Nathalie Schlenker, Author at STUDIO-LEGALE
Auteur: Nathalie Schlenker

Het antwoord is niet zo éénvoudig.

De basisregel is dat voorafgaande toestemming vereist is (artikel 319 WIB92 en artikel 63 WBTW).

Logisch dat dit bij een vennootschap moet uitgaan van een bevoegd orgaan, een gevolmachtigde of een persoon van wie de fiscus mag verwachten dat hij bevoegd was. Het bewijs daarvan rust bij de administratie. In een recent arrest van 23 april 2026 bevestigde het Hof van Cassatie e.e.a. ondubbelzinnig:

“De ambtenaren die bevoegd zijn om de toepassing van de inkomstenbelastingen of de belasting over de toegevoegde waarde te controleren, mogen zich geen toegang tot bedrijfslokalen verschaffen zonder voorafgaande toestemming van de belastingplichtige. De toestemming van de belastingplichtige dient blijvend aanwezig te zijn. Indien de belastingplichtige een vennootschap is moet de toestemming om de bedrijfslokalen te betreden gegeven worden door het daartoe bevoegde orgaan van de rechtspersoon of door degene aan wie de rechtspersoon een daartoe strekkende volmacht heeft gegeven of van wie de ambtenaren redelijkerwijze mochten veronderstellen dat hij hiertoe bevoegd was.”

Dit lijkt logisch en afdoende bescherming te bieden tegen machtsmisbruik en willekeur. De fiscus haalde in dit arrest bakzeil.

De fiscus vond dit evenwel niet geestig en trok met andere middelen opnieuw naar Cassatie. Ze argumenteerde: ook als we dit onrechtmatig zonder toestemming doen en we vinden interessant bewijsmateriaal, kunnen we dat dan niet gewoon toch gebruiken?

Dat lijkt volstrekt onwettig en niet door de beugel te kunnen.

Evenwel stelde de fiscus voor om de alom bekende Antigoon-toets te gebruiken voor haar onwettige acties.

Antigoon kennen we sinds het mijlpaalarrest van 14 oktober 2003 van het Hof van Cassatie in strafzaken en in burgerlijke zaken sinds 2008 (eerst schoorvoetend) maar helemaal definitief gevestigd in het cassatiearrest van 14 juni 2021:

“Behoudens wanneer de wet uitdrukkelijk anders bepaalt, kan het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in burgerlijke zaken slechts worden geweerd indien de bewijsverkrijging de betrouwbaarheid van het bewijs aantast of indien hierdoor het recht op een eerlijk proces in gevaar wordt gebracht.”

Er was initieel ook wat onenigheid of er ruimte is voor Antigoon-rechtspraak in de context van het fiscaal recht (een specifieke materie met eigen spelregels). Hoewel Cassatie al op 22 mei 2015 een arrest velde dat dit geen probleem was, bleef er onzekerheid spelen of dit wel verenigbaar was met hogere Europese rechtsregels.

In een zeer recent cassatiearrest van 28 mei 2026 lezen we:

“De fiscale wetgeving bevat geen algemene bepaling die het gebruik verbiedt van onrechtmatig verkregen bewijs voor het vaststellen van een belastingschuld en, zo daartoe gronden aanwezig zijn, voor het opleggen van een verhoging of een boete. Het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in fiscale zaken kan slechts worden geweerd hetzij wanneer de naleving van bepaalde vormvoorwaarden voorgeschreven wordt op straffe van nietigheid, wanneer de begane onrechtmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast of wanneer het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces. De rechter houdt bij die afweging onder meer rekening met het zuiver formeel karakter van de onregelmatigheid, de weerslag ervan op het recht of de vrijheid die door de overschreden norm worden beschermd, het al dan niet opzettelijk karakter van de door de overheid begane onrechtmatigheid en de omstandigheid dat de ernst van de inbreuk de begane onrechtmatigheid overstijgt. Het middel dat ervan uitgaat dat het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in fiscale zaken noodzakelijk moet worden geweerd wanneer de administratie zich opzettelijk niet houdt aan het door de belastingplichtige opgeworpen en door de administratie vastgestelde verzet tegen de onrechtmatig verrichte handeling, faalt in zoverre naar recht.”

Het voelt toch bevreemdend om te lezen dat als er geen expliciet verbod in de wet staat om onrechtmatig bewijs te gebruiken, het onrechtmatig bewijs kan gebruikt worden. Wanneer is dat onrechtmatig bewijs dan eigenlijk toch niet bruikbaar? Eigenlijk moet de daad van het verkrijgen erger zijn dan de onrechtmatigheid waarvan het bewijs wordt ontfutseld.

Het onwettig meenemen van mappen uit een bedrijfslokaal lijkt mij alle constitutieve bestanddelen van het misdrijf diefstal te vervullen… Is dit dan geen zwaarder vergrijp dan de vastgestelde onrechtmatigheid?

Onrechtmatig verkregen bewijs dat in het licht van deze rechtspraak de Antigoon-toets niet doorstaat, zal dus in mijn ogen bijna een bekentenis door foltering moeten zijn.

Besluit:

De fiscus draagt de bewijslast van de vrije toestemming door de belastingplichtige bij de visitatie. Evenwel kan bij een onwettige visitatie blijkbaar het verkregen bewijsmateriaal gebruikt worden. Dit wringt met mijn rechtsgevoel. De strijd tegen fiscale fraude is een belangrijke en rechtmatige strijd, maar moet eerlijk gevoerd worden. De fiscus mag zich niet verlagen tot het niveau van de sjoemelende belastingplichtige. De fiscus mag nog minder denken dat elke belastingplichtige een sjoemelaar is! Misschien is er toch een wetgevend initiatief nodig om e.e.a. verteerbaarder te maken.

