Jaar: 2020

Nieuw bewijsrecht

Op 1 november 2020 is de nieuwe regelgeving met betrekking tot het bewijsrecht in werking getreden. Dit nieuwe bewijsrecht maakt deel uit van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek, dat momenteel enkel uit boek nr. 8 met de titel “Bewijs” bestaat. De nieuwe regels van het bewijsrecht zijn in grote mate een bevestiging van de heersende rechtspraak en maken een betere leesbaarheid en een aanpassing van het bewijsrecht aan de huidige digitale wereld mogelijk.

Het Nieuwe Burgerlijk wetboek heeft enkel betrekking op de bewijsregels uit het Burgerlijk Wetboek en regelt dus niet de bewijsregels uit het Gerechtelijk wetboek.

Boek 8 van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek is verdeeld in 3 hoofdstukken:

  • Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen: betreft definities en algemene regels van het bewijsrecht
  • Hoofdstuk 2: Toelaatbaarheid van bewijsmiddelen
  • Hoofdstuk 3: Bewijsmiddelen

Het nieuwe bewijsrecht is voor een groot deel een bevestiging van de reeds bestaande rechtspraak.  Dit nieuwe boek over het bewijsrecht bevat echter wel enkele nieuwigheden, vooral met betrekking tot het bewijs door en tegen ondernemingen.

De belangrijkste wijzigingen in de nieuwe wetgeving inzake bewijsvoering zijn de volgende:

(1) De bewijslast :

De klassieke regel van de bewijslast is dat degene die iets beweert hiervan het bewijs moet leveren. Deze regel blijft gelden in de nieuwe regeling van het bewijsrecht. Het nieuwe bewijsrecht neemt wel de heersende rechtspraak over dat elke partij moet meewerken aan de bewijsvoering (zie ook arrest van het Hof van Cassatie van 25 september 2000, Arr.Cass. 2000, 1424.).

Hiervoor is art. 8.4 lid 5 NBW toegevoegd. Dit artikel stelt de rechter in staat om de bewijslast om te keren. Indien de rechter in een met bijzondere redenen omkleed vonnis oordeelt dat het in de concrete omstandigheden van het geval kennelijk onredelijk zou zijn dat een partij de bewijslast draagt, kan de rechter de bewijslast bij de andere partij leggen.

De omkering van de bewijslast is alleen mogelijk als aan zeer strikte voorwaarden wordt voldaan. Het betreft een uitzonderlijke maatregel, de rechter kan er slechts in laatste instantie beroep op doen.

(2) Mate van bewijs: bewijs door waarschijnlijkheid

Als algemene regel geldt: zeker bewijs.

Artikel 8.5 van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek bepaalt dienaangaande:

“Behalve in de gevallen waarin de wet anders bepaalt, moet het bewijs geleverd worden met een redelijke mate van zekerheid.”

Het moet gaan om een overtuiging die elke redelijke twijfel uitsluit.

Artikel 8.6 NBW: bewijs door waarschijnlijkheid:

“Onverminderd de verplichting tot medewerking van alle partijen aan de bewijsvoering, kan hij die de bewisjlast draagt van een negeatief feit, genoegen nemen met het aantonen van de waarschijnlijkheid van dat feit.Hetzelfde geldt voor positieve feiten waarvan het omwille van de aard zelf van het te bewijzen feit niet mogelijk of niet redelijk is om een zeker bewijs te verlangen.”

Deze nieuwe bepalingen stellen dus dat het bewijs niet met absolute zekerheid moet worden geleverd, maar dat een redelijke mate van zekerheid voldoende is. Het bewijs van een negatief feit kan dus worden geleverd door de waarschijnlijkheid van dat feit vast te stellen. Dit is de omzetting van de rechtspraak volgens welke bepaalde bewijzen van een negatief feit niet kunnen worden geëist.

Het bewijs van de redelijkheid wordt ook uitgebreid tot bepaalde positieve feiten die niet met zekerheid kunnen worden bewezen of die zo moeilijk te bewijzen zijn dat van een partij redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat zij deze bewijst.

(3) Vrijheid van bewijsvoering :

Boek 8 bepaalt dat het bewijs van feiten en rechtshandelingen in principe vrij is, tenzij de wet anders bepaalt. Dit systeem van vrije bewijsvoering was voorheen van toepassing op elke transactie van minder dan 375,00 euro: elke transactie van meer dan 375,00 euro tussen niet-ondernemers moest worden bewezen door middel van een ondertekend document. Deze drempel is nu verhoogd tot 3.500,00 euro.  (art. 8.9 NBW)

Deze vrijheid van bewijs maakt het dus mogelijk om digitaal bewijs te leveren, zoals e-mails of sms-berichten.

(!) Het bewijs boven of tegen een ondertekend geschrift kan enkel worden geleverd door een ander ondertekend geschrift, zelfs indien de som of de waarde dat bedrag niet te boven gaat.

Uitzonderingen op dit gereguleerde systeem van bewijsvoering zijn o.a. volgende gevallen:

  • Bewijs van eenzijdige rechtshandelingen;
  • Bewijs door en tegen ondernemingen;
  • Onvermogen (materieel of moreel) om te bewijzen;
  • Bewijs door of tegen derden.

(4) Bewijs door en tegen ondernemingen :

Bewijs tussen of tegen ondernemingen kan worden geleverd door middel van elk bewijsmiddel, behalve wanneer de wet anders bepaald. Dit geldt niet voor bewijsmateriaal tegen een partij die geen onderneming is of voor bewijsmateriaal tegen een natuurlijke persoon-onderneming voor feiten die duidelijk geen verband houden met de onderneming. Het bewijsrecht heeft het mogelijk gemaakt gebruik te maken van bewijs door middel van de boekhouding en aanvaarde facturen:

  • Boekhouding

Als uitzondering op de regel dat niemand voor zichzelf bewijs kan creëren, was het vóór de inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving toegestaan dat een onderneming haar boekhouding als bewijs tegen een andere onderneming indiende. De bewijswaarde van de boekhouding werd door de rechter beoordeeld.

Sinds 1 november 2020 heeft de boekhouding wettelijke bewijswaarde (in plaats van vrije bewijswaarde). Het is echter noodzakelijk dat de boekhouding als bewijs wordt aangevoerd door de onderneming die deze heeft opgesteld tegenover een andere onderneming en dat de boekhouding van beide ondernemingen elkaar niet tegenspreken. Als niet aan deze voorwaarde wordt voldaan, heeft de boekhouding geen juridische waarde, maar alleen vrije bewijswaarde. (art. 8.11, §2 NBW)

(!) Dit geldt enkel tussen partijen, niet tegen derden, zoals bijvoorbeeld: fiscus.

De boekhouding moet in zijn geheel beoordeeld worden. Deze kan alleen worden gesplitst als ze niet correct werd bijgehouden.

De rechtbank kan de overlegging van de boekhouding bevelen. Dit kan op verzoek van een van de partijen of ambtshalve. (art. 8.11 §3 NBW)

  • Aanvaarde factuur

Een factuur die binnen een redelijke termijn wordt aanvaard of niet wordt betwist, dient als (weerlegbaar) bewijs tegen een onderneming. Bij gebrek aan bewijs van het tegendeel is een door een onderneming aanvaarde factuur of het ontbreken van betwisting binnen een redelijke termijn het bewijs van de tegen de onderneming aangevoerde rechtshandeling.  (art. 8.11 §4 NBW)

Deze regel is
van toepassing op alle contracten, of het nu gaat om commerciële verkopen of andere commerciële transacties, en niet alleen op het koopcontract.

Het gebrek aan betwisting van een factuur door een persoon die geen onderneming is, kan niet worden beschouwd als een aanvaarding van de factuur, behalve wanneer deze afwezigheid van betwisting een omstandig stilzwijgen uitmaakt.

De uitdrukkelijke of stilzwijgende aanvaarding van een factuur door een persoon die geen onderneming is, maakt een feitelijk vermoeden uit.

De bewijskracht van een dergelijke aanvaarde factuur wordt dan aan het oordeel van de rechter overgelaten. Dit is een grote verandering, aangezien in het verleden een niet-betwiste factuur nooit als bewijs tegen niet-ondernemingen kon worden gebruikt.

(5) Overgangsrecht

Boek 8 bepaalt niet in welke gevallen dit nieuwe bewijsrecht van toepassing is. In de toelichting staat dat in contractuele aangelegenheden het recht op bewijs op het moment van ondertekening van de overeenkomst geldig is. Dit nieuwe bewijsrecht is dus van toepassing op overeenkomsten die na 1 november 2020 (datum van inwerkingtreding van de nieuwe regels) worden gesloten.

Voor zover het bewijs door derden of bewijzen van feiten betreft, is het nieuwe bewijsrecht in alle gevallen onmiddellijk van toepassing.

Waar het nieuwe bewijsrecht kan worden beschouwd als procesrecht (zoals de bewijslast, het bewijsrisico, de samenwerking bij de bewijsvoering, enz.) speelt evenwel artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek. Dit betekent dat de regels omtrent de bewijslast (zie 1) en de bewijsstandaard (zie 2) ook reeds van toepassing zijn op hangende gedingen sinds 1 november 2020.

Als u twijfelt over de toelaatbaarheid van bewijsmateriaal in de rechtbank of als u nog vragen heeft over dit onderwerp, aarzel dan niet om een van onze specialisten te raadplegen.

————————————————————————————-

Nouveau droit de la preuve

Ce 1er novembre 2020 est entrée en vigueur la nouvelle réglementation concernant le droit de la preuve. Ce nouveau droit de la preuve fait partie du nouveau code civil qui ne comporte à l’heure actuelle qu’un livre n° 8 intitulé « La preuve ». Ces nouvelles règles du droit de la preuve permettent une confirmation de la jurisprudence dominante, une meilleure lisibilité et une adaptation du droit de la preuve au monde numérique actuel.

Le nouveau code civil ne concerne que les règles de preuve du code civil et ne régit donc pas les règles de preuve du code judiciaire.

Ce nouveau livre 8 du Nouveau code civil est divisé en 3 chapitres :

  • Chapitre 1 : Dispositions générales : concerne les définitions et les règles générales du droit de la preuve
  • Chapitre 2 : L’admissibilité des modes de preuve 
  • Chapitre 3 : Les modes de preuve

Dans une large mesure, le nouveau droit de la preuve est une confirmation de la jurisprudence qui était déjà en place.  Cependant, ce nouveau livre concernant le droit de la preuve prévoit des nouveautés, surtout en ce qui concerne la preuve fournie par et contre les entreprises.

Voici les principales modifications de la nouveau réglementation concernant le droit de la preuve :

  • La charge de la preuve :

La règle classique de la charge de la preuve est que la personne qui revendique une chose doit la prouvée. Cette règle reste valable dans la nouvelle réglementation du droit de la preuve. Le nouveau droit de la preuve a cependant pu inclure la jurisprudence selon laquelle chaque partie doit coopérer à l’obtention de la preuve (arrêt de la cour de cassation du 25 septembre 2000).

L’article 8.4(5) du nouveau code civil a été ajouté à cette fin. Cet article permet au juge de renverser la charge de la preuve. Si, dans un jugement spécial motivé, le juge estime que, dans les circonstances concrètes de l’affaire, il serait manifestement déraisonnable qu’une partie supporte la charge de la preuve, le juge peut imposer la charge de la preuve à l’autre partie.

Le renversement de la charge de la preuve n’est possible que si des conditions très strictes sont remplies. Il s’agit d’une mesure exceptionnelle, que le juge ne peut invoquer qu’en dernier recours.

  • Degré de preuve : preuve par vraisemblance

Comme règle générale : une preuve certaine

 L’article 8.5 du nouveau code civil le prévoit :

« Hormis les cas où la loi en dispose autrement, la preuve doit être rapportée avec un degré raisonnable de certitude »

L’article 8.6 preuve par vraisemblable :

 « Sans préjudice de l’obligation de toutes les parties de collaborer à l’administration de la preuve, celui qui supporte la charge de la preuve d’un fait négatif peut se contenter d’établir la vraisemblance de ce fait. 

La même règle vaut pour les faits positifs dont, par la nature même du fait à prouver, il n’est pas possible ou pas raisonnable d’exiger une preuve certaine. »

Ces nouvelles dispositions prévoient donc que la preuve doit être apportée non pas avec une certitude absolue mais qu’un degré raisonnable de certitude suffit. La preuve d’un fait négatif peut donc être apportée en établissant la vraisemblance de ce fait. Il s’agit de la transposition de la jurisprudence selon laquelle il ne peut être exigé de preuve certaine d’un fait négatif .

La preuve par vraisemblance est également étendue à certains faits positifs dont la preuve ne peut matériellement pas être apportée de manière certaine ou  dont la preuve est rendue tellement difficile qu’on ne peut raisonnablement l’exiger d’une partie.

  • La liberté de la preuve :

Le livre 8 stipule que la preuve des faits et des actes juridiques est en principe libre, sauf si la loi en dispose autrement. Ce système de la preuve libre était applicable auparavant pour toute opération inférieur à 375 € : toute opération à partir de 375 € entre non-entreprise devait être prouvée à l’aide d’un document signé. Ce seuil est maintenant porté à 3.500 € (art. 8.9 Nouveau code Civil)

Cette liberté de la preuve permet donc que les éléments de preuves soit apportés de manière numérique, tels que des emails ou des messages sms.

( !) La preuve au-dessus ou à l’encontre d’un document signé ne peut être fournie que par un autre document signé, même si la somme ou la valeur ne dépasse pas ce montant.

Les exceptions à ce système de preuve réglementé sont les cas suivants :

– Preuve des actes juridiques unilatéraux ;

– Preuves par et contre les entreprises ;

– Incapacité (matérielle ou morale) à prouver ;

< p style="text-align: justify;">– Preuves par et contre des tiers.

  • Preuve par et contre les entreprises :

Les preuves entre ou contre les entreprises peuvent être fournies par tout moyen de preuve, sauf exceptions prévues par la loi. Cela ne s’applique pas aux preuves contre une partie qui n’est pas une entreprise ou aux preuves contre une personne physique entrepreneur pour des faits manifestement étrangers à l’entreprise. La réglementation a permis d’apporter des modifications en ce qui concerne la preuve par la comptabilité et les factures acceptées :

  • Comptabilité

Par dérogation à la règle selon laquelle nul ne peut se procurer de preuve à soi-même, il était permis à une société, avant l’entrée en vigueur de la nouvelle réglementation, de fournir sa comptabilité à titre de preuve contre une autre société. La comptabilité était évalué par le juge sur sa force probante.

A partir du 1er novembre 2020, la comptabilité a maintenant une force de preuve légale (au lieu d’une valeur probante libre). Cependant, il est nécessaire que les documents comptables soient invoqués à titre de preuve par la société qui les a compilés contre une autre société et que les documents comptables de ces deux sociétés concordent. En cas de non-respect de cette condition, la comptabilité n’aura pas de valeur légale mais uniquement une valeur probante libre.

( !) Cela ne s’applique qu’entre les parties, et non à l’égard de tiers. Par exemple : le fisc.

Les documents comptables ne peuvent être dissociés que s’ils ont été tenus de manière irrégulière.

Le tribunal peut ordonner la production des comptes. Cela peut se faire soit à la demande d’une des parties, soit d’office (art. 8.11 §3 du nouveau code Civil)

  • Facture acceptée

Une facture acceptée ou non contestée dans un délai raisonnable sert de preuve (réfragable) contre une entreprise. Sauf preuve contraire, la facture acceptée par une entreprise ou l’absence de contestation dans n délai raisonnable vaut preuve de l’acte juridique allégué contre l’entreprise (art. 8.11 §4 du nouveau code civil)

Cette règle est valable à tous les contrats qu’il s’agisse d’une vente commerciale ou d’une autre opération commerciale et plus seulement qu’au contrat de vente.

L’absence de contestation d’une facture par une personne qui n’est pas une société ne peut être considérée comme une acceptation de la facture, sauf si cette absence de contestation constitue un silence circonstancié.

L’acceptation explicite ou tacite d’une facture par une personne qui n’est pas une entreprise constitue une présomption de fait.

La valeur probante d’une telle facture acceptée est donc laissée à l’appréciation du juge. Il s’agit d’un changement majeur, puisque dans le passé, une facture non contestée ne pouvait jamais être utilisée comme preuve contre des entreprises non commerciales.

Droit transitoire

Le livre 8 ne détermine pas dans quels cas ce nouveau droit de preuve s’applique. L’exposé des motifs précise qu’en matière contractuelle, le droit de preuve est valable au moment de la signature de l’accord. Ce nouveau droit de la preuve est donc applicable aux contrats conclus postérieurement au 1er novembre 2020 (date d’entrée en vigueur de la nouvelle réglementation)

En ce qui concerne les tiers ou la preuve des faits, le nouveau droit de la preuve s’applique dans tous les cas et immédiatement.

Toutefois, en ce qui concerne tous les aspects procéduraux ( tels que la charge de la preuve, risque de la preuve, coopération à l’administration de la preuve etc.), s’agissant de droit procédural, l’article 3 du code judiciaire s’applique, le nouveau droit de la preuve s’applique immédiatement à partir du 1er novembre 2020.

Si vous avez des doutes quant à l’admissibilité d’une preuve en justice ou si vous avez quelques questions supplémentaires à ce sujet, n’hésitez pas à consulter l’un de nos spécialistes.

