het bevestigde vonnis staat aan de rechter die deze bevestiging uitspreekt.

Art. 799. De rechter mag een beslissing enkel verbeteren of oordelen over het verzuim uitspraak te doen over een punt van de vordering in zover de beslissing niet is bestreden.

Art. 800. De griffier maakt, op de kant van de oorspronkelijke beslissing, melding van het beschikkende gedeelte van de uitleggende of verbeterende beslissing, dan wel van de beslissing waarbij uitspraak wordt gedaan over het verzuim uitspraak te doen over]2 een punt van de vordering.]1 Geen uitgifte, afschrift, noch uittreksel van de oorspronkelijke beslissing]1 mag worden uitgereikt, tenzij daarop melding is gemaakt van het beschikkende gedeelte der uitleggende of verbeterende beslissing, dan wel van de beslissing waarbij uitspraak wordt gedaan over [2 het verzuim uitspraak te doen over]2 een punt van de vordering.

Art. 801. Hij die uitlegging, verbetering, of een uitspraak over de omissie van een punt van de vordering vordert]1, geeft het bedrag van de kosten die normaliter door of krachtens de wet verschuldigd zijn op het moment dat de vordering wordt ingediend, in consignatie ter griffie. Indien de beslissing de vordering toewijst, komen de kosten ten laste van de Staat, en wordt de in consignatie gegeven som aan de eiser teruggegeven. In het tegenovergestelde geval kunnen de kosten geheel of gedeeltelijk ten laste van de eiser worden gebracht en van het in consignatie gegeven bedrag worden afgenomen.

Art. 801/1. Eenmaal de verbeterde beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, kan de verbeterende beslissing alleen nog worden betwist door cassatieberoep in te stellen.

Art. 801bis. De rechter kan, ambtshalve of op verzoek, de materiële fouten, de rekenfouten of de weglatingen verbeteren die voorkomen in een door hem opgesteld certificaat in toepassing van een Europese verordening of een dergelijk certificaat intrekken, in de gevallen en onder de voorwaarden van de desbetreffende verordening. De Koning kan dit artikel van toepassing verklaren op certificaten bedoeld in andere internationale instrumenten. Als de materiële fout, de rekenfout of de weglating enkel in het certificaat voorkomt, wordt de vordering tot verbetering van het certificaat ingeleid op eenzijdig verzoekschrift. Als de materiële fout, de rekenfout of de weglating in het certificaat werd veroorzaakt door een materiële fout, een rekenfout of een weglating in de door de rechter gewezen beslissing waarvoor het certificaat werd uitgevaardigd, wordt de verbetering van het certificaat samen gevorderd met een verbetering van de door de rechter gewezen beslissing. De rechtspleging bedoeld in de artikelen 794 tot 801/1 wordt gevolgd. De vordering tot intrekking van het certificaat wordt ingeleid op eenzijdig verzoekschrift. De griffier zendt per gewone brief een afschrift van het verbeterde certificaat naar alle partijen in het geding.

Hoofdwebsite Contact
afspraak maken upload






      GDPR proof area
      Upload uw documenten





      sleep uw documenten naar hier of kies bestand


      sleep uw briefwisseling naar hier of kies bestand











        Benelux (€... )EU (€... )Internationaal (prijs op aanvraag)

        Door de aanvraag in te dienen, verklaart u zich uitdrukkelijk akkoord met onze algemene voorwaarden en bevestigt u dat u onze privacyverklaring aandachtig heeft gelezen. Het verzenden van deze aanvraag geldt als een opdrachtbevestiging.
        error: Helaas, deze content is beschermd!