Geraadpleegde Cassatie arresten:
Cass. 14 oktober 2003
Cass. 10 maart 2008
Cass. 22 mei 2015
Cass. 14 juni 2021
Cass. 23 april 2026
Cass. 28 mei 2026

Geraadpleegde links:
Fiscus krijgt vrijgeleide om zonder toestemming bewijsmateriaal te verzamelen – De Tijd
Cassatie beknot opnieuw vrijheid fiscus bij belastingcontrole – De Tijd
Cassatie geeft bedrijven munitie tegen huiszoeking door fiscus – De Tijd
Onrechtmatig bewijs in fiscale zaken: meenemen van klasseermappen zonder toestemming – LegalNews
Cassatie bevestigt: fiscus moet toestemming belastingplichtige bij visitatie bewijzen – Tiberghien
Cassatie bevestigt: fiscus moet toestemming belastingplichtige bij visitatie bewijzen – OECCBB
Blijft fiscale Antigoon dan toch overeind in inkomstenbelastingen? – Jubel

Op 1 april 2026 verscheen in het Belgisch Staatsblad de Belgische wet tot omzetting van DAC8, de Europese richtlijn die de fiscale transparantie rond cryptoactiva aanzienlijk uitbreidt. De wet trad in werking op 11 april 2026 en voert nieuwe rapportageverplichtingen in voor aanbieders van cryptoactivadiensten.

Concreet zullen onder meer cryptobeurzen, brokers en aanbieders van digitale bewaarportemonnees bepaalde gegevens over hun gebruikers en transacties moeten rapporteren aan de FOD Financiën. Die informatie kan vervolgens automatisch worden uitgewisseld met belastingadministraties van andere EU-lidstaten.

De maatregel past in een bredere Europese evolutie. Waar klassieke financiële rekeningen al langer onderworpen zijn aan automatische gegevensuitwisseling, vielen cryptoactiva tot nu toe grotendeels buiten dat kader. DAC8 moet die leemte dichten en sluit aan bij het internationale Crypto-Asset Reporting Framework van de OESO en bij de bestaande Common Reporting Standard.

DAC8 beperkt zich bovendien niet tot crypto alleen: ook het bredere kader voor internationale fiscale gegevensuitwisseling wordt aangepast, onder meer voor elektronisch geld, digitale centralebankvaluta en bepaalde rulings.

De rapportageplicht is vooral relevant voor aanbieders van cryptoactivadiensten met een link met de Europese Unie. Zij zullen moeten nagaan of zij onder het toepassingsgebied vallen, welke gebruikers en transacties rapporteerbaar zijn, welke due diligence-verplichtingen gelden en hoe zij hun interne processen tijdig aanpassen. De eerste rapportageperiode heeft betrekking op kalenderjaar 2026, met rapportage in 2027.

Voor ondernemingen actief in of rond crypto is dit dus geen louter administratieve wijziging. DAC8 raakt aan fiscale compliance, gegevensverwerking, contractuele afspraken met gebruikers en de bredere governance van cryptoactiviteiten. Een tijdige juridische analyse is aangewezen om sanctierisico’s en operationele verrassingen te vermijden.

Heeft uw onderneming vragen over de impact van DAC8 of andere fiscale rapportageverplichtingen? Contacteer de specialisten van STUDIO | LEGALE.

Arbeidsrelaties worden net zoals vele andere zaken in onze maatschappij steeds meer gedigitaliseerd. Denk aan de elektronische ondertekening van arbeidsovereenkomsten en de correspondentie tussen werkgever en de werknemer die tegenwoordig bijna uitsluitend via elektronische weg plaatsvindt. Ook het ontslag voelt de impact van de digitalisering. In de praktijk rijst steeds vaker de vraag of de kennisgeving van de redenen bij een ontslag om dringende reden rechtsgeldig kan gebeuren via een elektronische aangetekende zending. Artikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet (WAO) definieert het begrip dringende reden als volgt: “Onder dringende reden wordt verstaan de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt.” Omdat een ontslag om dringende reden strikte vormvereisten kent, loont het de moeite om de recente rechtspraak hierover goed te kaderen.

De elektronisch aangetekende zending

Volgens de wet betreffende de postdiensten is een aangetekende zending een dienst die tegen een vaste vergoeding bescherming biedt tegen verlies, diefstal of beschadiging, en waarbij de afzender desgevraagd een bewijs krijgt van de datum van verzending of aflevering aan de geadresseerde. Op grond van deze wet hebben papieren én elektronische aangetekende zendingen dezelfde juridische waarde.

De eIDAS-verordening regelt de elektronische variant. Voldoet zo’n dienst aan de strenge voorwaarden van art.&nbsp44 van de eIDAS-verordening, dan is ze ‘gekwalificeerd’ en extra betrouwbaar. Die erkende aanbieders zijn terug te vinden op de ‘EU Trusted Lists’.

Er bestaat ook een hybride oplossing: digitaal versturen, maar fysiek bezorgen als dat nodig is – zonder dat de ontvanger eerst moet instemmen. Indien de zending voldoet aan de voorwaarden van bijlage II van het WER, wordt dit gelijkgesteld met de gekwalificeerde aangetekende zending.

Artikel 43 van de eIDAS-verordening bepaalt dat elektronisch aangetekende zendingen altijd toegelaten zijn als bewijs in de rechtbank, ook als ze niet ‘gekwalificeerd’ zijn. Gebruik je wél een gekwalificeerde dienst onder de eIDAS-verordening, dan geldt er een sterk vermoeden dat de gegevens correct, ongewijzigd en op het juiste moment door de juiste personen zijn verzonden en ontvangen.

Het Wetboek Economisch Recht erkent bovendien uitdrukkelijk de juridische geldigheid van elektronische communicatie. Artikel XII.15 WER bepaalt immers dat “aan elke wettelijke of reglementaire vormvereiste voor de totstandkoming van contracten langs elektronische weg is voldaan wanneer de functionele kwaliteiten van deze vereiste zijn gevrijwaard.” De wet stelt dus dat elektronische contracten even geldig zijn als papieren contracten, zolang de gebruikte digitale techniek dezelfde garanties biedt inzake identificatie, bewijs en onveranderlijkheid.