 

Rédaction : Pauline Vanhorenbeke

—————————————————————————————————–

New evidence law

On 1 November 2020, the new rules on the law of evidence entered into force. This new law of evidence is part of the New Civil Code, which currently consists only of Book No. 8 entitled “Evidence”. The new rules on the law of evidence are to a large extent a confirmation of the prevailing jurisprudence and allow for better readability and adaptation of the law of evidence to today’s digital world.

 The New Civil Code only relates to the rules of evidence in the Civil Code and therefore does not regulate the rules of evidence in the Judicial Code.

Book 8 of the New Civil Code (NCC) is divided into 3 chapters:

  • Chapter 1: General provisions: concerns definitions and general rules of the law of evidence
  • Chapter 2: Admissibility of evidence
  • Chapter 3: Evidence

To a large extent, the new law on evidence is a confirmation of existing case law.  However, this new book on the law of evidence does contain some novelties, especially with regard to evidence by and against companies.

The most important changes in the new legislation on the taking of evidence are as follows:

(1) The burden of proof :

The classic rule of the burden of proof is that the person who claims something must prove it. This rule will continue to apply in the new rules on the law of evidence. The new law of evidence does, however, take over the prevailing case law that each party must cooperate in the gathering of evidence (see also the judgment of the Court of Cassation of 25 September 2000, Arr. Cass. 2000, 1424).

To this end, article 8.4 paragraph 5 NCC has been added. This article enables the judge to reverse the burden of proof. If the judge, in a substantiated judgment, rules that, in the specific circumstances of the case, it would be manifestly unreasonable for one party to bear the burden of proof, the judge may place the burden of proof on the other party.

The reversal of the burden of proof is only possible if very strict conditions are met. It is an exceptional measure and the judge can only invoke it as a last resort.

(2) Degree of evidence: evidence by probability

As a general rule, certain proof is required.

Article 8.5 of the New Civil Code states:

“Except where the law provides otherwise, proof must be provided with a reasonable degree of certainty”.

It must be a certainty which rules out any reasonable doubt.

Article 8.6 NCC.: Proof by probability:

“Without prejudice to the obligation of cooperatio
n of all parties in the gathering of evidence, a person who bears the burden of proving a disregarded fact may be satisfied with proving the likelihood of that fact. The same applies to positive facts of which it is not possible or reasonable to require certain proof because of the very nature of the fact to be proved”.

These new provisions therefore stipulate that proof does not have to be provided with absolute certainty, but that a reasonable degree of certainty is sufficient. Evidence of a negative fact can therefore be provided by establishing the likelihood of that fact. This is the transposition of the case-law according to which certain proof of a negative fact cannot be required.

Evidence of reasonableness is also extended to certain positive facts which cannot be proved with certainty or which are so difficult to prove that a party cannot reasonably be required to prove.

(3) The freedom to provide evidence :

Book 8 states that the burden of proof of facts and legal acts is, in principle, entirely at liberty, unless the law provides otherwise. This system of free-form evidence used to apply to any transaction of less than €375.00: any transaction of more than €375.00 between non-entrepreneurs had to be proved by a signed document. This threshold has now been raised to EUR 3 500.00.  (Art. 8.9 NCC)

This freedom of evidence therefore makes it possible to provide digital evidence, such as e-mails or text messages.

(!) Evidence above or against a signed document can only be provided by another signed document, even if the sum or value does not exceed that amount.

Exceptions to this regulated system of proof include the following cases:

– Proof of unilateral acts;

– Evidence by and against companies;

– Inability (material or moral) to prove;

– Evidence by or against third parties.

(4) Evidence by and against companies :

Evidence between or against companies can be provided by any means of proof, except where the law provides otherwise. This does not apply to evidence against a party which is not an undertaking or to evidence against a natural person-undertaking for facts which are manifestly unrelated to the undertaking. The law of evidence has allowed the use of evidence through accounting records and accepted invoices:

  • Accounting

As an exception to the rule that no one can create evidence for themselves, before the entry into force of the new rules it was permissible for one company to submit its accounts as evidence against another company. The evidential value of the accounts was assessed by the court.

Since 1 November 2020, the accounts have legal evidential value (instead of free evidential value). However, it is necessary that the accounts are submitted as evidence by the company that prepared them against another company and that the accounts of both companies do not contradict each other. If this condition is not met, the accounts have no legal value but only free evidential value. (Art. 8.11, §2 NCC)

(!) This only applies between the parties, not against third parties, such as, for example, the tax authorities.

The accounts must be assessed as a whole. It can only be split if it has not been kept correctly.

The court can order the presentation of the accounts. This can be done at the request of one of the parties or ex officio. (art. 8.11 §3 NCC)

  • Accepted invoice

An invoice that is accepted or not disputed within a reasonable period of time serves as (rebuttable) evidence against a company. In the absence of proof to the contrary, an invoice accepted by a company or the absence of a dispute within a reasonable period of time is proof of the legal act invoked against the company.  (art. 8.11 §4 NBW)

This rule applies to all contracts, whether they are commercial sales or other commercial transactions, and not just the contract of sale.

The absence of a dispute on an invoice by a person who is not a company cannot be considered as acceptance of the invoice, unless this absence of dispute constitutes a circumstantial silence.

The explicit or tacit acceptance of an invoice by a person who is not an enterprise constitutes a factual presumption.

The probative value of such an accepted invoice is then left to the discretion of the court. This is a major change, as in the past an uncontested invoice could never be used as evidence against non-businesses.

(5) Transitional right

Book 8 does not determine in which cases this new law of evidence applies. The explanatory memorandum states that, in contractual matters, the right to evidence is valid at the time of signature of the contract. This new law of evidence therefore applies to contracts concluded after 1 November 2020 (date of entry into force of the new rules).

As far as evidence by third parties or proof of facts is concerned, the new law of evidence will apply immediately in all cases.

However, where the new law of evidence can be regarded as procedural law (such as the burden of proof, the risk of proof, cooperation in the taking of evidence, etc.), Article 3 of the Judicial Code will apply. This means that the rules on the burden of proof (see 1) and the standard of proof (see 2) already apply to pending proceedings since 1 November 2020.

If you have doubts about the admissibility of evidence in court or if you have any further questions on this subject, do not hesitate to consult one of our specialists.

——————————————————————————————————–

Neues Beweisgesetz

Am 1. November 2020 sind die neuen Beweisrechtsregeln in Kraft getreten. Dieses neue Beweisrecht ist Teil des Neuen Zivilgesetzbuch, das bisher nur aus Buch Nr. 8 mit dem Titel “Beweis” besteht. Die neuen Regeln zum Beweisrecht sind weitgehend eine Bestätigung der herrschenden Rechtsprechung und ermöglichen eine bessere Lesbarkeit und Anpassung des Beweisrechts an die aktuelle digitale Welt.

Das neue Zivilgesetzbuch bezieht sich nur auf die Beweisregeln des Zivilgesetzbuches und regelt daher nicht die Beweisregeln des Gerichtsgesetzbuches.

Buch 8 des Neuen Zivilgesetzbuches ist in 3 Kapitel unterteilt:

        Kapitel 1: Allgemeine Bestimmungen: betrifft Definitionen und allgemeine Regeln des Beweisrechts

        Kapitel 2: Zulässigkeit von Beweismitteln

        Kapitel 3: Beweismittel

Das neue Beweisrecht ist größtenteils eine Bestätigung der bereits bestehenden Rechtsprechung.  Dieses neue Buch über das Beweisrecht enthält jedoch einige Neuigkeiten, insbesondere im Hinblick auf Beweise von und gegen Unternehmen.

Die wichtigsten Änderungen in der neuen Gesetzgebung zur Beweisführung sind die folgenden:

1) Die Beweislast :

Die klassische Regel der Beweislast ist, dass die Person, die etwas vorbringt, es beweisen muss. Diese Regel gilt auch in den neuen Regeln des Beweisrechts. Das neue Beweisrecht übernimmt jedoch die geltende Rechtsprechung, dass jede Partei bei der Beweisaufnahme zusammenarbeiten muss (siehe auch Urteil des Kassationsgerichtshofs vom 25. September 2000, Arr.Cass. 2000, 1424.)

Dazu wurde Artikel 8.4 Absatz 5 der NZGB hinzugefügt. Dieser Artikel ermöglicht es dem Richter, die Beweislast umzukehren. Wenn der Richter in einem begründeten Urteil feststellt, dass es unter den konkreten Umständen des Falles offensichtlich unzumutbar wäre, dass eine Partei die Beweislast trägt, kann der Richter die Beweislast auf die andere Partei übertragen.

Die Umkehr der Beweislast ist nur möglich, wenn sehr strenge Bedingungen erfüllt sind. Dies ist eine Ausnahmemaßnahme, auf die sich der Richter nur als letztes Mittel berufen kann.

2) Beweisgrad: Beweis durch Wahrscheinlichkeit

Als allgemeine Regel gilt: sicherer Beweis.

Artikel 8.5 des neuen Zivilgesetzbuches sieht dies vor:

“Sofern das Gesetz nichts anderes vorsieht, muss der Beweis mit einem angemessenen Grad an Sicherheit erbracht werden”.

Es muss eine Überzeugung sein, die jeden begründeten Zweifel ausschließt.

Artikel 8.6 NZGB.: Beweis durch Wahrscheinlichkeit:

“Unbeschadet der Pflicht aller Parteien, bei der Beweisaufnahme zusammenzuarbeiten, kann sich die Beweislast für eine unwissentliche Tatsache damit begnügen, die Wahrscheinlichkeit dieser Tatsache zu beweisen. Dasselbe gilt für positive Tatsachen, für die es aufgrund der Art der zu beweisenden Tatsache nicht möglich oder vernünftig ist, bestimmte Beweise zu verlangen”.

Diese neuen Bestimmungen besagen daher, dass der Beweis nicht mit absoluter Sicherheit erbracht werden muss, sondern dass ein angemessener Grad an Sicherheit ausreicht. Der Nachweis einer negativen Tatsache kann somit durch die Feststellung der Wahrscheinlichkeit dieser Tatsache erbracht werden. Dies ist die Umsetzung der Rechtsprechung, nach der bestimmte Beweise für eine negative Tatsache nicht verlangt werden können.

Der Beweis der Angemessenheit wird auch auf bestimmte positive Tatsachen ausgedehnt, die nicht mit Sicherheit nachgewiesen werden können oder die so schwer zu beweisen sind, dass von einer Partei nicht verlangt werden kann, sie vernünftigerweise zu beweisen.

3) Freiheit der Beweisführung :

Buch 8 erklärt, dass der Beweis von Tatsachen und Rechtshandlungen grundsätzlich frei ist, sofern das Gesetz nichts anderes vorsieht. Dieses System der freien Beweisaufnahme galt bisher für jede Transaktion unter 375, Euro: jede Transaktion über 375 Euro zwischen Nichtunternehmern musste durch ein unterschriebenes Dokument bewiesen werden. Diese Grenze wurde nun auf 3.500,00 Euro angehoben.  (Art. 8.9 NZGB)

Diese Beweismittelfreiheit ermöglicht es somit, digitale Beweise wie E-Mails oder SMS-Nachrichten vorzulegen.

(!) Beweise über oder gegen ein unterzeichnetes Dokument können nur durch ein anderes unterzeichnetes Dokument erbracht werden, auch wenn die Summe oder der Wert diesen Betrag nicht übersteigt.

Ausnahmen von diesem geregelten Nachweissystem sind unter anderem die folgenden Fälle:

        Nachweis einseitiger Handlungen;

        Beweise von und gegen Unternehmen;

        Unfähigkeit (materiell oder moralisch) zu beweisen;

        Beweise durch oder gegen Dritte.

4) Beweise durch und gegen Unternehmen :

Beweise zwischen oder gegen Unternehmen können durch jedes Beweismittel erbracht werden, sofern das Gesetz nichts anderes vorsieht. Dies gilt nicht für Beweismittel gegen eine Partei, die kein Unternehmen ist, oder für Beweismittel gegen eine natürliche Person – Unternehmen für Tatsachen, die eindeutig nicht mit dem Unternehmen in Verbindung stehen. Das Beweisrecht hat die Verwendung von Beweisen durch Buchhaltungsunterlagen und akzeptierte Rechnungen erlaubt:

        Buchhaltungsunterlagen

Als Ausnahme von der Regel, dass niemand Beweise für sich selbst erbringen kann, war es vor dem Inkrafttreten der neuen Verordnung erlaubt, dass ein Unternehmen seinen Jahresabschluss als Beweis gegen ein anderes Unternehmen vorlegen konnte. Die Beweiskraft der Konten wurde vom Gericht bewertet.

Seit dem 1. November 2020 haben die Konten einen gesetzlichen Beweiswert (anstelle des freien Beweiswerts). Es ist jedoch erforderlich, dass die Abschlüsse von dem Unternehmen, das sie erstellt hat, gegenüber einem anderen Unternehmen als Beweismittel vorgelegt werden und dass die Abschlüsse beider Unternehmen nicht im Widerspruch zueinander stehen. Wenn diese Bedingung nicht erfüllt ist, haben die Konten keinen rechtlichen Wert, sondern nur freien Beweiswert. (Artikel 8.11, §2 NBW)

(!) Dies gilt nur zwischen den Parteien, nicht gegen Dritte, wie z.B.: Steuerbehörden.

Die Konten müssen als Gesamtheit bewertet werden. Es kann nur geteilt werden, wenn es nicht korrekt aufbewahrt wurde.

Das Gericht kann die Vorlage der Buchhaltung anordnen. Dies kann auf Antrag einer der Parteien oder von Amts wegen erfolgen. (Art. 8.11 §3 NBW)

        Akzeptierte Rechnung

Eine Rechnung, die innerhalb eines angemessenen Zeitraums akzeptiert oder nicht angefochten wird, dient als (widerlegbarer) Beweis gegen ein Unternehmen. In Ermangelung eines Gegenbeweises ist eine von einem Unternehmen akzeptierte Rechnung oder das Ausbleiben eines Rechtsstreits innerhalb einer angemessenen Frist der Beweis für die gegen das Unternehmen geltend gemachte Rechtshandlung.  (Art. 8.11 §4 NBW)

Diese Regel gilt für alle Verträge, unabhängig davon, ob es sich um gewerbliche Verkäufe oder andere kommerzielle Transaktionen handelt, und nicht nur für den Kaufvertrag.

Die fehlende Anfechtung einer Rechnung durch eine Person, die kein Unternehmen ist, kann nicht als Annahme der Rechnung angesehen werden, außer wenn diese fehlende Anfechtung ein völliges Schweigen darstellt.

Die ausdrückliche oder stillschweigende Annahme einer Rechnung durch eine Person, die kein Unternehmen ist, stellt eine faktische Vermutung dar.

Die Beweiskraft einer solchen akzeptierten Rechnung wird dann in das Ermessen des Gerichts gestellt. Dies ist eine bedeutende Änderung, da in der Vergangenheit eine unbestrittene Rechnung niemals als Beweismittel gegen Nicht-Unternehmen verwendet werden konnte.

5) Übergangsrecht

Buch 8 regelt nicht, in welchen Fällen dieses neue Beweisrecht zur Anwendung kommt. In den Erläuterungen heißt es, dass in Vertragsangelegenheiten das Recht auf Beweise zum Zeitpunkt der Vertragsunterzeichnung gültig ist. Dieses neue Beweisrecht gilt also für Verträge, die nach dem 1. November 2020 (Datum des Inkrafttretens der neuen Regeln) abgeschlossen werden.

Was Beweise durch Dritte oder
Tatsachenbeweise anbelangt, so gilt das neue Beweisrecht in allen Fällen sofort.

Wo jedoch das neue Beweisrecht als Prozessrecht angesehen werden kann (wie z.B. die Beweislast, das Beweisrisiko, die Zusammenarbeit bei der Beweisaufnahme usw.), findet Artikel 3 des Gerichtsgesetzbuches Anwendung. Dies bedeutet, dass die Regeln zur Beweislast (siehe 1) und zum Beweisstandard (siehe 2) bereits seit dem 1. November 2020 für anhängige Verfahren gelten.

Wenn Sie sich nicht sicher sind, ob Beweise vor Gericht zulässig sind, oder wenn Sie noch Fragen zu diesem Thema haben, können Sie sich gerne an einen unserer Spezialisten wenden.

 

ONRECHTMATIGE BEDINGEN IN EEN B2B-CONTRACT

Consumenten worden reeds lange tijd beschermd tegen de “macht” van ondernemingen. Zo zijn er verschillende soorten bedingen die ongeldig zijn in B2C-contracten. De wetgever stelde vast dat de macht in een B2B-contract lang niet altijd gelijkwaardig is. In sommige gevallen lijkt deze verhouding zelfs op deze bij een B2C-contract. Daarom besloot de wetgever om ook ondernemingen bescherming te bieden wanneer zij met andere ondernemingen een overeenkomst sluiten.

Middels de wet van 4 april 2019 houdende wijziging van het Wetboek van Economisch Recht met betrekking tot misbruiken van economische afhankelijkheid, onrechtmatige bedingen en oneerlijke handelspraktijken tussen ondernemingen wil de wetgever ook ondernemingen een vorm van bescherming geven wanneer de machtsverdeling tussen de ondernemingen ongelijk is.

Deze regels zijn van toepassing op alle overeenkomsten tussen ondernemingen in de zin van artikel I.8, 39° van het Wetboek van Economisch Recht. Deze definitie wijkt af van het “nieuwe” ondernemingsbegrip dat normalerwijze gehanteerd wordt. Dit heeft tot gevolg dat “elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft (alsmede zijn verenigingen)” als onderneming in de zin van de onrechtmatige bedingen in een B2B-contract wordt gezien.