Procedure ontslag om dringende reden en de elektronische aangetekende zending

Artikel 35 WAO bepaalt de procedure van ontslag om dringende reden als volgt:

“(…) Ontslag om een dringende reden mag niet meer zonder opzegging of vóór het verstrijken van de termijn worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de partij die zich hierop beroept.

Alleen de dringende reden waarvan kennis is gegeven binnen drie werkdagen na het ontslag kan worden aangevoerd ter rechtvaardiging van het ontslag zonder opzegging of vóór het verstrijken van de termijn.

Op straffe van nietigheid, geschiedt de kennisgeving van de dringende reden hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot.

Deze kennisgeving kan ook geschieden door afgifte van een geschrift aan de andere partij. De handtekening van deze partij op het duplicaat van dit geschrift geldt enkel als bericht van ontvangst van de kennisgeving.

De partij die een dringende reden inroept, dient hiervan het bewijs te leveren; bovendien moet zij bewijzen dat zij de termijnen voorzien in het derde en vierde lid geëerbiedigd heeft.”

Wanneer een partij in de arbeidsrelatie zekere kennis heeft van de feiten die een zware fout uitmaken, moet het ontslag binnen 3 werkdagen aan de andere partij worden gemeld. De partij die het ontslag om dringende reden inroept, moet de exacte redenen die de oorzaak zijn van de beëindiging binnen 3 werkdagen na het ontslag ter kennis brengen aan de andere partij. Dit moet, op straffe van nietigheid, gebeuren via:

  • een ter post aangetekende brief;
  • een gerechtsdeurwaardersexploot;
  • een schriftelijk document opgesteld in twee exemplaren en ondertekend voor ontvangst.

Wat zegt de rechtspraak?

In een recente zaak van 13 oktober 2025 voor de arbeidsrechtbank Antwerpen werd betwist of een kennisgeving gedaan door de werkgever via een elektronisch aangetekende zending van ‘Connect Solutions’ rechtsgeldig was. De werknemer stelde dat artikel 35 WAO enkel een klassieke aangetekende brief via bpost toelaat. De werkgever voerde aan dat gebruik werd gemaakt van een door de Europese Commissie erkende gekwalificeerde dienst, en de kennisgeving daarom wel conform was.

De rechtbank volgde die redenering en verwees naar het niet-discriminatieprincipe van artikel 43 van de eIDAS-verordening: een gekwalificeerde elektronische aangetekende zending is juridisch gelijkwaardig aan een papieren aangetekende brief en biedt vergelijkbare waarborgen, zoals een vaste datum en identificatie via ‘itsme’. In dat licht oordeelde de rechtbank dat de kennisgeving op zich rechtsgeldig was en dat ook de omschrijving van de dringende reden voldoende precies was. Wel stelde zij vast dat de werkgever uiteindelijk niet slaagde in de bewijslast van het bestaan en de gegrondheid van de ingeroepen dringende reden.

Dit onderscheid is juridisch belangrijk: het gaat hier niet om een gebrek aan motivering van de kennisgeving, maar om het onvoldoende bewijs van de ingeroepen dringende reden zelf. Het vonnis benadrukt daarmee het verschil tussen de formele geldigheid van de kennisgeving en de materiële gegrondheid van de ontslagreden.

Een gelijkaardige strikte lezing van de vormvereisten vinden we terug in de rechtspraak van het arbeidshof Antwerpen. In een arrest van 10 december 2024 oordeelde het hof dat een elektronisch ondertekende opzegging via een platform zoals DocuSign niet voldeed aan de wettelijke vormvereisten van de Arbeidsovereenkomstenwet, met als gevolg dat de opzegging in principe absoluut nietig was. Het hof onderstreepte daarbij het strikte karakter van de vormvereisten bij ontslag.

In een later arrest van 8 april 2025 in hetzelfde dossier ging het arbeidshof verder in op de concrete gevolgen van die nietigheid. Hoewel de nietigheid werd bevestigd, kwalificeerde het hof het gedrag van de werkgever als rechtsmisbruik, omdat deze zich pas op de nietigheid beriep nadat de werknemer een beschermingsvergoeding had gevorderd. Als sanctie werd geoordeeld dat de werkgever zich niet langer op de nietigheid kon beroepen, waardoor hij alsnog de beschermingsvergoeding van vier jaar loon verschuldigd bleef.

Samen tonen deze beslissingen dat de rechtspraak enerzijds strikt blijft toezien op de naleving van de vormvereisten bij ontslag, maar anderzijds ook corrigerend optreedt wanneer die regels op een oneigenlijke of strategische manier worden ingeroepen.

Toestemming voor elektronische kennisgevingen?

Artikel XII.25, §1 WER vertrekt vanuit een duidelijk principe: niemand kan worden verplicht om juridische kennisgevingen elektronisch te ontvangen. Dat lijkt eenvoudig, maar in de praktijk zorgt dit net voor heel wat discussie wanneer het gaat om ontslag om dringende reden en de vraag of een voorafgaande toestemming vereist is.

In de rechtspraak is daar namelijk nog geen volledige eensgezindheid over. Zo oordeelde de arbeidsrechtbank Luik op 23 mei 2024 vrij strikt dat een elektronische aangetekende zending slechts rechtsgeldig is wanneer de werknemer vooraf expliciet met deze communicatiewijze heeft ingestemd.

De arbeidsrechtbank Antwerpen koos in haar uitspraak van 13 oktober 2025 een meer pragmatische benadering. Daar werd geoordeeld dat de elektronische kennisgeving wél geldig was, omdat aan de voorwaarden van de eIDAS-verordening was voldaan én omdat de werkneemster de zending effectief had geopend en er zelfs per e-mail op had gereageerd. Belangrijk daarbij was ook dat er geen sprake was van een opgelegde digitale communicatie: als de zending niet was geopend, zou ze automatisch zijn omgezet in een klassieke aangetekende zending via bpost.

Toch blijft de voorzichtigheid geboden. Zelfs al laat de wet ruimte voor elektronische communicatie, dan nog is het in de praktijk aangewezen om het zekere voor het onzekere te nemen. Een voorafgaande toestemming blijft daarom sterk aanbevolen en kan best expliciet worden vastgelegd in de arbeidsovereenkomst, het arbeidsreglement of in een afzonderlijke toestemmingsverklaring waarin de werknemer ondubbelzinnig akkoord gaat met elektronische kennisgevingen.

Conclusie

De verdere digitalisering van het arbeidsrecht is duidelijk ingezet, maar vraagt om juridische precisie en zorgvuldige toepassing in de praktijk.

De recente rechtspraak lijkt elektronische aangetekende zendingen onder bepaalde voorwaarden te aanvaarden als geldige kennisgeving van een ontslag om dringende reden. Daarbij spelen niet alleen de naleving van de eIDAS-verordening en het gebruik van een gekwalificeerde dienstverlener een rol, maar ook feitelijke elementen zoals de effectieve kennisname door de werknemer. Toch blijft de rechtszekerheid op dit punt voorlopig beperkt, en is de discussie over toestemming en kennisname nog niet volledig uitgeklaard.

Hoewel sommige rechtbanken een pragmatische benadering hanteren wanneer blijkt dat de werknemer de zending effectief heeft geopend en erop heeft gereageerd, blijft er onzekerheid bestaan. Het risico dat de rechtspraak evolueert richting strengere vereisten rond toestemming of ontvangst kan niet worden uitgesloten.

Om die reden blijft voorzichtigheid aangewezen. In de huidige stand van de rechtspraak biedt de klassieke aangetekende brief vanuit bewijsrechtelijk en praktisch oogpunt nog steeds de meest veilige optie voor de kennisgeving van de dringende reden. De elektronische aangetekende zending kan in bepaalde gevallen een interessante aanvulling zijn, maar de toepassingsvoorwaarden blijven in ontwikkeling, waardoor terughoudendheid vandaag nog steeds gerechtvaardigd is.

Heeft u vragen over ontslag of wilt u zelf gebruikmaken van een elektronische aangetekende zending? De advocaten van Studio-Legale helpen u daar graag bij.

Auteurs: Joost Peeters en Michalina Paprocka

Bronnen:

  • Verordening (EU) 910/2014 van 23 juli 2014 van het Europees Parlement en de Raad betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG, Pb.L. 257, 28 augustus 2014 (eIDAS-verordening);
  • Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomstenwet (WAO), BS 22 augustus 1978, 9277;
  • Wet van 26 januari 2018 betreffende de postdiensten, BS 9 februari 2018, 9855;
  • Artikel XII.15 WER;
  • Artikel XII.25, § 1 en § 7 WER;
  • Arbeidshof Antwerpen 8 april 2025, AR 2023/AA/254;
  • Arbrb. Antwerpen 13 oktober 2025, AR 25/227/A;
  • Arbrb. Luik 23 mei 2024, AR 23/90/A;
  • L. DE BETHUNE en L. DRECHSLER, “eIDAS II: het sluitstuk van de Europese digitale transitie?”, Computerr. (NL) 2025, afl. 4, 242.

Het gebeurt wel eens dat een vonnis niet helemaal duidelijk of zelfs onafgewerkt is. Rechters zijn mensen en vergissen is menselijk… We denken aan onduidelijke formuleringen, rekenfouten of eenvoudigweg het vergeten van een vordering te behandelen. Velen zouden denken dat er dan beroep moet aangetekend worden, maar dat is niet altijd nodig en soms zelfs uitgesloten.

Het Gerechtelijk Wetboek voorziet immers in afdeling IX een heel aantal artikelen over de ‘Uitlegging en verbetering van de rechterlijke beslissing en herstel van het verzuim uitspraak te doen over een punt van de vordering’ (art. 793–801bis Ger.W.). Deze procedures laten toe om technische of formele gebreken recht te zetten, zonder dat de rechter zijn beslissing inhoudelijk herbekijkt.

Uitlegging (art. 793 Ger.W.) is bedoeld voor situaties waarin een beslissing onduidelijk of dubbelzinnig is. De rechter die het vonnis heeft gewezen, kan het verduidelijken, maar mag daarbij de rechten van de partijen niet uitbreiden, beperken of wijzigen. Het gaat dus louter om uitleggen van wat reeds beslist werd, niet om een nieuwe beoordeling.

Verbetering (art. 794 Ger.W.) heeft betrekking op kennelijke fouten, zoals verschrijvingen, rekenfouten of andere materiële vergissingen. Denk bijvoorbeeld aan een foutieve optelling van schadeposten of een verschrijving in een naam, het wisselen van partijen, het verwisselen zelfs van eiser en verweerder, etc. De rechter kan deze fouten te allen tijde, zelfs ambtshalve, corrigeren, op voorwaarde dat de correctie steun vindt in het dossier, de stukken of de wet. Ook hier geldt een belangrijke beperking: de verbetering mag geen impact hebben op de inhoud van de beslissing. Het onderscheid tussen een materiële fout en een inhoudelijke beoordeling is daarbij cruciaal.

Daarnaast voorziet de wet in het herstel van een omissie (art. 794/1 Ger.W.), wanneer de rechter heeft nagelaten om uitspraak te doen over een onderdeel van de vordering. In dat geval kan de beslissing worden aangevuld, zonder afbreuk te doen aan de reeds beslechte geschilpunten. Deze mogelijkheid is echter onderworpen aan een vervaltermijn van één jaar na het in kracht van gewijsde gaan van de beslissing.

De procedure zelf is relatief eenvoudig: de vordering wordt ingesteld bij de rechter die de beslissing heeft gewezen (art. 795 Ger.W.), via een verzoekschrift op tegenspraak of een gezamenlijk verzoekschrift (art. 796 Ger.W.). De rechter kan ook ambtshalve optreden (art. 797 Ger.W.). Tegelijk legt de wet duidelijke grenzen op: deze procedures mogen niet worden gebruikt als een verkapt rechtsmiddel, en zij zijn niet mogelijk wanneer de beslissing reeds wordt aangevochten via hoger beroep of cassatie (art. 798 en 799 Ger.W.).