Deze definitie heeft tot gevolg dat bijvoorbeeld een VZW die geen economische of beroepsactiviteit verricht, niet kan genieten van deze bescherming. Een VZW kan echter ook niet genieten van de (gelijkaardige) consumentenbescherming. Dit leidt tot het perverse effect dat dergelijke VZW’s in een minder beschermde positie verkeren dan bijvoorbeeld vennootschappen.

 

Algemeen verbod

In de eerste plaats geldt er een algemeen geformuleerd verbod. Een contractueel beding in een B2B-contract kan namelijk onrechtmatig en verboden zijn wanneer dit, eventueel in samenhang met andere bedingen, een kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en plichten van de partijen. Om dit onevenwicht te beoordelen dient er rekening gehouden te worden met de omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, de geldende handelsgebruiken, enz.

Het onevenwicht bestaat niet automatisch wanneer een grote onderneming een overeenkomst sluit met een kleine onderneming. Een kleine onderneming die door het gebrek aan concurrentie in de omgeving onevenwichtige voorwaarden kan opleggen aan een grote onderneming, kan deze bedingen vernietigd zien worden.

 

Zwarte en grijze lijst

Naast het algemeen verbod, werden er ook een zwarte en een grijze lijst met onrechtmatige bedingen opgenomen. De bedingen op de zwarte lijst zijn steeds onrechtmatig. Dit zijn bedingen die ertoe strekken:

  • te voorzien in een onherroepelijke verbintenis van de andere partij terwijl de uitvoering van de prestaties van de onderneming onderworpen is aan een voorwaarde waarvan de verwezenlijking uitsluitend afhankelijk is van haar wil;
  • de onderneming het eenzijdige recht te geven om een of ander beding van de overeenkomst te interpreteren;
  • in geval van betwisting, de andere partij te doen afzien van elk middel van verhaal tegen de onderneming;
  • op onweerlegbare wijze de kennisname of de aanvaarding van de andere partij vast te stellen met bedingen waarvan deze niet daadwerkelijk kennis heeft kunnen nemen vóór het sluiten van de overeenkomst.

De grijze lijst bevat bedingen die vermoed worden onrechtmatig te zijn. Dit is een weerlegbaar vermoeden. De grijze lijst bevat bedingen die ertoe strekken:

  • de onderneming het recht te verlenen om zonder geldige reden de prijs, de kenmerken of de voorwaarden van de overeenkomst eenzijdig te wijzigen;
  • een overeenkomst van bepaalde duur stilzwijgend te verlengen of te vernieuwen, zonder opgave van een redelijke opzegtermijn;
  • zonder tegenprestatie het economische risico op een partij leggen indien die normaliter op de andere onderneming of op een andere partij bij de overeenkomst rust;
  • op ongepaste wijze de wettelijke rechten van een partij uit te sluiten of te beperken in geval van volledige of gedeelde wanprestatie of gebrekkige uitvoering door de andere onderneming van een van haar contractuele verplichtingen;
  • onverminderd artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek, de partijen te verbinden zonder opgave van een redelijke opzegtermijn;
  • de onderneming te ontslaan van haar aansprakelijkheid voor haar opzet, haar zware fout of voor die van haar aangestelden of, behoudens overmacht, voor het niet-uitvoeren van de essentiële verbintenissen die het voorwerp van de overeenkomst uitmaken;
  • de bewijsmiddelen waarop de andere partij een beroep kan doen te beperken;
  • in geval van niet-uitvoering of vertraging in de uitvoering van de verbintenissen van de andere partij, schadevergoedingsbedragen vast te stellen die kennelijk niet evenredig zijn aan het nadeel dat door de onderneming kan worden geleden.

Voor de grijze lijst is het steeds mogelijk voor de betrokken onderneming om aan te tonen dat het beding een rechtmatig karakter heeft. Dit kan door bijvoorbeeld de evenredigheid van de totale overeenkomst aan te tonen. Wanneer een beding van de grijze lijst voorkomt in een overeenkomst kan dit het gevolg zijn van onderhandelingen tussen de partijen, waarbij op andere vlakken tegemoetkomingen werden voorzien.

 

Inwerkingtreding

De bepalingen omtrent de onrechtmatige B2B-bedingen zullen op 1 december 2020 in werking treden. Dit zal enkel van toepassing zijn op overeenkomsten die na deze datum worden gesloten, verlengd of gewijzigd. Overeenkomsten die reeds gesloten werden voor 1 december 2020 kunnen niet onderworpen worden aan deze wettelijke bepalingen.

Deze regels zullen echter niet van toepassing zijn op financiële diensten en op overheidsopdrachten en de overeenkomsten die hieruit voortvloeien, tenzij middels een koninklijk besluit bepaalde bepalingen wel van toepassing verklaard worden.

Bij het opstellen van B2B-contracten zal u, zoals steeds, de nodige aandacht dienen te besteden aan de inhoud van uw overeenkomst. Indien u hierbij hulp wenst, kan u ons steeds contacteren via info@studio-legale.be of 03 216 70 70.

 

——————————————-

CLAUSES ABUSIVES DANS UN CONTRAT B2B

Les consommateurs ont longtemps été protégés du “pouvoir” des entreprises. Par exemple, il existe différents types de clauses qui ne sont pas valables dans les contrats B2C. Le législateur a constaté que le pouvoir dans un contrat B2B n’est pas toujours équivalent. Dans certains cas, cette relation est même similaire à celle d’un contrat B2C. C’est pourquoi le législateur a décidé d’étendre la protection aux entreprises lorsqu’elles concluent un accord avec d’autres entreprises.

Par la loi du 4 avril 2019 modifiant le Code du droit économique en ce qui concerne les abus de dépendance économique, les clauses abusives et les pratiques de marché déloyales entre entreprises, le législateur veut également donner aux entreprises une forme de protection lorsque la répartition du pou
voir entre entreprises est inégale.

Ces règles s’appliquent à tous les accords entre entreprises au sens de l’article I.8, 39° du Code du droit économique. Cette définition s’écarte du “nouveau” concept d’entreprise qui est normalement utilisé. En conséquence, “toute personne physique ou morale poursuivant de manière durable un but économique (y compris ses associations)” est considérée comme une entreprise au sens des clauses abusives d’un contrat B2B.

Cette définition a pour conséquence que, par exemple, une association sans but lucratif n’exerçant pas d’activité économique ou professionnelle ne peut pas bénéficier de cette protection. Toutefois, une ASBL ne peut pas non plus bénéficier d’une protection (similaire) des consommateurs. Cela a pour effet pervers que ces ASBL sont dans une position moins protégée que, par exemple, les entreprises.

 

Interdiction générale

En premier lieu, il y a une interdiction formulée de manière générale. Une clause contractuelle dans un contrat B2B peut être abusive et interdite si, éventuellement en conjonction avec d’autres clauses, elle crée un déséquilibre évident entre les droits et les obligations des parties. Afin d’évaluer ce déséquilibre, il convient de tenir compte des circonstances entourant la conclusion du contrat, des pratiques commerciales en vigueur, etc.

Le déséquilibre n’existe pas automatiquement lorsqu’une grande entreprise conclut un contrat avec une petite entreprise. Une petite entreprise qui peut imposer des conditions déséquilibrées à une grande entreprise en raison du manque de concurrence dans la région environnante peut voir ces conditions annulées.

 

Liste noire et liste grise

En plus de l’interdiction générale, une liste noire et une liste grise de clauses abusives ont également été incluses. Les clauses figurant sur la liste noire sont toujours abusives. Il s’agit des clauses suivantes :

– de prévoir un engagement irrévocable de l’autre partie alors que l’exécution des prestations de l’entreprise est soumise à une condition dont la réalisation dépend  de sa seule volonté ;

– de conférer à l’entreprise le droit unilatéral d’interpréter une quelconque clause du contrat  ;

– en cas de conflit, faire renoncer l’autre partie à tout moyen de recours contre l’entreprise ;

– de constater de manière irréfragable la connaissance ou l’adhésion de l’autre partie à des clauses dont elle n’a pas eu, effectivement, l’occasion de prendre connaissance avant la conclusion du contrat

La liste grise contient des clauses qui sont présumées être abusives. Il s’agit d’une présomption réfragable. La liste grise contient les clauses suivantes :

  • D’autoriser l’entreprise à modifier unilatéralement sans raison valable le prix, les caractéristiques ou les conditions du contrat ;
  • De proroger ou renouveler tacitement un contrat à durée déterminée sans spécification d’un délai raisonnable de résiliation ;
  • De placer, sans contrepartie, le risque économique sur une partie alors que celui-ci incombe normalement à l’autre partie ou à une autre partie au contrat ;
  • Exclure ou limiter de façon inappropriée les droits légaux d’une partie, en cas de non-exécution totale ou partielle ou d’exécution défectueuse par l’autre entreprise d’une de ses obligations contractuelles ;
  • Sans préjudice de l’article 1184 du Code civil, d’engager les parties sans spécification d’un délai raisonnable de résiliation ;
  • De libérer l’entreprise de sa responsabilité du fait de son dol, de sa faute grave ou de celle de ses préposés ou, sauf en cas de force majeure, de fait de toute inexécution des engagements essentiels qui font l’objet du contrat ;
  • De limiter les moyens de preuves que l’autre partie peut utiliser ;
  • De fixer des montants de dommages et intérêts réclamés en cas d’inexécution ou de retard dans l’exécution des obligations de l’autre partie qui dépassent manifestement l’étendue du préjudice susceptible d’être subi par l’entreprise.


Pour la liste grise, il est toujours possible pour l’entreprise concernée de prouver que la clause est légale. Cela peut être fait, par exemple, en démontrant la proportionnalité du contrat global. Si une clause de la liste grise est incluse dans un contrat, elle peut être le résultat de négociations entre les parties, des concessions étant faites dans d’autres domaines.

 

Entrée en vigueur

Les dispositions concernant les clauses B2B abusives entreront en vigueur le 1er décembre 2020. Cela ne s’appliquera qu’aux accords conclus, prorogés ou modifiés après cette date. Les contrats déjà conclus avant le 1er décembre 2020 ne peuvent être soumis à ces dispositions légales.

Toutefois, ces règles ne s’appliqueront pas aux services financiers et aux marchés publics et aux accords qui en découlent, sauf si certaines dispositions sont déclarées applicables par arrêté royal.

Lors de l’élaboration de contrats B2B, vous devrez, comme toujours, accorder l’attention nécessaire au contenu de votre accord. Si vous souhaitez obtenir de l’aide à ce sujet, vous pouvez toujours nous contacter via info@studio-legale.be ou 03 216 70 70.

—————————————————

 

UNLAWFUL TERMS IN A B2B CONTRACT

Consumers have since long been protected from the “power” of companies. For example, there are various types of terms which are invalid in B2C contracts. The legislator found that the power in a B2B contract is by no means always equal. In some cases this relationship is even similar to that in a B2C contract. That is why the legislator decided to extend the protection to companies when concluding an agreement with other companies.

By means of the Act of 4 April 2019 amending the Economic Law Code (“Wetboek Economisch Recht”) with regard to abuses of economic dependency, unlawful terms and unfair commercial practices between companies, the legislator also wants to give companies a form of protection when the power dynamic between companies is unequal.

These rules apply to all contracts between companies in the meaning of article I.8, 39° of the Economic Law Code. This definition deviates from the “new” concept of “enterprise” that is normally used. As a result, “any natural or legal person who pursues an economic objective in a sustainable manner (as well as his associations)” is considered to be an enterprise in the context of the unlawful terms in a B2B contract.

The consequence of this definition is that for example a non-profit organisation not pursuing an economic or professional activity cannot benefit from this protection. However, a non-profit organisation cannot benefit from (similar) consumer protection either. This leads to the perverse effect that such non-profit organisations are in a less protected position than, for example, corporations.

 

General prohibition

First of all, there is a generally formulated ban. A contractual term in a B2B contract can be unlawful and prohibited if, possibly in
conjunction with other terms, it creates an obvious imbalance between the rights and obligations of the parties. In order to assess this imbalance, the circumstances surrounding the conclusion of the contract, the general commercial practices, etc. should be taken into consideration.

The imbalance does not automatically exist when a large enterprise concludes a contract with a small enterprise. A small enterprise, due to the lack of competition in the surrounding area, may impose unbalanced conditions on a large enterprise. These conditions could be declared invalid.

 

Black and grey list

In addition to the general prohibition, a black and a grey list of unlawful terms were also included. The terms on the black list are always unlawful. These are terms with the following aims:

  • to provide for an irrevocable obligation on the other party while the performance of the company’s services is subject to a condition of which the fulfilment depends solely on its’ will;
  • to give the company the unilateral right to interpret any term of the contract;
  • in the event of a dispute, to dissuade the other party from any means of redress against the company;
  • unequivocally determine the other party’s knowledge or acceptance of terms which it has not actually been able to ascertain prior to the conclusion of the contract.

The grey list contains terms presumed to be unlawful. This is a rebuttable presumption. The grey list contains following terms:

  • to give the undertaking the right to unilaterally alter the price, characteristics or terms of the contract without valid reason;
  • to tacitly extend or renew a fixed-term contract without giving reasonable notice;
  • impose the economic risk on one party, without any quid pro quo, if it is normally borne by the other undertaking or another party to the contract;
  • improperly exclude or limit a party’s legal rights in the event of full or shared breach or defective performance by the other company of one of its contractual obligations;
  • without prejudice to article 1184 of the Civil Code, to bind the parties without giving a reasonable period of notice;
  • release the company from its liability for its wilful misconduct, its gross negligence or that of its appointees or, except in cases of force majeure, for the non-execution of the essential obligations that are the subject of the agreement;
  • to limit the means of proof on which the other party may rely;
  • in the event of non-performance or delay in performance of the other Party’s obligations, to fix damages clearly out of proportion to the prejudice which may be suffered by the undertaking.

In case of terms stipulated in the grey list, it is always possible for the enterprise concerned to prove that the term is lawful. This can be done, for example, by demonstrating the proportionality of the overall contract. Where a grey list term appears in a contract, this may be the result of negotiations between the parties, which have led to concessions in other terms.

 

Entry into force

The provisions regarding the unlawful B2B clauses will enter into force on December 1st 2020. This will only apply to agreements concluded, extended or amended after this date. Contracts already concluded before December 1st 2020 cannot be subject to these legal provisions.

In any case, these rules will not apply to financial services and public procurement contracts and the agreements resulting therefrom, unless certain provisions are declared applicable by a royal decree.

When drawing up B2B contracts, you will, as always, have to pay proper attention to the content of your agreement. If you would like help with this, you can always contact us via info@studio-legale.be or +323 216 70 70.

————————————————

 

MIβBRÄUCHLICHE KLAUSELN IN EINEM B2B-VERTRAG

Die Verbraucher sind seit langem vor der “Macht” der Unternehmen geschützt. Zum Beispiel gibt es verschiedene Arten von Klauseln, die in B2C-Verträgen ungültig sind. Der Gesetzgeber stellte fest, dass die Macht in einem B2B-Vertrag keineswegs immer gleichwertig ist. In einigen Fällen ist dieses Verhältnis sogar ähnlich wie bei einem B2C-Vertrag. Aus diesem Grund hat der Gesetzgeber beschlossen, den Schutz auf Unternehmen auszudehnen, wenn diese eine Vertrag mit anderen Unternehmen abschließen.

Mit dem Gesetz vom 4. April 2019 zur Änderung des Wirtschaftsgesetzbuches hinsichtlich des Miβbrauchs wirtschaftlicher Abhängigkeit, miβbräuchliche Klauseln und unlauterer Geschäftspraktiken zwischen Unternehmen will der Gesetzgeber den Unternehmen auch dann eine Form des Schutzes geben, wenn die Machtverteilung zwischen den Unternehmen ungleich ist.

Diese Regeln gelten für alle Verträge zwischen Unternehmen im Sinne von Artikel I.8, 39° des Wirtschaftsgesetzbuches. Diese Definition weicht von dem “neuen” Unternehmensbegriff ab, der normalerweise verwendet wird. Demzufolge gilt “jede natürliche oder juristische Person, die nachhaltig ein wirtschaftliches Ziel verfolgt (sowie deren Vereinigungen)” als Unternehmen im Sinne der ungesetzliche Bedingungen in einem B2B-Vertrag.

Die Konsequenz dieser Definition ist, dass z.B. ein Verein ohne Gewinnerzielungsabsicht, der keine wirtschaftliche oder berufliche Tätigkeit ausübt, diesen Schutz nicht in Anspruch nehmen kann. Allerdings kann eine VoG auch nicht in den Genuss eines (ähnlichen) Verbraucherschutzes kommen. Dies führt zu dem perversen Effekt, dass sich solche VoGs in einer weniger geschützten Position befinden als z.B. Unternehmen.

 

Allgemeines Verbot

An erster Stelle steht ein allgemein formuliertes Verbot. Eine Vertragsklausel in einem B2B-Vertrag kann miβbräuchlich und verboten sein, wenn sie, möglicherweise in Verbindung mit anderen Klauseln, ein offensichtliches Ungleichgewicht zwischen den Rechten und Pflichten der Parteien schafft. Bei der Beurteilung dieses Ungleichgewichts sollten die Umstände des Vertragsabschlusses, die geltenden Handelspraktiken usw. berücksichtigt werden.

Das Ungleichgewicht besteht nicht automatisch, wenn ein großes Unternehmen einen Vertrag mit einem kleinen Unternehmen abschließt. Ein kleines Unternehmen, das aufgrund des mangelnden Wettbewerbs in der Umgebung einem großen Unternehmen unausgewogene Bedingungen auferlegen kann, kann diese Klauseln zerstört sehen.