In een recent arrest van het Hof van Cassatie van 2 april 2026 bevestigt het Hof dat de verbeteringsprocedure enkel betrekking heeft op louter materiële vergissingen. In die zaak hadden de feitenrechters de procedure aangewend om de ondertekening van een vonnis te “corrigeren” door deze te vervangen door die van een andere rechter. Het Hof oordeelde dat dit geen materiële fout betreft, maar een fundamenteel gebrek dat niet via een verbetering kan worden rechtgezet. Door toch van deze procedure gebruik te maken, hadden de rechters artikel 794 Ger.W. geschonden. (Cass. 2 april 2026, ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260402.1N.9)

Dit arrest onderstreept dat de verbeteringsprocedure geen middel is om wezenlijke gebreken in een beslissing te herstellen of om de beslissing alsnog te “regulariseren”. Zodra de correctie raakt aan de essentie van de rechterlijke beslissing of aan de totstandkoming ervan, is deze weg afgesloten.

Tot slot bevat het Gerechtelijk Wetboek nog enkele praktische regels, onder meer inzake kosten (art. 801 Ger.W.) en de vermelding van de verbeterende beslissing op het oorspronkelijke vonnis (art. 800 Ger.W.). Deze bepalingen bevestigen dat het gaat om een aanvullend mechanisme dat nauw verbonden blijft met de oorspronkelijke beslissing.

Besluit

De procedures van uitlegging, verbetering en herstel van omissies vormen een efficiënt en noodzakelijk correctiemechanisme binnen het procesrecht. Ze bieden een snel alternatief voor zwaardere rechtsmiddelen, maar zijn strikt afgebakend.

De relevante wetsartikelen

Afdeling IX. Uitlegging en verbetering van de rechterlijke beslissing en herstel van het verzuim uitspraak te doen over een punt van de vordering

Art. 793. De rechter die een onduidelijke of dubbelzinnige beslissing heeft gewezen, kan die uitleggen, zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen. [1 De beslagrechter kan een onduidelijke of dubbelzinnige beslissing uitleggen, zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen.

Art. 794. Het gerecht dat de beslissing heeft gewezen, het gerecht waarnaar de beslissing werd verwezen of de beslagrechter kunnen te allen tijde ambtshalve of op verzoek van een partij elke kennelijke rekenfout of verschrijving of andere kennelijke leemte dan het in artikel 794/1 bedoelde verzuim uitspraak te doen over een punt van de vordering, met inbegrip van een inbreuk op artikel 780, met uitsluiting van artikel 780, eerste lid, 3° of op artikel 782, § 2 en met inbegrip van een louter formele miskenning van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, verbeteren, zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen. De verbetering vindt steun in de wet, het dossier van de rechtspleging of de stavingsstukken die werden voorgelegd aan de rechter die de te verbeteren beslissing heeft uitgesproken.

Art. 794/1. Het gerecht dat verzuimd heeft zich over een punt van de vordering uit te spreken, kan, mits rekening te houden met de in artikel 748bis vervatte regels, dit verzuim herstellen zonder afbreuk te doen aan de over de reeds beslechte geschilpunten uitgesproken beslissingen. Het verzoek dient op straffe van verval]2 te worden ingediend ten laatste een jaar nadat de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.

Art. 795. De vorderingen [1 tot uitlegging, verbetering of herstel van [2 het verzuim uitspraak te doen over]2 een punt van de vordering]1 worden gebracht voor de rechter die [1 de uit te leggen, te verbeteren of te herstellen beslissing heeft gewezen, of voor het gerecht waarnaar de beslissing wordt verwezen.

Art. 796. [1 De zaak wordt aan de rechter voorgelegd bij verzoekschrift op tegenspraak als bedoeld in de artikelen 1034bis tot 1034sexies dan wel bij gezamenlijk verzoekschrift overeenkomstig artikel 706. Het verzoekschrift kan alleen worden ingediend als de beslissing niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een uitlegging, rechtzetting of herstel van een omissie

Art. 797. Uitlegging en verbetering kunnen ambtshalve geschieden. Een rechtsmiddel als bedoeld in boek III van het vierde deel kan niet worden aangewend wanneer uitsluitend de uitlegging of verbetering van de betrokken beslissing of het herstel in die beslissing van het verzuim uitspraak te doen over een punt van de vordering wordt beoogd.

Art. 798. Tenzij alle partijen in het geding het eens zijn, kan de vordering tot uitlegging niet worden ingesteld voordat de termijnen van hoger beroep of van voorziening in cassatie zijn verstreken. Zij kan niet worden ingesteld wanneer tegen de beslissing hoger beroep of voorziening in cassatie is ingesteld. De uitlegging van het bevestigde vonnis staat aan de rechter die deze bevestiging uitspreekt.

Art. 799. De rechter mag een beslissing enkel verbeteren of oordelen over het verzuim uitspraak te doen over een punt van de vordering in zover de beslissing niet is bestreden.

Art. 800. De griffier maakt, op de kant van de oorspronkelijke beslissing, melding van het beschikkende gedeelte van de uitleggende of verbeterende beslissing, dan wel van de beslissing waarbij uitspraak wordt gedaan over het verzuim uitspraak te doen over]2 een punt van de vordering.]1 Geen uitgifte, afschrift, noch uittreksel van de oorspronkelijke beslissing]1 mag worden uitgereikt, tenzij daarop melding is gemaakt van het beschikkende gedeelte der uitleggende of verbeterende beslissing, dan wel van de beslissing waarbij uitspraak wordt gedaan over [2 het verzuim uitspraak te doen over]2 een punt van de vordering.

Art. 801. Hij die uitlegging, verbetering, of een uitspraak over de omissie van een punt van de vordering vordert]1, geeft het bedrag van de kosten die normaliter door of krachtens de wet verschuldigd zijn op het moment dat de vordering wordt ingediend, in consignatie ter griffie. Indien de beslissing de vordering toewijst, komen de kosten ten laste van de Staat, en wordt de in consignatie gegeven som aan de eiser teruggegeven. In het tegenovergestelde geval kunnen de kosten geheel of gedeeltelijk ten laste van de eiser worden gebracht en van het in consignatie gegeven bedrag worden afgenomen.

Art. 801/1. Eenmaal de verbeterde beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, kan de verbeterende beslissing alleen nog worden betwist door cassatieberoep in te stellen.

Art. 801bis. De rechter kan, ambtshalve of op verzoek, de materiële fouten, de rekenfouten of de weglatingen verbeteren die voorkomen in een door hem opgesteld certificaat in toepassing van een Europese verordening of een dergelijk certificaat intrekken, in de gevallen en onder de voorwaarden van de desbetreffende verordening. De Koning kan dit artikel van toepassing verklaren op certificaten bedoeld in andere internationale instrumenten. Als de materiële fout, de rekenfout of de weglating enkel in het certificaat voorkomt, wordt de vordering tot verbetering van het certificaat ingeleid op eenzijdig verzoekschrift. Als de materiële fout, de rekenfout of de weglating in het certificaat werd veroorzaakt door een materiële fout, een rekenfout of een weglating in de door de rechter gewezen beslissing waarvoor het certificaat werd uitgevaardigd, wordt de verbetering van het certificaat samen gevorderd met een verbetering van de door de rechter gewezen beslissing. De rechtspleging bedoeld in de artikelen 794 tot 801/1 wordt gevolgd. De vordering tot intrekking van het certificaat wordt ingeleid op eenzijdig verzoekschrift. De griffier zendt per gewone brief een afschrift van het verbeterde certificaat naar alle partijen in het geding.

Een handelshuur stopzetten in onderling akkoord lijkt eenvoudig. In de praktijk gebeurt dit dan ook geregeld met een gewone schriftelijke overeenkomst. Toch bevestigt een vonnis van het Vredegerecht 2de kanton te Antwerpen van 27 januari 2025 [1] dat een informele aanpak belangrijke risico’s inhoudt.

Een handelshuur kan minnelijk worden beëindigd, maar niet zomaar op om het even welke manier. Art. 3, lid 4 Handelshuurwet bepaalt dat die beëindiging moet worden vastgesteld ofwel bij authentieke akte, ofwel via een verklaring voor de Vrederechter.

Deze vormvereisten zijn van dwingend recht en hebben als doel de huurder te beschermen.

Een gewone, onderhandse overeenkomst volstaat dus in principe niet

In bovenvermeld vonnis hadden verhuurder en huurder een handelshuurovereenkomst gesloten voor negen jaar. Enkele maanden later liep de zaak van de huurder minder goed dan verwacht. Partijen sloten daarom op 9 februari 2024 een overeenkomst van minnelijke beëindiging, waarbij de sleutels meteen werden teruggegeven.

De beëindiging werd echter niet vastgelegd via een authentieke akte en evenmin voorgelegd aan de vrederechter.

Waarom is dat een risico?

Wanneer de wettelijke formaliteiten niet worden nageleefd, kan de huurder zich beroepen op de relatieve nietigheid van de beëindiging. Met andere woorden: hij kan aanvoeren dat de handelshuur nog steeds loopt.

Dat betekent dat een overeenkomst die op het eerste gezicht duidelijk lijkt, achteraf toch opnieuw ter discussie kan worden gesteld. Het risico zit dus niet zozeer in het akkoord zelf, maar in de onzekerheid die ontstaat wanneer de vormvereisten niet worden nageleefd.

Waarom liep het hier toch goed af voor de verhuurder?

In dit concrete geval oordeelde de vrederechter dat de handelshuur toch geldig was beëindigd. Doorslaggevend was dat de huurder het akkoord ook effectief had uitgevoerd. Hij had de uitbating stopgezet, de sleutels teruggegeven en het pand verlaten.

Volgens de vrederechter betekende dat dat de huurder afstand had gedaan van het recht om zich nog op de ongeldigheid van de beëindiging te beroepen. Daarom werd de handelshuur in dit concrete geval toch geldig beëindigd geacht.

Echter, dit is geen automatisme en zeker geen veilige strategie.

Belangrijkste les: vermijd onzekerheid

Dit vonnis is geenszins een vrijgeleide om de wettelijke formaliteiten naast u neer te leggen. Integendeel. Wie een handelshuur beëindigt met een louter onderhandse overeenkomst, creëert ruimte voor discussie en onzekerheid, zelfs wanneer beide partijen aanvankelijk akkoord waren.

Voor verhuurders én huurders is de boodschap dus duidelijk: wilt u een handelshuur in onderling akkoord beëindigen, doe dat dan geheel correct.

Ook een foutieve opzeg door de verhuurder kan veel kosten

Niet alleen bij een minnelijke beëindiging loeren risico’s om de hoek. Ook een foutieve opzeg door de verhuurder kan duur uitvallen. Een handelshuur kan immers niet vrij worden opgezegd.

De Handelshuurwet legt strikte voorwaarden op inzake termijn, vorm en motivering van de opzeg. Wanneer deze niet correct worden nageleefd, kan de opzeg ongeldig zijn of aanleiding geven tot aanzienlijke vergoedingen, zoals een uitzettingsvergoeding die kan oplopen tot meerdere jaren huur.

Een ogenschijnlijk kleine fout zoals een verkeerde termijn, een gebrekkige motivering of een onjuiste kennisgeving kan een grote financiële impact hebben.

Ook voor verhuurders is handelshuur dus een sterk geformaliseerde materie, waarbij een correcte aanpak essentieel is.

Waarop let u best in de praktijk?