 

Schwarze und graue Liste

Neben dem allgemeinen Verbot wurden auch eine schwarze und eine graue Liste unzulässiger Klauseln aufgenommen. Die Klauseln auf der schwarzen Liste sind immer miβbräuchlich. Dies sind Klauseln mit dem folgenden Ziel:

  • eine unwiderrufliche Verpflichtung der anderen Partei vorzusehen, während die Erbringung der Leistungen des Unternehmens an eine Bedingung geknüpft ist, deren Erfüllung allein von seinem Willen abhängt;
  • dem Unternehmen das einseitige Recht einzuräumen, jede Vertragsklausel auszulegen;
  • im Falle eines Rechtsstreits die andere Partei von jeglichen Rechtsmitteln gegen das Unternehmen abzubringen;
  • unbestreitbar die Kenntnis oder die Annahme von Bedingungen durch die andere Partei bestimmen, die sie vor Vertragsabschluss nicht tatsächlich feststellen konnte.

Die graue Liste enthält Klauseln, die im Verdacht stehen, miβbräuchlich zu sein. Dies ist eine widerlegbare Vermutung. Die graue Liste en
thält Klauseln für diesen Zweck:

  • dem Unternehmen das Recht einzuräumen, den Preis, die Merkmale oder die Vertragsbedingungen ohne triftigen Grund einseitig zu ändern;
  • einen befristeten Vertrag stillschweigend und ohne angemessene Kündigungsfrist zu verlängern oder zu erneuern;
  • einer Partei das wirtschaftliche Risiko ohne Gegenleistung auferlegen, wenn es normalerweise von dem anderen Unternehmen oder einer anderen Vertragspartei getragen wird;
  • die gesetzlichen Rechte einer Partei im Falle einer vollständigen oder gemeinsamen Verletzung oder mangelhaften Erfüllung einer ihrer vertraglichen Verpflichtungen durch das andere Unternehmen in unzulässiger Weise ausschließen oder einschränken;
  • unbeschadet des Artikels 1184 des Bürgerlichen Gesetzbuches, die Parteien ohne Einhaltung einer angemessenen Kündigungsfrist zu binden;
  • das Unternehmen von seiner Haftung für sein vorsätzliches Verhalten, seine grobe Fahrlässigkeit oder die seiner Beauftragten oder, außer in Fällen höherer Gewalt, für die Nichterfüllung der wesentlichen Verpflichtungen, die Gegenstand der Vereinbarung sind, freizustellen;
  • die Beweismittel beschränken, auf die sich die andere Partei berufen kann;
  • im Falle der Nichterfüllung oder verspäteten Erfüllung der Verpflichtungen der anderen Vertragspartei einen Schadenersatz festzusetzen, der in keinem Verhältnis zu dem Schaden steht, der dem Unternehmen entstehen kann.

Bei der grauen Liste ist es für das betreffende Unternehmen immer möglich, die Rechtmäßigkeit des Klauseln nachzuweisen. Dies kann z.B. durch den Nachweis der Verhältnismäßigkeit des Gesamtauftrags geschehen. Wenn ein Klausel der grauen Liste in einem Vertrag erscheint, kann dies das Ergebnis von Verhandlungen zwischen den Parteien sein, die Zugeständnisse in anderen Bereichen vorgesehen haben.

 

Inkrafttreten

Die Bestimmungen zu den rechtswidrigen B2B-Klauseln treten am 1. Dezember 2020 in Kraft. Dies gilt nur für Verträge, die nach diesem Datum geschlossen, verlängert oder geändert werden. Verträge, die bereits vor dem 1. Dezember 2020 abgeschlossen wurden, können nicht unter diese gesetzlichen Bestimmungen fallen.

Diese Regeln gelten jedoch nicht für Finanzdienstleistungen und öffentliche Aufträge und die sich daraus ergebenden Vereinbarungen, es sei denn, bestimmte Regeln werden durch königlichen Erlass für anwendbar erklärt.

Bei der Ausarbeitung von B2B-Verträgen müssen Sie wie immer dem Inhalt Ihrer Vertrag die nötige Aufmerksamkeit widmen. Wenn Sie dabei Hilfe benötigen, können Sie uns jederzeit über info@studio-legale.be oder +323 216 70 70 70 kontaktieren.

 

Versoepeling en uitbreiding van de winwinlening in Vlaanderen, Wallonië en Brussel

Sinds 1 september 2006 kunnen particulieren die inwoner zijn van het Vlaams Gewest genieten van een vermindering van de personenbelasting door geld uit te lenen aan ondernemingen die financiële steun kunnen gebruiken. Vanwege het coronavirus werden de mogelijkheden van de winwinlening versoepeld en verruimd.

Heel wat ondernemingen hebben het door de coronacrisis immers moeilijk om alle facturen te blijven betalen. Zij hebben nood aan extra kapitaal.

Teneinde die ondernemingen te ondersteunen, werd de bestaande winwinlening uitgebreid (vanaf oktober 2020).

Sinds 1 september 2006[1] kunnen particulieren die inwoner zijn van het Vlaams Gewest genieten van een vermindering van de personenbelasting door geld uit te lenen aan ondernemingen. Zo wordt een win-winsituatie gecreëerd enerzijds voor de natuurlijke persoon en anderzijds voor de onderneming of zelfstandige.

Om de winwinlening nog aanlokkelijker te maken heeft de wetgever in 2011 reeds enkele aanpassingen doorgevoerd. Zo werd bijvoorbeeld de voorwaarde dat de kredietnemer de hoedanigheid moet hebben van een startende vennootschap geschrapt.

De winwinlening is een succes. Sinds 2006 werd al bijna een half miljard euro aan kapitaal gemobiliseerd via de winwinlening.

Wat houdt deze winwinlening nu concreet in? De winwinlening is een achtergestelde lening[2] die een natuurlijke persoon aan een vennootschap verstrekt met als doel de vennootschap meer financiële draagkracht te geven en de kredietgever te belonen met een fiscaal voordeel.

Via de winwinlening kon de kredietnemer leningen aangaan tot € 200.000,00. Dat wordt nu opgetrokken tot maar liefst € 300.000,00.

Ook het bedrag dat maximaal kon worden uitgeleend door de kredietgever wordt aangepast. Vroeger was dit bedrag € 50.000,00, terwijl dit nu maximaal € 75.000,00 bedraagt. Indien dit voor de kredietnemer niet volstaat, zal deze beroep moeten doen op meerdere vrienden of familieleden.

De winwinlening had een vastgestelde looptijd van acht jaar. Ingevolge de aanpassingen zal de looptijd van de lening kunnen variëren tussen vijf tot tien jaar. Verder zal men de looptijd van de leningen die aflopen in 2020 kunnen verlengen met maximum twee jaar.

Tegenwoordig kan deze lening afbetaald worden via een aflossingstabel of in één keer na acht jaar. Bovendien kan worden bepaald dat de kredietnemer de winwinlening vervroegd kan terugbetalen door een eenmalige betaling van het openstaande saldo in hoofdsom met interesten. Daarnaast mag de kredietgever de lening vervroegd opeisen in geval van bijvoorbeeld het faillissement of de stopzetting van de onderneming.

Ook aan kleine aandeelhouders die maximum 5% van de aandelen bezitten, wordt het toegelaten om een winwinlening te verstrekken.

De winwinlening heeft zeker zijn voordelen. Zo levert de winwinlening de kredietgever een jaarlijkse belastingvermindering gelijk aan 2,5% op het openstaande kapitaal. Daarnaast kan de kredietgever genieten van een eenmalige belastingvermindering van 30% op het niet-terugbetaalde bedrag indien de kredietnemer het resterend bedrag niet meer kan terugbetalen. Dit zal tijdelijk worden opgetrokken naar 40% voor de overeenkomsten die worden afgesloten tot en met 31 december 2021 en zulks voor de ganse looptijd.

Opgepast: ook moet de kredietnemer op de winwinlening interesten betalen. Deze worden berekend door het saldo van de winwinlening te vermenigvuldigen met de rentevoet die is vastgelegd in de akte. Deze rentevoet is niet vrij te bepalen: enerzijds mag ze niet hoger zijn dan de wettelijke rentevoet[3] die van kracht is op de datum waarop de winwinlening wordt gesloten en anderzijds mag ze niet lager zijn dan de helft van diezelfde rentevoet. Bovendien wordt er op de interesten die de onderneming of zelfstandige betaalt, 21% roerende voorheffing ingehouden.

Om te kunnen genieten van de winwinlening moeten de kredietnemer en de kredietgever voldoen aan enkele voorwaarden.

De kredietnemer (artikel 3, §2 Decreet 19 mei 2006):

  • Ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen of bij een organisme voor de sociale zekerheid;
  • Voornaamste exploitatiezetel in het Vlaamse Gewest;
  • Indien het geen natuurlijke persoon is: een handelsvennootschap of een burgerlijke vennootschap met de rechtsvorm van een handelsvennootschap.

De kredietgever (artikel 3, §3 Decreet 19 mei 2006):

  • Natuurlijke persoon die geld uitleent buiten het kader van zijn handels- of beroepsactiviteiten;
  • Geen werknemer van de kredietnemer;
  • Bij het aangaan van de lening niet de echtgenoot of wettelijk samenwonende partner van de kredietnemer-zelfstandige;
  • Indien kredietnemer-rechtspersoon: geen aandeelhouder van de rechtspersoon, noch benoemd zijn of optreden als bestuurder, zaakvoerder of in een vergelijkbaar mandaat binnen die rechtspersoon. Deze regels gelden evenzo voor de echtgenoot, echtgenote of wettelijk samenwonende partner van de kredietgever;
  • Geen kredietnemer bij andere winwinlening (artikel 3, §4 Decreet 19 mei 2006);
  • Inwoner van het Vlaams gewest.

Dat de winwinlening in coronatijd aan populariteit wint, blijkt duidelijk uit de cijfers : in het eerste halfjaar van 2020 werden 1.633 leningen afgesloten ter waarde van 36 miljoen euro, terwijl het in dezelfde periode vorig jaar ging om 1.344 leningen voor een totaal van 31,6 miljoen euro.

Er is ook voldoende kapitaal voorhanden : in België staat er maar liefst 280 miljard euro op spaarrekeningen.

Hoe zit het met Wallonië?

De Waalse winwinlening, bekend als de “prêt coup de pouce” of “kickstartlening”, is een achtergestelde lening dankzij welke zelfstandigen en KMO’s in het Waalse Gewest geld kunnen lenen van natuurlijke personen vreemd aan de onderneming.

Sinds de lancering van de kickstartlening in Wallonië in september 2016 is deze een echt succes. Op 30 juni 2019 werden 574 leningen geregistreerd voor een bedrag van € 10.744.234,00 met een gemiddelde lening van € 18.718,00. De kickstartlening was bedoeld voor een beperkte periode tot en met 31 december 2019, maar werd verlengd tot en met 31 december 2021.

De kickstartlening stelt de lener in staat om leningen tot € 100.000,00 af te sluiten. Het maximale bedrag dat door een geldschieter kan worden uitgeleend is € 50.000,00.

De kickstartlening kan een looptijd hebben van 4, 6 of 8 jaar.

In tegenstelling tot in Vlaanderen heeft de kredietverstrekker geen andere keuze dan de lening in één keer op de vervaldag terug te betalen. Er is geen mogelijkheid tot een volledige of gedeeltelijke vervroegde betaling.

De kickstartlening heeft dezelfde voordelen als de winwinlening. Zo biedt de kickstartlening een jaarlijkse belastingvermindering van 4% op het leningbedrag voor de eerste vier jaar en nadien een vermindering van 2,5%. Het maximale jaarlijkse voordeel is dus € 2.000,00 voor de eerste vier jaar en € 1.2
50,00 nadien.

De lener moet ook een rente betalen. Dit wordt berekend door het geleende bedrag te vermenigvuldigen met de in de akte vastgestelde rentevoet. Net zoals bij de winwinlening, is deze rente niet vrij te bepalen. Enerzijds mag deze niet hoger zijn dan de wettelijke rente die geldt op de datum van afsluiting van de lening en anderzijds mag deze niet lager zijn dan de helft van dezelfde rente. Dit percentage moet minimaal 0,875% en maximaal 1,75% bedragen (wettelijk percentage in 2020).

Om in aanmerking te komen voor de kickstartlening moeten de lener en de uitlener aan een aantal voorwaarden voldoen.

Op de datum dat de lening wordt afgesloten, is de lener:

  • geregistreerd bij de Kruispuntbank van Ondernemingen of bij een sociale zekerheidsorganisatie voor zelfstandigen;
  • gevestigd in het Waalse Gewest;
  • geen uitoefenaar van een activiteit of heeft hij geen voorwerp dat uitsluitend of hoofdzakelijk bestaat uit :

o het verlenen van financiële diensten aan derden;

o het doen van geldbeleggingen;

o de collectieve belegging van kapitaal;

o het bouwen, verwerven, beheren, ontwikkelen, verkopen of verhuren van onroerend goed voor eigen rekening, of het houden van belangen in ondernemingen met een gelijkaardig doel;

o een vennootschap waarin onroerende goederen of andere zakelijke rechten op dergelijke goederen worden belegd, met inbegrip van natuurlijke personen die een mandaat of functies uitoefenen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, hun echtgeno(o)t(e) of hun kinderen, wanneer deze personen of hun echtgeno(o)t(e) het wettelijk genot hebben van de inkomsten van deze personen of het gebruik ervan hebben; en

  • niet onderworpen aan een collectieve insolventieprocedure en niet valt onder de voorwaarden voor een collectieve insolventieprocedure.

Om de kickstartlening aantrekkelijker te maken, werd de voorwaarde dat de lener een jong bedrijf moet zijn jonger dan 5 jaar opgeheven.

Bovendien, als de lener een rechtspersoon is, is het :

  • ofwel een vennootschap met een handelsvorm, ongeacht of deze een burgerlijk of commercieel doel heeft, ofwel een vereniging of stichting in de zin van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen;
  • geen onderneming die is opgericht om beheers- of administratiecontracten af te sluiten of die het grootste deel van haar winst haalt uit beheers- of administratiecontracten;
  • niet beursgenoteerd;
  • niet gevormd in verband met een fusie of splitsing van ondernemingen; en
  • heeft de lener nog geen kapitaalvermindering of dividenduitkering doorgevoerd.

Op de datum van afsluiting van de lening en tijdens de looptijd van de lening, is de kredietverstrekker :

  • geen werknemer van de lener;
  • indien de kredietnemer een zelfstandige natuurlijke persoon is: niet de echtgenoot of wettelijk samenwonende partner van de kredietnemer; en
  • indien de kredietnemer een rechtspersoon is: de kredietverstrekker evenals zijn echtgeno(o)t(e) of wettelijk samenwonende partner is noch aandeelhouder van die rechtspersoon, noch benoemd of handelend als bestuurder, zaakvoerder, gedelegeerd aan het dagelijks bestuur, of als houder van een gelijkaardig mandaat binnen die rechtspersoon, noch oefent hij, als vaste vertegenwoordiger van een andere vennootschap, een mandaat uit als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of een gelijkaardige functie;
  • geen lener van een andere lening die voldoet aan de voorwaarden van dit besluit en de uitvoeringsbesluiten.

In het kader van het post-Covid-herstel werkt de Waalse minister van Economie, Willy Borsus, ook aan een hervorming van de kickstartlening.

De eerste door de minister van Economische Zaken beoogde wijziging betreft de huidige plafonds voor de uitgeleende en geleende bedragen. Het voorziet in de mogelijkheid om tot € 250.000,00 leningen aan te gaan in vergelijking met de huidige € 100.000,00. Deze verhoging van het plafond zou gepaard gaan met een herziening van het belastingkrediet voor de kredietgever met 4% in de eerste twee jaar (in vergelijking met de huidige vier jaar) en 2,5% in de daaropvolgende jaren. De hervorming zou de kredietnemer ook in staat kunnen stellen de lening in termijnen af te lossen, een mogelijkheid die momenteel niet bestaat.

De minister van Economische Zaken probeert ook het systeem uit te breiden. Er worden twee hypothesen overwogen:

  • Sowalfin zou één euro overheidslening kunnen verstrekken voor elke particuliere euro die door het bedrijf wordt geleend ;
  • Het koppelen van de Solwafin garantie aan elke lening.

Hoe zit het met Brussel ?

De coronacrisis heeft het Brusselse equivalent van de winwinlening en de “prêt coup de pouce” (“kickstartlening”) mogelijk gemaakt. Dit is de proxi-lening. Op 11 juni 2020 keurde de Brusselse regering een Ontwerp van decreet tot oprichting van de proxi-lening goed.

De proxi-lening moet ook particulieren in staat stellen om geld uit te lenen aan Brusselse ondernemers en tegelijkertijd te profiteren van fiscale voordelen in de vorm van een belastingkrediet en een garantie.

Deze proxi-lening lijkt sterk op de Vlaamse winwinlening en de Waalse kickstartlening. De proxi-lening laat de kredietnemer, zelfstandige of beheerder van een KMO met een economische activiteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, toe om voor een vaste periode van 5 of 8 jaar geld te lenen tegen een verlaagd tarief van een particulier met een maximum van € 250.000,00 voor de kredietnemer.

Het rentepercentage moet nog bij besluit worden vastgesteld.

De kredietverstrekker kan maximaal € 50.000,00 per jaar uitlenen met een maximum van € 200.000,00. De kredietverstrekker krijgt een belastingkrediet van 4% van het bedrag voor drie jaar en 2,5% voor de daaropvolgende jaren. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest beperkt het risico door 30% van het bedrag te garanderen als de kredietnemer in gebreke blijft.