Een correcte beëindiging van een handelshuur gaat verder dan enkel het akkoord zelf. Denk ook aan een duidelijke regeling van:

  • de juiste wijze van beëindiging;
  • de datum waarop de huur effectief eindigt;
  • de sleuteloverdracht;
  • de afrekening van achterstallige huur, lasten en interesten;
  • de behandeling van de huurwaarborg;
  • eventuele slotafspraken over schade of openstaande schulden.

Vragen over uw handelshuur?

Overweegt u als verhuurder of huurder om een handelshuur stop te zetten? Dan vormt een snelle en goede check vaak het verschil tussen een duidelijke afsluiting en een onzeker dossier achteraf.

STUDIO | LEGALE kan U begeleiden bij:

  • de opmaak en beoordeling van beëindigingsovereenkomsten;
  • discussies over handelshuur en opzeg;
  • invordering van achterstallen en schade;
  • onderhandelingen tussen verhuurder en huurder;
  • procedures voor het vredegerecht.

Een correcte aanpak vooraf voorkomt vaak veel discussie achteraf.

Auteur: Mr. Laurie Peer

Advies nodig? Contacteer ons via [email protected].

[1] Vred. 2de kanton Antwerpen 27 januari 2025, NjW 8 april 2026, 269-271.

Mag een aandeelhouder, in het kader van fiscale optimalisatie, alle winsten binnen zijn bedrijven houden en zich onthouden van het betalen van zijn privéschulden? Het Hof van Cassatie heeft zich over deze kwestie uitgesproken in een arrest van 21 oktober 2025[1]: bepaalde (fiscale) keuzes kunnen – wanneer er sprake is van een zekere en opeisbare privéschuld – worden gelijkgesteld met frauduleuze insolventie. A – De feiten

De verdachte had tientallen jaren gewerkt aan het opbouwen van winstgevende bedrijven. Tussen 2009 en 2021 bleek echter dat hij opzettelijk zijn insolventie had georganiseerd.

Concreet had hij jaar na jaar besloten:

  • zichzelf geen marktconforme vergoeding toe te kennen,
  • geen dividenden of premies uit te keren
  • de tegoeden op de rekening-courant niet over te schrijven naar zijn privévermogen

De winsten bleven systematisch binnen zijn bedrijven, terwijl talrijke kosten (zoals nutsvoorzieningen, vervoer en huisvesting) door zijn bedrijven werden gedragen. Hij leidde dus een luxueuze levensstijl dankzij zijn bedrijfsstructuren, zonder echter over enige in beslag te nemen activa op eigen naam te beschikken.

In september 2009 werd hij bij definitieve rechterlijke uitspraak veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 618.114,81 aan de schuldeiser. Door de opgezette vermogensstructuur was de gedwongen invordering van deze schuld echter bijzonder moeilijk.

Voor het Hof van Beroep te Gent erkende de aandeelhouder dat hij geen in beslag te nemen goederen op zijn naam had, maar voerde hij fiscale motieven aan om deze situatie te rechtvaardigen.

In een arrest van 26 mei 2025 oordeelde het Hof van Beroep te Gent echter dat dergelijke fiscale motieven alleen relevant waren voor zover de betrokkene geen vaststaande en opeisbare schuld had. Het Hof was dan ook van oordeel dat de verdachte op frauduleuze wijze zijn insolventie had georganiseerd om de gedwongen invordering van zijn schuld te belemmeren. De verdachte werd dan ook veroordeeld tot een strafrechtelijke sanctie en tot het betalen van schadevergoeding aan zij schuldeiser.

De veroordeelde besloot cassatieberoep in te stellen, maar dit werd door het Hof van Cassatie in een arrest van 21 oktober 2025 verworpen. Het Hof oordeelde namelijk dat een persoon zich schuldig maakt aan het misdrijf van frauduleuze insolventie wanneer hij niet over voldoende activa beschikt om aan de vordering van zijn schuldeiser te voldoen en zijn insolventie simuleert door zichzelf slechts een beperkte vergoeding uit te keren binnen de bedrijfsstructuren die hij zelf heeft opgezet.

Het Hof was van oordeel dat de uitbetaalde vergoeding niet in verhouding stond tot zijn verantwoordelijkheden binnen de vennootschappen, hun vermogen of hun resultaten, noch tot zijn minimale financiële behoeften.

De verdachte werd dan ook schuldig bevonden aan het frauduleus organiseren van zijn insolventie.

B – Definitie van het misdrijf van frauduleuze organisatie van insolventie

Dit misdrijf kan worden gedefinieerd als een overtreding waarbij de schuldenaar, met het oogmerk zich te onttrekken aan de rechten van zijn schuldeiser, opzettelijk en frauduleus zijn vermogen geheel of gedeeltelijk verduistert, verbergt of ontoegankelijk maakt. Dit houdt in dat hij het vermogen feitelijk of juridisch onttrekt aan de rechten en verhaalsmogelijkheden van zijn schuldeiser. Deze overtreding kan ook het gevolg zijn van gedragingen die erop gericht zijn de groei van zijn vermogen op frauduleuze wijze te belemmeren.

In het Belgische recht wordt dit misdrijf bestraft door artikel 490bis van het Strafwetboek, dat heden voorziet in een gevangenisstraf van één maand tot twee jaar en een boete van 800 tot 4 miljoen euro (na toepassing van de aanvullende tienden).

Er zijn drie constitutieve elementen vereist:

  • het organiseren van de insolventie (materieel element)
  • het niet nakomen van verplichtingen (materieel element)
  • de frauduleuze opzet (moreel element)

Bij beoordeling van het morele element rijst de centrale vraag of er op het ogenblik van het betwiste gedrag sprake was van een schuld. Dit betreft een feitelijke vraag die onder de beoordelingsbevoegdheid van de strafrechter valt.

C – Verduidelijkingen door het Hof van Cassatie

In zijn arrest van 21 oktober 2025 heeft het Hof de grenzen van dit misdrijf afgebakend.