Echter, op tijdelijke basis, en om bedrijven te helpen de gevolgen van de gezondheidscrisis het hoofd te bieden, wordt in de jaren 2020 en 2021 het maximumbedrag per jaar en per kredietverstrekker verhoogd tot € 75.000,00, terwijl het maximumbedrag per kredietnemer wordt verhoogd tot € 300.000,00.

 

Twijfelt U of het in Uw specifiek geval voordelig is om een winwinlening aan te gaan of heeft U hieromtrent nog enkele vragen, raadpleeg dan zeker één van onze specialisten.

 

Indien U de winwinlening-overeenkomst wenst te laten opstellen, kan U ook bij ons terecht!

 

Redactie: Studio-Legale Advocaten

Vertaling : Pauline Vanhorenbeke

 

[1] Decreet van 19 mei 2006 betreffende de Winwinlening, BS 30 juni 2006 (tweede uitg.); Besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 houdende uitvoering van het decreet van 19 mei 2006 betreffende de Winwinlening, BS 17 augustus 2006.

[2] Dit wil zeggen dat bij faling de lening pas terugbetaald wordt nadat alle andere schuldeisers zijn terugbetaald.

[3] 2,50% sinds 1 januari 2015

 

—————————————————-

 

Assouplissement et extension du prêt « win-win » en Flandre, Wallonie et Bruxelles

 

Depuis le 1er septembre 2006, les particuliers résidant en Région flamande peuvent bénéficier d’une réduction de l’impôt sur le revenu des personnes physiques en prêtant de l’argent aux entreprises. En raison du coronavirus, le prêt win-win a été assoupli et les possibilités ont été élargies. Cette possibilité existe également depuis 2016 en Région Wallonne. La crise du coronavirus a permis de sortir du carton, l’équivalent bruxellois, le prêt proxi.

De nombreuses entreprises éprouvent des difficultés à continuer à payer toutes leurs factures en raison de la crise du coronavirus. Ils ont donc besoin de capitaux supplémentaires.

Afin de soutenir ces entreprises, le prêt existant “win-win” a été prolongé (opérationnel en octobre 2020)

Depuis le 1er septembre 2006[1], les particuliers résidant en Région flamande peuvent bénéficier d’une réduction de l’impôt sur le revenu des personnes physiques en prêtant de l’argent aux entreprises. Cela crée une situation gagnant-gagnant pour la personne physique d’une part et pour l’entreprise ou le travailleur indépendant d’autre part, car il reste difficile pour les entreprises de contracter des prêts auprès de la banque.

Le prêt win-win est un prêt dans lequel l’emprunteur doit utiliser les fonds dans leur intégralité dans le cadre de ses activités commerciales ou professionnelles, que ce soit en tant que personne morale ou en tant qu’indépendant.

Afin de rendre le prêt win-win encore plus attractif, le législateur a déjà apporté un certain nombre de changements en 2011. Par exemple, la condition selon laquelle l’emprunteur doit avoir la capacité d’une entreprise en démarrage a été supprimée.

Le prêt win-win a été un véritable succès. Depuis le début en 2006, près d’un demi-milliard d’euros de capital a déjà été mobilisé par le biais du prêt “win-win”.

Que signifie concrètement ce prêt “win-win” ? Le prêt win-win est un prêt subordonné[2] qu’une personne physique accorde à une entreprise dans le but d’accroître la solidité financière de celle-ci et de récompenser le prêteur par un avantage fiscal.

Le prêt win-win permettait à l’emprunteur de contracter des prêts jusqu’à 200 000 euros. Ce montant sera désormais porté à pas moins de 300 000 euros.

Le montant maximum pouvant être prêté par le prêteur est également ajusté. Alors qu’il était auparavant de 50 000 euros, le maximum sera de 75 000 euros. Si cela n’est pas suffisant pour l’emprunteur, il devra faire appel à plusieurs amis ou membres de sa famille.

Le prêt win-win avait une durée fixe de huit ans. Toutefois, en raison des ajustements actuels, il sera désormais possible de varier entre cinq et dix ans. En outre, il sera possible de prolonger de deux ans au maximum la durée des prêts arrivant à échéance en 2020.

Aujourd’hui, ce prêt peut être remboursé au moyen d’un tableau de remboursement ou en une fois après huit ans. En outre, le prêt win-win peut permettre à l’emprunteur de rembourser par anticipation le prêt win-win par un paiement unique du solde restant dû en capital et intérêts. En outre, le prêteur peut rembourser le prêt de manière anticipée en cas, par exemple, de faillite ou de cessation de l’activité.

Les petits actionnaires (avec un maximum de 5 % des actions) sont également autorisés à accorder un prêt gagnant-gagnant.

Le prêt win-win a certainement ses avantages. Par exemple, le prêt win-win offre au prêteur une réduction d’impôt annuelle égale à 2,5 % sur le capital restant dû. En outre, le prêteur peut bénéficier d’un crédit d’impôt unique de 30 % du montant non remboursé si l’emprunteur n’est pas en mesure de payer. Ce pourcentage sera temporairement porté à 40 % pour les contrats conclus jusqu’au 31 décembre 2021 et pour toute la durée du contrat.

Attention, l’emprunteur doit également payer des intérêts sur le prêt win-win. Ils sont calculés en multipliant le solde du prêt win-win par le taux d’intérêt fixé dans l’acte. Ce taux d’intérêt n’est pas librement déterminable : d’une part, il ne peut être supérieur au taux d’intérêt légal[3] en vigueur à la date de conclusion du prêt win-win et, d’autre part, il ne peut être inférieur à la moitié de ce même taux d’intérêt. En outre, une retenue à la source de 21 % est déduite des intérêts payés par la société ou le travailleur indépendant.

Pour pouvoir bénéficier du prêt win-win, l’emprunteur et le prêteur doivent remplir un certain nombre de conditions :

L’emprunteur (article 3, §2 du décret du 19 mai 2006) :

  • Enregistré auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises ou auprès d’un organisme de sécurité sociale ;
  • Siège d’exploitation principal en Région flamande ;
  • S’il ne s’agit pas d’une personne physique : une société commerciale ou une société civile ayant la forme juridique d’une société commerciale.

À la date à laquelle il contracte un prêt Winwin, l’emprunteur doit être une petite ou moyenne entreprise (PME) ou un travailleur indépendant ayant un établissement en Région flamande.

Une PME est une entreprise

  • avec moins de 250 employés ;
  • dont le chiffre d’affaires annuel n’excède pas 50 millions d’euros ou dont le total du bilan n’excède pas 43 millions d’euros ;
  • qui répond au critère d’indépendance. Cela signifie que s’il y a une participation d’autres entreprises de 25 % ou plus du capital ou des droits de vote, elle doivent répondre aux critères ci-dessus.

Le prêteur (article 3 §3 du décret du 19 mai 2006) :

  • Personne physique qui emprunte en dehors du cadre de ses activités entrepreneuriales ou professionnelles ;
  • Pas un employé de l’emprunteur ;
  • Au moment où le prêt est contracté, n’est pas le conjoint ou le concubin de la personne indépendante de l’emprunteur ;
  • Si emprunteur – personne morale : ne pas être actionnaire de la personne juridique, ni être nommé ou agir en tant qu’administrateur, gérant ou détenteur d’un mandat similaire au sein de la personne morale de l’emprunteur. Ces règles s’appliquent également au conjoint ou au partenaire de cohabitation légale du créancier ;
  • Pas d’emprunteur avec un autre prêt win-win (article 3, §4 du décret du 19 mai 2006) ;
  • Résident de la Région flamande.

Comment cela se passe-t-il en pratique ? Le prêt Win-win est un prêt subordonné conclu entre un prêteur (particulier) et un emprunteur (entrepreneur/entreprise) et consigné dans un acte. La demande de prêt win-win doit êt
re effectué en ligne (https://www.pmvz.eu/winwinlening), après quoi l’acte et le tableau de remboursement doit être imprimé en en trois exemplaires.

Après signature par le prêteur et l’emprunteur et dans les trois mois suivant la conclusion du contrat, la copie de l’acte et le tableau de remboursement doivent être envoyés à PMV/Z par e-mail ou par courrier.

PMV/z-Waarborgen vérifie les conditions dans un délai d’un mois après réception et enregistre l’acte si les conditions sont remplies. Le prêteur est ensuite informé si le prêt est accepté ou non.

Les chiffres montrent clairement que le prêt win-win gagne en popularité même en période de corona : au cours du premier semestre 2020, 1.633 prêts d’une valeur de 36 millions d’euros ont été contractés, contre 1.344 prêts d’une valeur de 31,6 millions d’euros à la même période l’année dernière.

Les capitaux disponibles sont également suffisants : en Belgique, il n’y a pas moins de 280 milliards d’euros sur les comptes d’épargne.

Qu’en est-il de la Wallonie ?

Le prêt Win-Win wallon, appelé prêt coup de pouce,  est un prêt subordonné grâce auquel les indépendants et PME de la Région Wallonne peuvent emprunter de l’argent à des personnes physiques « étrangères » à l’entreprise. Dans le cadre de la relance post Covid, le Gouvernement wallon a approuvé le 9 juillet 2020 une réforme du prêt coup de pouce qui est entrée en vigueur.

Depuis le lancement du prêt coup de pouce en Wallonie en septembre 2016, celui-ci a connu un véritable succès. Au 30 juin 2019, on comptait 574 prêts enregistrés pour un montant de 10.744.234 euros, le prêt moyen s’élevant à 18.718 euros. Le prêt coup de pouce était prévu pour une durée limitée jusqu’au 31 décembre 2019 mais il a fait l’objet d’une prolongation jusqu’au 31 décembre 2021.

Le prêt coup de pouce permet à l’emprunteur de contracter des prêts jusqu’à 250.000 euros. Le montant maximum pouvant être prêté par un prêteur est de 100.000 euros.

Le prêt coup de pouce peut avoir une durée de 4,6,8 ou 10 ans.

Contrairement à la Flandre, auparavant le prêteur n’avait pas le choix, il était obligé de rembourser le prêt en une fois à l’échéance.  Deux possibilités d’offrent maintenant aux deux parties :

  • Soit de rembourser la totalité du capital en une seule fois à l’issue de la durée du crédit ;
  • Soit faire le choix d’un prêt amortissable présentant des remboursements trimestriels, semestriels ou annuels du capital sur la durée prévue.

Un remboursement anticipatif des fonds prêtés est possible

Le prêt coup de pouce a des avantages similaires au prêt win win. Par exemple, le prêt coup de pouce offre une réduction d’impôt annuelle équivalant à 4% du montant prêté durant les quatre premières années et de 2,5% par la suite. Ainsi, l’avantage annuel maximal est de 2.000 euros les quatre premières années et de 1.250 euros par la suite.

L’emprunteur doit également payer des intérêts sur le prêt coup de pouce. Ceux-ci sont calculés en multipliant le montant emprunté par le taux d’intérêt fixé dans l’acte. Ce taux d’intérêt n’est pas librement déterminable, tout comme le prêt win win, d’une part il ne peut être supérieur au taux d’intérêt légal en vigueur à la date de conclusion du prêt coup de pouce  et, d’autre part, il ne peut être inférieur à la moitié de ce même taux d’intérêt. Ce taux doit être de minimum 0,875% et maximum 1,75% (taux légal en vigueur en 2020).

Pour pouvoir bénéficier du prêt win-win, l’emprunteur et le prêteur doivent remplir un certain nombre de conditions :

À la date de la conclusion du prêt, l’emprunteur :

  • est inscrit à la Banque-Carrefour des Entreprises ou à un organisme de sécurité sociale des indépendants ;
  • a un siège d’exploitation en Région wallonne ;
  • n’exerce pas une activité ou n’a pas un objet consistant, à titre exclusif ou principal :
    • en la prestation de services financiers au services de tiers ;
    • à effectuer des placements de trésorerie ;
    • dans le placement collectif de capitaux ;
    • en la construction, l’acquisition, la gestion, l’aménagement, la vente, ou la location de biens immobiliers pour compte propre, ou la détention de participation dans des sociétés ayant un objet similaire,
    • en une société dans laquelle des biens immobiliers ou autres droits réels sur de tels biens sont placés, dont des personnes physiques qui exercent un mandat ou des fonctions visés à l’article 32, alinéa 1er, 1°, du Code des impôts sur les revenus, leur conjoint ou leurs enfants lorsque ces personnes ou leur conjoint ont la jouissance légale des revenus de ceux-ci, ont l’usage; et
  • ne fait pas l’objet d’une procédure collective d’insolvabilité et ne se trouve pas dans les conditions d’une procédure collective d’insolvabilité.

Afin de rendre le prêt coup de pouce plus attractif, la condition selon laquelle l’emprunteur doit être une jeune entreprise de moins de 5 ans a été supprimée.

En outre, si l’emprunteur est une personne morale, elle :

  • est, soit une société à forme commerciale, que son objet soit civil ou commercial, soit une association ou une fondation au sens de la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les associations internationales sans but lucratif et les fondations;
  • n’est pas une société qui a été constituée afin de conclure des contrats de gestion ou d’administration ou qui obtient la plupart de ses bénéfices de contrats de gestion ou d’administration;
  • n’est pas cotée en bourse;
  • n’est pas constituée à l’occasion d’une fusion ou d’une scission de sociétés; et
  • n’a pas encore opéré de diminution de capital ou de distribution de dividendes.

A la date de conclusion du prêt et durant la durée de celui-ci, le prêteur :

  • n’est pas un employé de l’emprunteur;
  • si l’emprunteur est un indépendant personne physique, le prêteur n’est pas le conjoint ou le cohabitant légal de l’emprunteur; et
  • si l’emprunteur est une personne morale, le prêteur, de même que son conjoint ou son cohabitant légal, n’est pas directement ou indirectement, associé ou actionnaire de cette personne morale, ni n’est nommé ou n’agit en tant qu’administrateur, gérant, délégué à la gestion journalière, ou en tant que détenteur d’un mandat similaire au sein de cette personne morale, ni n’exerce, en tant que représentant permanent d’une autre société, un mandat d’administrateur, de gérant, de liquidateur ou une fonction analogue;
  • n’est pas emprunteur d’un autre prêt remplissant les conditions fixées dans le présent décret et ses arrêtés d’exécution.

Le dispositif de prêt Win-win prévoit une garantie de remboursement de 30 % de la part de la Région Wallonne dans certains cas comme une faillite, une réorganisation judiciaire, une dissolution ou une liquidation forcée ou volontaire de l’emprunteur.

Le Gouvernement wallon a également prévu la possibilité d’obtenir un prêt subordonné de la SOWALFIN conjointement au prêt
coup de pouce de montant et de durée identique, avec un minimum de 50.000 € et un maximum de 250.000 € selon les conditions suivantes :

  • Le montant maximum du prêt subordonné sera plafonné au montant du/des prêt(s) « Coup de Pouce » obtenu(s) par la PME.
  • La durée du prêt subordonné sera identique à la durée de ce dernier avec une franchise de minimum 6 mois comprise dans la durée totale du prêt subordonné.
  • Le taux d’intérêt est fixé à 2,5% quelle que soit la durée du prêt subordonné.
  • Les remboursements s’effectuent de façon trimestrielle à l’issue de la période de franchise.

Le ministre de l’Economie cherche également à amplifier le système. Deux hypothèses sont envisagées :

  • La Sowalfin pourrait apporter un euro de prêt public à chaque euro privé emprunté par l’entreprise
  • Accoler la garantie de la Solwafin à chaque prêt coup de pouce

Qu’en est-il de Bruxelles ?

La crise sanitaire du coronavirus a permis de sortir des cartons l’équivalent bruxellois du prêt win-win et prêt coup de pouce. Il s’agit du prêt proxi.  Le 11 juin 2020 a été adopté par le gouvernement bruxellois un projet d’arrêté créant le prêt proxi. Les prêts proxi sont disponibles à Bruxelles depuis le 15 octobre 2020.

Le Prêt proxi doit également permettre aux particuliers de prêter de l’argent aux entrepreneurs bruxellois tout en bénéficiant d’avantages fiscaux sous la forme d’un crédit d’impôt et d’une garantie.

Ce prêt proxi est très similaire au prêt win win flamand et au prêt coup de pouce wallon. Celui-ci permet à l’emprunteur (indépendant ou dirigeant de PME ayant une activité économique en Région de Bruxelles-capitale) d’emprunter de l’argent à un taux réduit pendant une durée fixe de 5 ou 8 ans auprès d’un particulier, avec un plafond de maximum de 250.000 euros pour l’emprunteur.

Le taux d’intérêt est du même niveau que celui appliqué en Flandre et en Wallonie, à savoir entre minimum 0,875 % et maximum 1,75 %

Le prêteur peut prêter maximum 50.000 € par an avec un maximum de 200.000 €.  Le prêteur bénéficiera d’un crédit d’impôt de 4% du montant pendant trois ans et de 2,5 % les années suivantes. La région Bruxelloise limite le risque en garantissant 30% du montant si l’emprunteur fait défaut.

En cas de faillite et d’impossibilité pour l’emprunteur de rembourser, le prêteur pourra récupérer 30% du montant restant dû grâce à un crédit d’impôt unique. Le prêt est subordonné tant aux dettes existantes qu’aux dettes futures de l’entreprise.

Cependant, de manière temporaire, et afin d’aider les entreprises à affronter les conséquences de la crise sanitaire, durant les années 2020 et 2021, le montant maximum par an et par prêteur est augmenté à 75.000 euros tandis que le montant maximum par emprunteur est majoré à 300.000 euros.

Si vous avez des doutes quant à l’intérêt de souscrire un prêt win-win, un prêt coup de pouce ou un prêt proxi, dans votre cas particulier, ou si vous avez quelques questions supplémentaires à ce sujet, n’hésitez pas à consulter l’un de nos spécialistes.

 

Si vous souhaitez faire établir le contrat de prêt win-win, prêt coup de pouce ou le prêt proxi,  vous pouvez également nous contacter !

 

Rédaction : Studio-Legale

Traduction : Pauline Vanhorenbeke

 

[1] Décret du 19 mai 2006 sur le prêt win-win, M.B., 30 juin 2006 (deuxième édition) ; Arrêté du Gouvernement flamand du 20 juillet 2006 portant exécution du décret du 19 mai 2006 sur le prêt Win-win, M.B., 17 août 2006.

[2] Cela signifie qu’en cas de faillite, le prêt ne sera remboursé qu’après que tous les autres créanciers auront été remboursés.

[3] 2,50% depuis 1er janvier 2015

 

—————————————————-

 

Facilitating and extending the win-win loan in Flanders, Wallonia and Brussels

 

Since 1 September 2006, private individuals residing in the Flemish Region have been able to benefit from a reduction in personal income tax by lending money to companies that can use financial support. Due to the coronavirus, the possibilities of the win-win loan have been eased and broadened.

The corona crisis has made it difficult for many companies to continue to pay all their invoices. They need extra capital.

In order to support these companies, the existing win-win loan was extended (from October 2020).

Since 1 September 2006, private individuals residing in the Flemish Region have been able to benefit from a reduction in personal income tax by lending money to companies. This creates a win-win situation on the one hand for the natural person and on the other hand for the company or self-employed person.

In order to make the win-win loan even more attractive, the legislator already made a number of adjustments in 2011. For example, the condition that the borrower must be a start-up company was removed.

The win-win loan is a success. Since 2006, almost half a billion euros of capital has already been mobilised via the win-win loan.

What does this win-win loan mean in concrete terms? The win-win loan is a subordinated loan granted by a natural person to a company with the aim of increasing the company’s financial strength and rewarding the lender with a tax advantage.

Through the win-win loan, the borrower could take out loans of up to €200,000. This is now increased to as much as € 300,000.00.

The maximum amount that could be lent out by the lender will also be adjusted. Previously this amount was € 50 000.00, now it is a maximum of € 75 000.00. If this is not enough for the borrower, he will have to call on several friends or relatives.

The win-win loan had a fixed term of eight years. As a result of the adjustments, the term of the loan may vary between five and ten years. In addition, it will be possible to extend the term of loans maturing in 2020 by a maximum of two years.

Nowadays this loan can be paid off via a repayment table or in one go after eight years. In addition, it can be stipulated that the borrower can repay the win-win loan early by a one-off payment of the outstanding balance in principal together with interest. In addition, the lender may demand early repayment of the loan in the event, for example, of bankruptcy or cessation of business.

Small shareholders owning a maximum of 5% of the shares are also allowed to grant a win-win loan.

The win-win loan certainly has its advantages. For example, the win-win loan provides the lender with an annual tax reduction equal to 2.5% on the outstanding capital. In addition, the lender can benefit from a one-off tax reduction of 30% on the amount not repaid if the borrower is unable to repay the remaining amount. This will be temporarily increased to 40% for agreements concluded until 31 December 2021 and for the whole term of the agreement.

Attention: the borrower will also have to pay interest on the win-win loan. These are calculated by multiplying the balance of the win-win loa
n by the interest rate laid down in the deed. This rate is not freely determinable: on the one hand, it may not exceed the legal rate in force on the date on which the participating loan is concluded and, on the other hand, it may not be less than half the same rate. In addition, 21% withholding tax is deducted from the interest paid by the enterprise or self-employed person.

In order to benefit from the win-win loan, the borrower and the lender must meet a number of conditions.

The borrower (Article 3 §2 Decree 19 May 2006):

  • Registered with the Crossroads Bank for Enterprises or with a social security organisation;
  • Main place of business in the Flemish Region;
  • If it is not a natural person: a commercial company or a civil company with the legal form of a commercial company.

The lender (Article 3, §3 Decree 19 May 2006):

  • Natural person who lends money outside the context of his commercial or professional activities;
  • Not an employee of the borrower;
  • Not the spouse or legally cohabiting partner of the borrower-independent person at the time the loan is contracted;
  • If the borrower is a legal entity: Not a shareholder of the legal entity, nor appointed or acting as a director, manager or in a similar capacity within that legal entity. These rules also apply to the spouse or legal cohabitant of the creditor;
  • No borrower in another other win-win loan (Article 3, §4 Decree 19 May 2006);
  • Resident of the Flemish Region.

The popularity of the win-win loan in the current Corona crisis is clear: in the first half of 2020, 1,633 loans worth 36 million euros were taken out, compared to 1,344 loans for a total of 31.6 million euros in the same period last year.

Sufficient capital is also available: in Belgium there are no less than 280 billion euros in savings accounts.

What about Wallonia?

The Walloon win-win loan, known as the “prêt coup de pouce” or “kick-start loan”, is a subordinated loan that allows the self-employed and SMEs in the Walloon Region to borrow money from natural persons outside the company.

Since its launch in Wallonia in September 2016, the kick-start loan has been a real success. On 30 June 2019, 574 loans amounting to €10,744,234.00 were registered with an average loan of €18,718.00. The kick-start loan was intended for a limited period until 31 December 2019, but was extended until 31 December 2021.

The kick-start loan enables the borrower to take out loans of up to € 100,000. The maximum amount that can be lent by a lender is € 50,000.00.

The kick-start loan can have a term of 4, 6 or 8 years.

Unlike in Flanders, the lender has no choice but to repay the loan in one go on the due date. There is no possibility of full or partial early payment.

The kick-start loan has the same advantages as the win-win loan. For example, the kick-start loan offers an annual tax reduction of 4% on the loan amount for the first four years and a reduction of 2.5% thereafter. The maximum annual benefit is therefore € 2,000.00 for the first four years and € 1,250.00 afterwards.

The borrower also has to pay interest. This is calculated by multiplying the amount borrowed by the interest rate laid down in the deed. As with the win-win loan, this interest is not freely determinable. On the one hand, it may not exceed the legal interest rate in force on the date the loan is concluded and, on the other hand, it may not be less than half of the same interest rate. This rate must be a minimum of 0.875% and a maximum of 1.75% (legal rate in 2020).

In order to be eligible for the kick-start loan, the borrower and the lender must meet a number of conditions.

On the date the loan is taken out, the borrower is:

  • registered with the Crossroads Bank for Enterprises or with a social security organisation for the self-employed;
  • established in the Walloon Region;
  • not engaged in an activity or does not have an object consisting exclusively or mainly of :
    • the provision of financial services to third parties;
    • making financial investments;
    • the collective investment of capital;
    • the construction, acquisition, management, development, sale or lease of real estate for one’s own account, or the holding of interests in companies with a similar purpose;
    • a company in which immovable property or other rights in rem on such property are invested, including natural persons exercising a mandate or functions as referred to in Article 32, first paragraph, 1° of the Income Tax Code, their spouse or children, when these persons or their spouse or children have the legal enjoyment of the income of these persons or the use thereof; and
  • not subject to collective insolvency proceedings and is not subject to the conditions for collective insolvency proceedings.

In order to make the kick-start loan more attractive, the condition that the borrower must be a young company under 5 years of age has been abolished.

In addition, if the borrower is a legal person, it is :

  • either a company with a commercial form, irrespective of whether it has a civil or commercial purpose, or an association or foundation within the meaning of the law of 27 June 1921 on non-profit associations, international non-profit associations and foundations;
  • not an undertaking set up to conclude management or administration contracts or which derives the majority of its profits from management or administration contracts;
  • not listed on a stock exchange;
  • not formed in connection with a merger or division of undertakings; and
  • the borrower has not yet made any capital reduction or dividend payment.

At the date of the loan and during the term of the loan, the lender :

  • not an employee of the borrower;
  • if the borrower is a self-employed natural person: not the spouse or legal cohabitant of the borrower; and
  • if the borrower is a legal entity: the lender as well as his spouse or legally cohabiting partner is neither a shareholder of that legal entity, nor appointed or acting as director, manager, delegated to the daily management, or as holder of a similar mandate within that legal entity, nor does he, as permanent representative of another company, exercise a mandate as director, manager, liquidator or similar function;
  • no borrower of another loan that meets the conditions of this decree and its implementing decrees.

Within the framework of the post-Covid recovery, the Walloon Minister of Economy, Willy Borsus, is also working on a reform of the kick-start loan.

The first amendment envisaged by the Minister for Economic Affairs concerns the current ceilings for the amounts lent and borrowed. It provides for the possibility of borrowing up to € 250,000 compared to the current € 100,000. This increase in the ceiling would be accompanied by a revision of the lender’s tax credit by 4% in the first two years (compared with the current four years) and 2.5% in subsequent years. The reform could also enable the borrower to repay the loan in instalments, a possibility which does not currently exist.

The Minister of Economic Affairs is also trying to extend the system. Two hypotheses are being considered:

  • Sowalfin could provide one euro of public loans for every private euro lent by the company;
  • linking the Solwafin guarantee to each loan.

  What about Brussels ?

The corona crisis has made possible the Brussels equivalent of the win-win loan and the “prêt coup de pouce” (“kick-start loan”). This is the proxi loan. On 11 June 2020, the Brussels Government approved a draft decree establishing the proxi-loan.

The proxi-loan should also enable individuals to lend money to Brussels entrepreneurs while benefiting from tax advantages in the form of a tax credit and a guarantee.

This proxi loan is very similar to the Flemi
sh win-win loan and the Walloon kick-start loan. The proxi loan allows the borrower, self-employed or manager of an SME with an economic activity in the Brussels-Capital Region, to borrow money for a fixed period of 5 or 8 years at a reduced rate from a private individual with a maximum of €250,000 for the borrower.

The interest rate has yet to be fixed by decree.

The lender may lend up to €50,000.00 per year with a maximum of €200,000.00. The lender receives a tax credit of 4% of the amount for three years and 2.5% for subsequent years. The Brussels-Capital Region limits the risk by guaranteeing 30% of the amount if the borrower defaults.

However, on a temporary basis, and in order to help businesses cope with the consequences of the health crisis, in the years 2020 and 2021 the maximum amount per year and per lender will be increased to €75,000.00, while the maximum amount per borrower will be increased to €300,000.00.

If you have doubts as to whether it is advantageous in your specific case to take out a win-win loan, or if you still have some questions about this, be sure to consult one of our specialists.

 If you would like to have the win-win loan agreement drawn up, you can also contact us!

 

Thuiswerken is verplicht, vergeet het verplicht attest voor wie toch op
kantoor werkt niet!

Vanaf vandaag 2 november 2020 is het opnieuw verplicht om van thuis uit te werken (telewerken), tenzij het niet anders kan en uw werkgever over een attest beschikt.

Het nieuwe Ministerieel Besluit1 dat vandaag 2 november 2020 in werking treedt, brengt een nieuwigheid met zich mee: indien u niet van thuis uit kan werken, dient u een attest te krijgen van uw werkgever.

Artikel 2, §1. van het Ministerieel Besluit bepaalt dat “telewerken verplicht is bij alle ondernemingen, verenigingen en diensten voor alle personeelsleden, tenzij dit onmogelijk is omwille van de aard, van de functie of de continuïteit van de bedrijfsvoering, de activiteiten of de dienstverlening”.

Verder bepaalt artikel 2 §1. dat als u toch op kantoor werkt u “een attest of elk ander bewijsstuk dat de noodzaak van uw aanwezigheid op de werkplaats bevestigt”, moet vragen aan uw werkgever.

Het lijkt ons aangewezen dat een summiere doch duidelijke motivatie op het attest wordt weergeven. Zonder enig onderscheid een standaard attest voor al uw werknemers uitschrijven, is uit den boze. U zal de noodzakelijke werknemers moeten selecteren en motiveren waarom zij niet kunnen thuiswerken.

Hoewel er geen verbod is op niet-essentiële verplaatsingen, is het thans verplicht een attest voor te kunnen leggen aan de inspectiediensten indien men toch op kantoor werkt.

Dit is in tegenstelling tot de maatregelen die golden bij de vorige lockdown in maart. Toen was het verboden niet-essentiële verplaatsingen te maken, maar was er geen verplichting van een attest indien u op kantoor ging werken.

Er zullen controles volgen en de inspectiediensten zullen aan de werknemers die op kantoor werken, vragen naar dit attest. Indien u hier niet over beschikt, kunnen de inspecteurs een sanctie opleggen.

Besluit:

Let dus op het verplicht attest of document waarin wordt uitgelegd waarom het niet mogelijk is dat (door uw werknemers) van thuis uit wordt gewerkt.

Bij vragen over dit attest of wenst u een modelattest, aarzel niet ons te contacteren op joost.peeters@studio-legale.be.

Auteurs: Joost Peeters en Roxanne Sleeckx

1 Ministerieel besluit houdende wijziging van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, BS 01.11.2011.

 
———————————————————————
 

Le travail à domicile est obligatoire, n’oubliez pas le certificat obligatoire
pour ceux qui travaillent au bureau !

À partir d’aujourd’hui 2 novembre 2020, il est à nouveau obligatoire de travailler à domicile (télétravail), sauf si vous ne pouvez pas faire autrement et que votre employeur dispose d’une attestation.

Le nouveau arrêté ministériel1 qui entre en vigueur aujourd’hui 2 novembre 2020 apporte une nouveauté : si vous ne pouvez pas travailler à domicile, vous devez obtenir une attestation de votre employeur.

L’article 2, §1. de l’arrêté ministériel stipule que “le télétravail est obligatoire dans toutes les entreprises, associations et services pour tous les membres du personnel, sauf si cela est impossible en raison de la nature, de la fonction ou de la continuité de l’entreprise, des activités ou des services”.

En outre, l’article 2, §1. stipule que si vous travaillez au bureau, vous devez demander à votre employeur “une attestation ou tout autre justificatif confirmant la nécessité de votre présence sur le lieu de travail”.

Il nous semble approprié qu’une motivation brève mais claire soit donnée sur l’attestation. Il n’est pas question de rédiger une attestation standard pour tous vos employés sans aucune distinction. Vous devrez sélectionner les employés nécessaires et motiver les raisons pour lesquelles ils ne peuvent pas travailler à domicile.

Bien qu’il n’y ait pas d’interdiction des mouvements non essentiels, il est actuellement obligatoire de pouvoir présenter une attestation aux services d’inspection si vous travaillez encore au bureau.

Cela contraste avec les mesures qui s’appliquaient lors du précédent lock-down en mars. À l’époque, il était interdit de faire des mouvements non essentiels, mais il n’y avait pas d’obligation de certificat si vous alliez travailler au bureau.

Des contrôles suivront et les services d’inspection demanderont cette attestation aux employés qui travaillent au bureau. Si vous ne l’avez pas, les inspecteurs peuvent imposer une sanction.

Conclusion :

Faites attention à l’attestation ou au document obligatoire expliquant pourquoi il

n’est pas possible de travailler à domicile (par vos employés).

Si vous avez des questions concernant ce certificat ou si vous souhaitez obtenir un modèle de certificat, n’hésitez pas à nous contacter à l’adressejoost.peeters@studio-legale.be.

Auteurs : Joost Peeters et Roxanne Sleeckx

1 Arrêté ministériel du 1 novembre 2020 modifiant l’arrêté ministériel du 28 octobre 2020 portant des mesures d’urgence pour limiter la propagation du coronavirus COVID-19, M.B., 01.11.2011

———————————————————————

Working from home is mandatory, don’t forget the mandatory
certificate/attestation for those who do work at the office!

From today, 2nd of November 2020, it will be compulsory again to work from home (teleworking), unless you cannot do otherwise and your employer has a certificate.

The new Ministerial Decree1 that enters into force today 2nd of November 2020 brings a new obligation: if you cannot work from home, you must obtain a certificate from your employer.

Article 2, §1. of the Ministerial Decree stipulates that “teleworking is compulsory in all companies, associations and services for all staff members, unless this is impossible due to the nature, function or continuity of the business, activities or services”.

Furthermore, a
rticle 2 §1. stipulates that if you do work in the office, you must ask your employer for “a certificate or any other proof confirming the necessity of your presence in the workplace”.

It seems appropriate to us that a brief but clear motivation should be stated on the attestation. Writing out a standard attestation for all your employees is out of the question. You will have to select the necessary employees and motivate why they cannot work from home.

Although there is no ban on non-essential movements, it is now mandatory to be able to submit an attestation to the inspection services if one does work in the office.

This is in contrast to the measures in place at the previous lockdown in March. At that time it was forbidden to make non-essential movements, but there was no obligation for a certificate if you went to work in the office.

Checks will be carried out and the inspection services will ask employees working in offices for this attestation. If you do not possess it, the inspectors may impose a sanction.

Conclusion:

Be aware it is now compulsory to have an attestation or document explaining why it is not possible to work from home (by your employees).

If you have any questions about this certificate or if you would like a model certificate, do not hesitate to contact us at joost.peeters@studio-legale.be.

Authors: Joost Peeters en Roxanne Sleeckx

1 Ministerieel besluit houdende wijziging van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, BS 01.11.2011.

 

The Belgian Confession Tapes : de zaak waar men een onschuldige toch een moord liet bekennen.