  • De volgorde van de constitutieve elementen

Ten eerste heeft het Hof bevestigd dat de chronologische volgorde van de twee materiële elementen – het organiseren van de insolventie en het niet nakomen van de verplichtingen – niet van belang is. Het misdrijf kan derhalve worden gepleegd wanneer de schuldenaar op frauduleuze wijze zijn insolventie organiseert in afwachting van de opeisbaarheid van een schuld. Het misdrijf wordt evenwel pas gepleegd op het ogenblik dat de schuld opeisbaar wordt.

Zelfs wanneer de schuld wordt betwist en het voorwerp uitmaakt van een procedure voor de burgerlijke rechter, kan, afhankelijk van de omstandigheden, sprake zijn van frauduleuze organisatie van insolventie

  • Vormen van frauduleuze handelingen

Over het algemeen is er sprake van frauduleuze organisatie van insolventie wanneer de schuldenaar, om aan de vorderingen van zijn schuldeiser te ontkomen, opzettelijk en frauduleus zijn vermogen geheel of gedeeltelijk laten verdwijnen, verbergt of ontoegankelijk maakt. In zijn arrest van 21 oktober 2025 bevestigt het Hof van Cassatie dat het frauduleus verhinderen van de groei van het vermogen ook onder deze overtreding valt. Volgens het Hof kunnen met name de volgende gedragingen deze overtreding kenmerken:

  • het jarenlang uitbetalen van een beperkte vergoeding die niet redelijkerwijs in verhouding staat tot de verantwoordelijkheden binnen deze vennootschappen, het vermogen of de resultaten van deze vennootschappen en de minimale financiële behoeften;
  • het langdurig uitblijven van de uitkering van dividenden of tantièmes ondanks het behalen van winst in de vennootschappen;
  • het aanleggen en verminderen van saldi op lopende rekeningen zonder duidelijke terugkeer naar het privévermogen;

Gedragingen die voorheen louter fiscale keuzes waren, kunnen voortaan een overtreding van frauduleuze insolventieorganisaite vormen, indien ze met de vereiste frauduleuze opzet zijn gepleegd.

  • De versterkte bescherming van schuldeisers in geval van fraude ten nadele van schuldeisers

Het Hof heeft bevestigd dat het bestaan van het misdrijf niet vereist dat de schuldeiser houder is van een uitvoerbare titel of dat hij alle rechtsmiddelen voor gedwongen invordering heeft ondernomen of uitgeput.

Het komt veeleer aan de rechter toe om de insolventie van de schuldenaar te beoordelen in het licht van het werkelijke vermogen van de schuldeiser om betaling van zijn vordering te verkrijgen.

  • Absolute insolventie is niet vereist

Uiteindelijk heeft het Hof van Cassatie bevestigd dat de dader van het misdrijf niet noodzakelijkerwijs volledig insolvent hoeft te zijn. Het feit dat hij nog over inkomsten beschikt die in beslag kunnen worden genomen, is niet van belang. Het volstaat dat zijn resterende vermogen onvoldoende is om zijn schuld te betalen of zijn verplichtingen na te komen. Het feit dat hij opzettelijk en frauduleus een deel van zijn vermogen laat verdwijnen, verbergt of ontoegankelijk maakt, is voldoende.

Volgens dit arrest moet de rechter bij de beoordeling van de insolventie van de schuldenaar rekening houden met de reële mogelijkheid voor de schuldeiser om zijn vordering te innen. Daarbij is de rechter niet verplicht om rekening te houden met activa waarover de dader slechts in theorie beschikt, omdat deze zodanig verborgen zijn dat een normaal handelende schuldeiser daarvan geen kennis kan hebben.

In de zaak die aanleiding gaf tot het cassatieberoep voerde de schuldenaar bijvoorbeeld aan dat de schuldeiser door een grondiger onderzoek had kunnen ontdekken dat hij aandeelhouder was van een andere vennootschap en dat de prestatiegelden of aandelen van deze vennootschappen in beslag hadden kunnen worden genomen.

Dit argument werd echter door het Hof van Beroep te Gent verworpen, omdat het Hof van oordeel was dat het slechts om een theoretische invorderingsmogelijkheid ging die in de praktijk niet haalbaar was. Volgens het Hof was het voor de schuldeiser de facto onmogelijk om de opeisbare schuld te innen vanwege de manier waarop de schuldenaar zijn vermogen had georganiseerd.

CONCLUSIE

Het arrest van het Hof van Cassatie van 21 oktober 2025 heeft de grens tussen legale fiscale optimalisatie en strafbaar gedrag verduidelijkt. Het benadrukt met klem aan dat de vrijheid van vermogens- en vennootschapsorganisatie haar grenzen kent wanneer er een zekere en opeisbare privéschuld bestaat. Vanaf dat moment kunnen keuzes die op zichzelf beschouwd onder voorzichtig fiscaal beheer vallen, wanneer zij systematisch en opzettelijk worden gemaakt, een daadwerkelijke frauduleuze insolventieorganisatie vormen.

Het is dan ook aangewezen bijzonder voorzichtig te zijn bij het maken van keuzes om uw vennootschap fiscaal te optimaliseren.

Als u vragen heeft over deze problematiek, kan u contact opnemen met [email protected] of onze website www.studio-legale.be raadplegen.

[1] Cass. 21 oktober 2025, P.25.0971.N

Hoofdwebsite Contact
afspraak maken upload






      GDPR proof area
      Upload uw documenten





      sleep uw documenten naar hier of kies bestand


      sleep uw briefwisseling naar hier of kies bestand











        Benelux (€... )EU (€... )Internationaal (prijs op aanvraag)

        Door de aanvraag in te dienen, verklaart u zich uitdrukkelijk akkoord met onze algemene voorwaarden en bevestigt u dat u onze privacyverklaring aandachtig heeft gelezen. Het verzenden van deze aanvraag geldt als een opdrachtbevestiging.
        error: Deze inhoud is auteursrechtelijk beschermd. Kopiëren, reproduceren of hergebruiken zonder voorafgaande schriftelijke toestemming is niet toegestaan.