Over de absolute noodzaak van bijstand van een advocaat bij het politieverhoor.

door Mtrs. Christian Clement, Koen De Backer & Jan Beldé

Op 19 oktober 2020 jl. velde de correctionele rechtbank van Dendermonde een nu al memorabel vonnis waar feitelijk niet genoeg over gezegd en geschreven kan worden. Onze cliënt CVH werd immers vrijgesproken van moord, hoewel hij in 2011 zijn betrokkenheid (meermaals) had bekend aan de politie.

Deze bekentenissen werden echter afgelegd in – zacht uitgedrukt – dubieuze omstandigheden. Maar vooral : ze werden afgelegd door een kwetsbare verdachte zonder de bijstand van een advocaat, zodat deze cliënt niet bestand bleek tegen de ongeoorloofde druk die de verhoorders op hem hadden uitgeoefend.

Het vonnis

De rechters waren daarom van oordeel dat alle verhoren van CVH moesten geweerd worden uit het dossier, waarbij in hun omstandig en goed gemotiveerd vonnis van 52 pagina’s onder meer het volgende te lezen staat :

“… De verbalisanten hebben met deze kwetsbaarheid onvoldoende rekening gehouden tijdens hun verhoren, hoewel ze reeds van dag 1 op de hoogte waren van de mentale beperkingen van CVH. … Meer nog : beklaagde voert aan bij de behandeling van de zaak voor de bodemrechter dat de politie een enorme druk op hem heeft gelegd. Deze bewering wordt ook aannemelijk gemaakt door de gegevens van het dossier. … Uit al deze elementen blijkt dat de verbalisanten een ongeoorloofde druk hebben uitgeoefend op de bijzonder kwetsbare beklaagde CVH. … CVH vertelde nadien in zijn verhoren mogelijk in essentie dat wat de speurders van hem wilden horen. Hiervoor putte hij wellicht uit de details die hij als inwoner van Temse kende ‘van het openbaar gerucht’, de gegevens die hij in de cel van O. had vernomen, aangevuld met details die hij – in antwoord op de vragen van de onderzoekers- bij elkaar heeft gegokt, om zo de onderzoekers ter wille te zijn. … Het is duidelijk dat om al de bovenstaande redenen de verhoren van CVH afgelegd op 20.10.2011, 23.10.2011, 24.10.2011, 26.10.2011 (plaatsaanduiding), 14.11.2011 en 16.11.2011 uit de debatten dienen geweerd te worden. Het gebruik van een deel of het geheel van deze verhoren zou strijdig zijn met het recht op een eerlijk proces. Het feit dat het hier gaat om het misdrijf moord, sommige verhoren audiovisueel werden geregistreerd, beklaagde CVH slechts laat in de procedure zijn verklaring terug intrekt en het onderzoek werd geleid door een onafhankelijke onderzoeksrechter en beoordeeld wordt door professionele rechters, doet aan de bovenstaande beoordeling geen afbreuk. …”

Wij raden die kritische lezers die nu iets denken in de trant van ‘Iemand die een misdaad bekent, zal die dan toch wel gepleegd hebben en moet veroordeeld worden’ of ‘alweer zo’n procedurepleiters die schuldigen laten lopen’ aan om door te bijten en het ganse hierna volgende relaas  te lezen, alvorens hun mening te vormen…

De theorie

Sinds het zgn. ‘Salduz-arrest’ van 20 november 2008 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft elke verdachte in een strafonderzoek het recht om bij zijn verhoor te worden bijgestaan door een advocaat. De aanleiding van dit arrest was de veroordeling in Turkije van de toen 17-jarige Yusuf Salduz, die had bekend dat hij had deelgenomen aan een illegale betoging van de PKK. Achteraf bleek echter dat Yusuf Salduz tijdens het politieverhoor onder druk was gezet en geslagen, waardoor hij een valse bekentenis had afgelegd. Sindsdien vereist het EHRM dat bij elk verhoor een advocaat aanwezig kan zijn, om na te gaan of zijn mensenrechten en rechten van verdediging wel worden gerespecteerd.

In België werden deze ‘Salduzrechten’ uiteindelijk pas omgezet in de wet van 13 augustus 2011, die werd gepubliceerd in het Belgische Staatsblad van 5 september 2011. In deze publicatie stond te lezen dat de Salduzrechten in ons koninkrijkje pas zouden ingaan vanaf 1 januari 2012.

Deze data zijn in het verhaal van onze cliënt CVH erg belangrijk. Immers vonden zijn verhoren allen plaats tussen 5 september 2011 en 1 januari 2012. Op het moment van zijn verhoren wisten de verhoorders dus donders goed wat er zat aan te komen, maar deze speurders beslisten om van deze laatste maanden gebruik te maken om een langslepend moordonderzoek nog snel af te ronden ‘op de goede ouderwetse wijze’…

De achtergrond

De zaak betreft een onopgeloste moord van juni 2009. Na 2 jaar onderzoeken hadden de speurders nog steeds geen doorbraak kunnen forceren. In oktober 2011 stapt de vader van CVH het politiekantoor van Temse voor de zoveelste keer binnen, omdat zijn zoon wordt geterroriseerd door meerdere personen uit de wijk. En voor de zoveelste keer wordt hij wandelen gestuurd. In alle emotie roept hij in het buitengaan: “Moet mijn zoon dan eindigen als die Turk?”. In Temse was immers net een flyer rondgedeeld om tips te krijgen over deze onopgeloste moord, waardoor de zaak opnieuw over de tongen ging. Voor het eerst kreeg vader VH plots wél de aandacht van de politie, waarvoor hij al zo lang smeekte. Deze kreet om hulp ontketende echter een nachtmerrie, die ruim 9 jaar lang zal duren.

Kort daarna werd zijn zoon CVH, onze cliënt, opgepakt. Het was algemeen geweten dat CVH zwakbegaafd was en gold als speelbal voor de delinquenten uit de buurt. Zij namen zijn geld en gsm af, ze ‘leenden’ zijn auto en lachten hem uit. Ook de politie wist maar al te goed dat CVH een gemakkelijk doelwit was. Zijn zogenaamde betrokkenheid bij de moord werd onder meer afgeleid uit het feit dat zijn gsm op het (vermoedelijke) moment van de moord onder die zendmast werd gecapteerd. Dit was ook de zendmast waar hij woonde, maar dat lieten de speurders er gemakshalve uit. In Temse staan 2 zendmasten, dus iedereen die daar woont was aldus een potentiële verdachte…

CVH werd op 20 oktober 2011 in een cel gestoken, naast een andere zogenaamde verdachte O. die net voordien reeds door de politie werd verhoord. Hun gesprek in de cel werd afgeluisterd. Op deze opname is te horen hoe de andere verdachte vertelt over een moord op een Turk en wie volgens de politie deze had gepleegd. Evenzeer is te horen hoe CVH geen idee heeft over wie het gaat en waarom hij daar zit.

De verhoren

Vervolgens wordt CVH net geen 10 uur aan een stuk verhoord door de politie. Dit van 20u ’s avonds tot 6u ’s morgens. Hij krijgt daarbij geen bijstand van een advocaat en mocht er ook geen spreken voordien. Het verhoor werd volledig gefilmd, wat (als je advocaten hebt die de moeite doen deze urenlange beelden te bekijken en te analyseren) achteraf zijn redding zou blijken. Uit de beelden blijkt dat hij op het einde van het verhoor zelfs in slaap valt. Na uren op hem in te praten, blijft hij aanvankelijk ontkennen. Door een zogenaamd technisch probleem ontbreekt er vervolgens 15 minuten opname, waarna CVH plots overgaat tot bekentenissen…

Als daders van de moord duidt hij de personen aan die net voor het verhoor aan hem werden meegedeeld door de vorige verdachte. Hijzelf zou enkel gezien hebben hoe het lijk werd gedumpt.

In de dagen nadien zal CVH nogmaals 7u45 en 11u aan een stuk worden verhoord. Telkens tot na middernacht. Hij zal daarbij steeds verder
gaande bekentenissen afleggen, doch ook vele zaken verklaren die helemaal niet kunnen kloppen. In deze langdurige verhoren, zou CVH ook bekennen dat hij betrokken was bij de moord.

Belangrijk detail daarbij is dat hij zaken verklaart die de ronde deden in Temse, zoals dat het slachtoffer zijn geslachtsdeel werd afgesneden en in de mond werd gestoken. Dat dit helemaal niet klopte, zou in feite alarmbellen moeten hebben doen afgaan bij de speurders. Maar deze deden vooral hun best om enkel nog op zoek te gaan naar die elementen die de verklaringen zouden kunnen onderbouwen. Elementen die de verklaringen tegenspraken werden kundig onder de mat geveegd.…

Als advocaten van CVH hadden wij ondertussen al wel door dat hij niets met de feiten te maken had, maar dat hij de druk van de speurders in de verhoren niet kon weerstaan. Wij verzochten aan de onderzoeksrechter om bij elk verhoor aanwezig te kunnen zijn, maar die weigerde dat toe te staan. CVH had vervolgens van ons een papier gekregen waarop stond te lezen dat hij niet wenste verhoord te worden zonder advocaat, wat hij bij zich had toen de politie hem uit de gevangenis kwam halen om hem te verhoren. Op de beelden is te zien hoe de betrokken speurder hem belachelijk maakt met dit papier en hem vertelt dat zijn advocaten hem proberen manipuleren en hem niet goed helpen. Deze speurder maakt hem ook wijs dat ze al bewijs genoeg hebben wat er is gebeurd en zijn verklaring zelfs niet nodig zouden hebben…

De verhoorders waren zich uiteraard er van bewust dat ze werden gefilmd, maar leken dit soms even uit het oog te verliezen. De ‘bekentenis’ waarin alle zogenaamde details en daderkennis werd verkregen, werd ‘helaas’ niet opgenomen. Enkel met tussenkomst van de Kamer van Inbeschuldigingstelling van Gent kregen wij als advocaten de camera terug in het verhoor en dit met duidelijke en waarneembare tegenzin van de verhoorders. De oplossing? Plaspauzes inlassen en het gesprek verder zetten op de gang… Achteraf bleek gelukkig dat de micro voldoende sterk was om de ganggesprekken toch deels op te vangen, waarbij te horen was hoe CVH meermaals aangaf dat hij niets met de feiten te maken had. De verhoorders werden daarop boos, zeiden dat de jury hem zou uitlachen en dat zijn verklaringen het verschil gingen maken tussen 5, 8 of 30 jaar.

Wie bekent er nu een moord ? (Komaan, zeg !)

Het valt moeilijk te vatten voor de meeste mensen dat iemand iets zou bekennen dat hij helemaal niet heeft gedaan, en al zeker geen moord. Zelfs niet onder druk van de politie. Wetenschappelijk onderzoek heeft echter al meermaals het tegendeel bewezen. Er zijn ook andere redenen waarom iemand iets bekent dat hij niet heeft gedaan, zoals de schuld op zich willen nemen of de druk van de politie niet kunnen weerstaan. Een valse bekentenis komt tot stand door een combinatie van factoren, waaronder een verdachte die vatbaar of meegaand is en een verhoorder die druk uitoefent en suggestief is. Maar ook de omstandigheden van het verhoor kunnen hier aan bijdragen. Zo verhoogt het risico op valse bekentenissen bij erg langdurige en/of nachtelijke verhoren. Er wordt een situatie gecreëerd waarbij de verhoorde het gevoel krijgt dat het verhoor enkel zal eindigen, als hij bekent. Door de vermoeidheid kan hij de consequenties van zijn bekentenis ook minder overzien. Gevolg is dat hij kiest voor de schijnbaar gemakkelijkste weg, simpelweg omdat hij er vanaf wil zijn.

Een ander terugkomend element is het systeem van belonen en bestraffen, al naar gelang de verklaring. Wanneer de verdachte iets verklaart dat niet naar de zin is van de verhoorders, gaan ze hun stem verheffen, dreigen en de vraag steeds blijven herhalen tot het antwoord wel naar hun zin is. Wanneer de verdachte iets verklaart dat de speurders wel willen horen, zullen ze vriendelijker worden, hem complimenteren en zelfs gunsten toestaan.

Een laatste belangrijke factor die kan bijdragen, is de verdachte tijdens zijn verhoor confronteren met foutief weergegeven onderzoeksresultaten. Bijvoorbeeld door te stellen dat de verdachte door andere werd vernoemd als dader of door te zeggen dat er al bewijzen zijn dat de schuld van de verdachte vaststaat. Er kan zelfs een sfeer gecreëerd worden waarbij de vals-bekennende verdachte oprecht er van overtuigd geraakt dat hij de dader wel moet zijn.

Toets gerust uw nieuwsgierigheid en/of terughoudendheid terzake verder af op de docu-series “ When They See Us” (over de Central Park Five), “Making a Murderer” en “The Confession Tapes”, allen bekijkbaar op Netflix.

De deskundigen

Om al deze risico’s te onderzoeken, schakelde wij als advocaten van CVH 2 prominente deskundigen in : enerzijds een professor gespecialiseerd in politieverhoren en anderzijds een professor die met gezag kan spreken over kwetsbare verdachten. Zij kregen als opdracht om na te gaan of CVH een kwetsbare verdachte was en of de politieverhoren wel door de beugel konden. Specifiek moesten zij ook inschatten of er aanwijzingen waren voor valse bekentenissen.

Hun oordeel was duidelijk en vernietigend voor de verhoorders. Zij waren geschokt met wat zij moesten vaststellen op de videobeelden en namen daarbij geen blad voor de mond. De eigen gedragsdeskundigen van de politie, die aanvankelijk geen problemen zagen in de verhoren, moesten op de zitting toch hun mening herzien. Tijdens de behandeling ten gronde sloten zij zich toch aan bij onze deskundigen, door te stellen dat de verhoren niet werden afgenomen zoals dat zou moeten.

Het proces

Op de uiteindelijke zitting van de correctionele rechtbank, kregen de rechters drie grote hoofdvragen voorgeschoteld. Moesten de verhoren zonder bijstand van een advocaat in het dossier blijven ? Werd er ongeoorloofde druk uitgeoefend op CVH ? Zijn CVH en de door hem aangewezen medebeklaagden betrokken bij de moord ?

Het openbaar ministerie (OM) was daarbij alvast van mening dat er moest en zou veroordeeld worden. Aan de ene kant vonden de procureurs (want ze waren zelfs met 2 voor deze zaak) dat de politie inderdaad niet heel erg netjes had verhoord, maar aan de andere kant ging het om moord en had de familie recht op een veroordeling. Er werd vastgehouden aan erg vage elementen om de moord te bewijzen, waarbij alle bewijzen van het tegendeel grofweg werden genegeerd. En dat waren er nochtans erg veel…

De verhorende speurder in kwestie kwam met veel moeite op de zitting uiteindelijk getuigen. Hij vond dat er niks aan de hand was en dat CVH met zekerheid een dader was. Hij ontkende formeel dat er een gesprek op de gang had plaatsgevonden, zelfs nadat hem duidelijk werd gemaakt dat dit gesprek werd opgenomen. Het Comité P onderzocht en bleef stil. Het OM seponeerde. De zogenaamde ‘topflik’ deed na zijn getuigenis net geen high-five met de hem ondersteunde collega’s op de publieksbanken achterin de rechtszaal…

Gelukkig waren de rechters van een andere kwaliteit en wél erg kritisch. Deze rechters kwamen na de lange en grondige debatten tot de hierboven geciteerde conclusies dat de verhoren moesten geweerd worden uit het dossier, wegens het gebrek aan bijstand van een advocaat. Zij kwamen tot deze conclusie door een afweging te maken van de kwetsbaarheid van de verhoorde, de omstandigheden van de verhoren en de betrouwbaarheid ervan.

Dat CVH een kwetsbare verdachte was, stond buiten alle kijf. Zelfs de leidinggevende onderzoeker gaf in zijn getuigenverhoor toe dat de politie dit wist. CVH had een IQ van 66, kan met moeite lezen en schrijven en had de mentale leeftijd van een kind van 10 jaar. Hij was kortw
eg zwakzinnig en dit was duidelijk en onmiddellijk waarneembaar in de verhoren, waarbij hij de helft van de woorden zelfs niet begreep. CVH begreep zichtbaar niet wat zijn rechten waren en had nood aan iemand die hem kon helpen met zijn rechten na te laten leven, namelijk een advocaat.

Daarnaast waren de rechters bijzonder hard voor de verhoorder. Zij merkte op dat CVH meermaals tussen de 7 en 11 uren aan een stuk nachtelijk werd verhoord, dat hij daarbij overduidelijk oververmoeid was, dat de politie hem onder druk zette en op hem inpraatte op de gang. Ook werd vastgesteld dat CVH werd verteld dat als hij niet bekende dat hij zijn telefoon zou gebruikt hebben bij de feiten, dat ze zijn zus zouden oppakken. Tot slot waren er de beloningen met pizza of frietjes na medewerking volgens hun scenario of na een bekentenis.

Wij als verdediging vonden het ontzeggen van een advocaat bij de verhoren zo flagrant, dat ze in feite meteen moesten geweerd worden. Dit zoals het EHRM bij haar eerste rechtspraak ook had vooropgesteld. Na wat commotie over deze automatisch wering, had het EHRM haar rechtspraak bijgesteld met het zogenaamde Ibrahimi-arrest. Daarbij werden enkele argumenten aangehaald, die het eventuele ontbreken van een advocaat konden goedmaken. De rechtbank oordeelde dat deze argumenten toch moesten overlopen worden, wat wij als verdediging uiteraard ook gedaan hadden in onze conclusies en pleidooien. De verhoren faalden op zowat elk argument, waardoor de rechtbank terecht de verwijdering van de verhoren uitsprak. Daarbij gaf de rechtbank ook aan dat de verhoren uiterst onbetrouwbaar waren en dat de verhoorders ongeoorloofde druk hadden uitgeoefend.

Reeds bij de eerste zitting had de procureur aangegeven dat de verklaringen van CVH cruciaal waren in dit dossier. Daarbij bedoelde zij eigenlijk, dat er zonder de verklaringen geen enkel bewijs was. Immers was er wel DNA gevonden, maar stemde die niet overeen met de verdachten. Geen enkel van de teruggevonden sporen konden aan de verdachten worden gelinkt, er was geen duidelijk motief en de telefoniegegevens waren bij nader inzien toch niet erg belastend.

Na wering van de bekentenissen, hebben de rechters dus nagegaan of er andere objectieve elementen waren CVH of één van de andere beklaagden aan de feiten konden linken. Die waren er niet. Terecht werd CVH en de anderen vrijgesproken. Na een nachtmerrie van 9 jaar .

De eerste nabeschouwingen

De wrange nasmaak blijft toch. De verhoorder in kwestie werd tot op heden door het OM niet publiekelijk ter verantwoording geroepen en datzelfde OM heeft wél getracht om enkele onschuldige mensen voor een moord te laten opdraaien. Dit terwijl het eigenlijk duidelijk was dat ook zij niet in het verhaal geloofden, maar hun eer en geweten uitschakelden om geen gezichtsverlies te lijden. Door deze houding kan er oprecht en openlijk een vraag gesteld worden over de rechten van verdediging in ons land en de loyaliteit van zij die ons zouden moeten beschermen. Dat de onschuldigen in dit verhaal moeten gecompenseerd worden voor dit drama lijkt evident, maar het is gelet de voorgaanden maar zeer de vraag of onze rechtshandhavers deze keer wel moedig genoeg zullen zijn om daar zelf de nodige stappen toe te nemen.

Wij hopen dat de kritische lezer heeft volgehouden tot het einde van het verhaal. Indien dit er voor gezorgd heeft dat zij of hij heeft ingezien dat het recht op verdediging en de bijstand van een advocaat essentiële waarden zijn, is de missie geslaagd. Er zijn wereldwijd ondertussen al erg veel gevallen bekend van gerechtelijke dwalingen na valse bekentenissen. Benevens de reeds aangehaalde ‘Central Park Five’ mag u gerust ook eens ‘de Schiedammer Parkmoord’, ‘de Arnhemse villamoord’, ‘Ina Post’ en ‘de Puttense moorden’ googelen. Als de speurder die u verhoort ervan overtuigd is dat je schuldig bent, daar alles aan wil doen om dit te bewijzen, is iedereen in staat tot een valse bekentenis.

De advocaat is een essentiële partij in het verhoorlokaal. U heeft altijd recht op bijstand en laat u nooit verleiden om hier zomaar afstand van te doen.

Christian Clement, Koen De Backer & Jan Beldé.

 

Mediapublicaties:

https://www.tvoost.be/nieuws/moordzaak-ishan-celik-puzzel-die-we-proberen-leggen-maar-helft-puzzelstukken-ontbreken-69312

https://www.tvoost.be/nieuws/geen-manipulatie-van-speurder-in-onderzoek-van-10-jaar-oude-moordzaak-in-temse-79529

https://www.tvoost.be/nieuws/vier-verdachten-vrijgesproken-in-omstreden-moordzaak-ihsan-celik-106851IYjl3yR9R!PAiWiYvNsLbYI&@

https://www.hln.be/temse/rechter-wil-extra-onderzoeksdaden-in-bijna-tien-jaar-oude-moorzaak~a9af6568/

https://www.hln.be/temse/beklaagde-ontkent-hardnekkig-tijdens-moordproces-als-ik-al-een-moord-zou-plegen-zou-het-niet-met-deze-ezel-hier-zijn~a8c3e222/

https://www.hln.be/temse/opvallende-wending-tijdens-proces-10-jaar-oude-moordzaak-onderzoek-geopend-tegen-agent-die-cruciale-verhoren-afnam~af913fcd/

https://www.hln.be/temse/uitstel-in-proces-poldermoord-advocaten-willen-eerst-onderzoek-comite-p-inkijken~affad06a/

https://www.hln.be/temse/speurder-getuigt-over-cruciale-verhoren-in-tien-jaar-oude-moordzaak-geen-manipulatie-gebeurd~a30d8ac5/

https://www.hln.be/temse/na-meer-dan-tien-jaar-nadert-moordzaak-ihsan-celik-haar-ontknoping-verdediging-gaat-voor-vrijspraak-mijn-client-werd-door-speurders-onder-druk-gezet-met-frietjes-uit-de-frituur~a1ad1631/

https://www.hln.be/temse/valse-verklaringen-in-ruil-voor-frietjes-en-cola-moordverdachten-gaan-vrijuit-nadat-speurders-zwakbegaafde-getuige-onder-druk-zetten~a4d2cc9c/

https://www.hln.be/temse/vier-mannen-vrijgesproken-in-tien-jaar-oude-moordzaak-speurders-hebben-te-veel-druk-gezet-op-zwakbegaafde-verdachte~ac719ed5/

https://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20190205_04154832

https://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20190206_04156254

https://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20190604_04443347

https://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20200907_95476357

https://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20200907_95005332

https://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20201019_93854237

https://www.gva.be/cnt/dmf20190206_04156807

https://www.gva.be/cnt/dmf20200907_95476357

https://www.gva.be/cnt/dmf20201019_92992031

https://www.gva.be/cnt/dmf20201023_97199617

 

 

 

 

 

Er is de laatste weken veel persaandacht geweest voor de zaak rond het tragische overlijden van Sanda DIA, de beloftevolle student die in december 2018 deelnam aan de doop van de toenmalige Leuvense studentclub Reuzegom.

In dit dossier behartig ik de belangen van J.V., één van de eerstejaars clubleden die aanwezig was op deze doop waaraan hij het jaar voordien zelf als schacht had deelgenomen.

De dramatische wijze waarop Sanda DIA om het leven is gekomen, is onwezenlijk te noemen en wordt terecht als onaanvaardbaar aangevoeld. Ook mijn cliënt worstelt sinds die fatale decemberavond in 2018 onafgebroken met de ondraaglijke zinloosheid van dit heengaan van zijn leeftijdsgenoot.

Het verhoor van cliënt door de speurders, een urenlang onthutsend en ook voor hemzelf vaak pijnlijk gedetailleerd relaas, spreekt terzake boekdelen.

Cliënt was samen met zijn ouders aanwezig op de aangrijpende uitvaartplechtigheid van Sanda in de basiliek van Edegem. De woorden die de stiefmama van Sanda er namens de vader uitsprak zijn niet in dovemansoren gevallen. Zij hopen dat de brieven die zij eerder geschreven hadden en zij op aangeven van de politie overmaakten aan de bemiddelingsdienst de beide ouders ook daadwerkelijk bereikt hebben. Cliënt komt zelf uit een kroostrijk gezin en zijn ouders moeten er niet aflatend aan denken wat een nachtmerrie het moet zijn om een kind te verliezen, laat staan op zulke wijze.

De roep om gerechtigheid en de volledige waarheid -hoe pijnlijk ook- vanwege de familie en vrienden van Sanda is terecht en evident.

Van belang in deze tragische zaak is enerzijds de zoektocht naar het hoe en waarom van de als maar stijgende brutaliteit van de voormalige studentenclub ‘Reuzegom’ en haar ‘doopritueel’ en anderzijds de wil om daar dan toch bij te horen. Evenzeer moet getracht worden om ten volle te
begrijpen hoe het in godsnaam mogelijk was dat Sanda de beproevingen die hij onderging niet overleefd heeft (in tegenstelling tot de anderen die hetzelfde ‘doopritueel’ -waarvan blijkbaar zelfs een ‘draaiboek’ bleek te bestaan…- hebben ondergaan, ofwel samen met Sanda, ofwel de recente jaren voor hem).

Een doorgedreven waarheidsvinding dus, waarbij we trachten om élk stukje van deze gruwelijke puzzel te vinden, te belichten en op haar juiste plaats te leggen. Zulks in de hoop dat dit ertoe kan bijdragen dat alle betrokken actoren -studenten en universiteit, maar ook beleidmakers en medici, …- er samen voor kunnen trachten te zorgen dat een dossier zoals dit nooit meer het onpeilbare verdriet bij de achtergebleven naasten dient te veroorzaken, noch in de weegschaal van Justitie dient terecht te komen. Een zoektocht naar de waarheid omdat we als maatschappij en rechtstaat aan Sanda verplicht zijn om te beogen nog enige zin te geven aan het vreselijk onrechtvaardige overlijden van Sanda.

Het is in die optiek dat wij een verzoekschrift tot bijkomend onderzoek hebben aangekondigd en neergelegd. Het is onder meer om deze redenen ook dat de wetgever deze mogelijkheid en dit momentum heeft voorzien in ons Wetboek van Strafvordering.

Een van de vele in dit dossier betrokken confraters ziet hierin een gebrek aan empathie bij cliënt, zijn ouders en ondergetekende advocaat. Niets is minder waar. Ervan uitgaande dat hij spreekt namens zijn cliënt, drukken wij de hoop uit dat deze later zal begrijpen waarom wij ons verplicht zagen dit verzoekschrift op te stellen. Dat dit thans bij de familie en vrienden van Sanda aanvoelt als een vertragingsmanoeuvre dienen we er jammerlijk bij te nemen.

Ook voor cliënt en zijn familie, een modaal gezin met twee ouders die fulltime hardwerkende bedienden zijn die trachten hun twee dochters en twee zonen een behoorlijke opvoeding en studiemogelijkheden mee te geven, is deze procedure zwaar om dragen. De ongebreidelde aandacht in pers en op sociale media voor deze zaak neemt bijwijlen angstwekkende proporties aan met nooit eerder geziene gevolgen van dien voor niet alleen cliënt, maar ook zijn ouders en zijn jongere broer en zusjes.

Cliënt, zijn broer en zijn zusjes zijn niet de kinderen van puissant welstellende ouders met een elitair netwerk. Cliënt heeft als student altijd gewerkt om zijn steentje aan de maandelijkse kosten om in Leuven op kot te kunnen studeren bij te dragen. Ook cliënt sloot zich een jaar voor Sanda aan bij Reuzegom met dromen van een veelbelovende toekomst. Hoe moet ik hen als advocaat dan de recente uitspraak kaderen van onze Vlaamse minister van Justitie die stelt dat cliënt behoort tot ‘een nest van rotverwende rijkeluiskindjes die nooit eerder in hun leven hebben gewerkt en voor al hun stommiteiten konden terugvallen op papa’s en mama’s netwerk en portefeuille’…? Dit toont meteen aan waarom het merendeel van de ‘geheime’ gerechtelijke onderzoeken in onze rechtstaat niet gebaat zijn met een perslek : wanneer het onderzoek naar behoren à charge en à décharge gevoerd wordt onder leiding van een onderzoeksrechter en men geen redenen heeft om te vrezen voor situaties zoals in de uitzonderlijke dossiers van Jonathan Jacobs of Chovanec, zijn eigenlijk enkel de media en zij die deze graag en kundig bespelen gebaat bij zulke lekken.

De slinger is inmiddels ver doorgeslagen met bijhorende paniekreacties en aangekondigde wraakacties. De rust en sereniteit die zo’n dramatisch dossier nodig heeft zijn ver zoek.

Christian Clement.

 

Persberichten:

https://www.jubel.be/35242/

Advocaat Reuzegommer: “Druk op rechters is zo groot, dat ik hoop dat ze nog onafhankelijk kunnen oordelen” | VRT NWS: nieuws
Advocaat roept op tot sereniteit en rust in Reuzegom-dossier
Open brief van advocaat ex-Reuzegomlid: “De slinger is ver doorgeslagen”
Advocaat Sven Mary over Reuzegommers: “Het is heel eigenaardig. Alsof niemand op het moment van die doop aanwezig was”

Door de recente stijging van het aantal besmettingen zag de Belgische overheid zich genoodzaakt nieuwe maatregelen te nemen.

De overheid zet ook verder in op lokale maatregelen om het virus onder controle te krijgen.

De provincie Antwerpen, waar het aantal besmettingen zeer hoog ligt, heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt om bijkomende maatregelen uit te vaardigen. Wij vatten deze verstrengde maatregelen voor U samen.

 

Download hier het pdf bestand:  Update nieuwe maatregelen (28/07/2020)

 

Moest U toch nog vragen of problemen hebben, aarzel niet om ons te contacteren!

 

Mediapublicatie: Madeinantwerpen.be

Getroffen door de coronacrisis? Overheid staat getroffen handelshuurders lening toe

Verschillende ondernemingen dienden verplicht te sluiten ten gevolge van de maatregelen genomen door de Nationale Veiligheidsraad vanaf 12 maart 2020 inzake het coronavirus. Hierdoor vielen hun inkomsten geheel of gedeeltelijk weg en ondervonden heel wat ondernemingen moeilijkheden bij de betaling van hun handelshuur.

De Vlaamse Overheid heeft beslist om de getroffen ondernemingen te ondersteunen en onder bepaalde voorwaarden een handelshuurlening toe te staan.

Wat houdt deze handelshuurlening in?

  • De Vlaamse overheid zal via een lening twee maanden huur voorschieten aan de handelshuurder.
  • In ruil daarvoor moet de verhuurder een of twee maanden huur kwijtschelden.
  • PMV/z-Leningen (Participatiemaatschappij Vlaanderen) betaalt in naam en voor rekening van het Vlaamse Gewest het geleende bedrag rechtstreeks aan de verhuurder.

Welke ondernemingen komen hiervoor in aanmerking?

Om in aanmerking te komen voor deze handelshuurlening, moet uw onderneming aan de volgende voorwaarde voldoen:

  1. Er bestaat een geregistreerde huurovereenkomst voor een handelspand gelegen in het Vlaamse Gewest (of er bestaat een gelijkaardige juridische structuur waarbij een handelspand tegen vergoeding ter beschikking wordt gesteld, zoals erfpacht, vruchtgebruik,…).
  2. De onderneming had voor het pand in kwestie geen huurachterstallen op 15 maart 2020.
  3. De onderneming werd verplicht werd haar fysieke locatie volledig of gedeeltelijk te sluiten ten gevolge van de federale coronamaatregelen.
  4. De huurder en de verhuurder gaan een vrijwillige overeenkomst aan die voorziet in de opschorting van de betalingsverplichting van de handelshuur voor 3 of 4 maanden. De verhuurder staat een kwijtschelding toe van 1 of 2 maanden huur, inclusief lasten. De huurder vraagt een lening aan voor de betaling van 2 maanden huur.

Waar kan de handelshuurlening worden aangevraagd?

De huurder dient de handelshuurlening digitaal aan te vragen via de roze knop op volgende website van Agentschap Innoveren & Ondernemen (VLAIO) vóór 1 oktober 2020:

https://www.vlaio.be/nl/subsidies-financiering/handelshuurlening/hoe-vraag-je-de-handelshuurlening-aan

Voor de online aanvraag heeft de huurder onderstaande gegevens nodig:

  • Het originele huurcontract (registratienummer, data, …)
  • De gegevens van de huurder, verhuurder en betrokken pand(en)
  • Afspraken over de maand(en) waarop de overeenkomst zal slaan.

Wat zijn de financiële voorwaarden van de handelshuurlening?

De handelshuurlening is per onderneming en per pand beperkt tot 2 maanden huur, inclusief lasten. De lening voor alle panden van één onderneming samen bedraagt maximaal 35.000 euro.

De onderneming heeft tot uiterlijk 24 maanden na de toekenning van de lening tijd om deze volledig terug te betalen aan een rente van 2%. De terugbetalingen dienen pas aan te vangen 6 maanden na de toekenning van de lening en worden vanaf dat ogenblik gelijkmatig gespreid over de overige 18 maanden.

Waarom is dit een interessante regeling voor de huurder en de verhuurder?

Het betreft een vrijwillige regeling, dus geen partij kan worden verplicht om hieraan mee te werken. Echter, zowel voor de huurder als voor de verhuurder zijn er verschillende voordelen aan verbonden.

  • Hoewel de verhuurder 1 of 2 maanden huur kwijtscheldt, verkrijgt hij op deze manier zekerheid dat de huur van de 2 daaropvolgende maanden effectief betaald zal worden. De uitbetaling van de handelshuur zal namelijk rechtstreeks aan de verhuurder gebeuren. Tevens is de kans groot dat de verhuurder na de coronacrisis zijn pand kan blijven verhuren aan dezelfde huurder.
  • De huurder ontvangt hulp bij zijn betalingsmoeilijkheden om de coronacrisis te overbruggen. Daarnaast verbetert zijn liquiditeitspositie waardoor zijn overlevingskansen stijgen.

Indien U nog vragen hebt omtrent deze materie, aarzel niet om onze specialisten te contacteren. Zij helpen U graag verder.    www.studio-legale.be   info@studio-legale.be

 

—————————————————————————

 

Affecté par la crise du coronavirus ? Le gouvernement autorise le prêt aux locataires commerciaux concernés

Plusieurs entreprises ont dû fermer suite aux mesures prises par le Conseil national de sécurité à partir du 12 mars 2020 concernant le coronavirus. En conséquence, leurs revenus ont été perdus en tout ou en partie et de nombreuses entreprises ont éprouvé des difficultés à payer leurs loyers commerciaux.

Le gouvernement flamand a décidé de soutenir les entreprises concernées et, sous certaines conditions, de leur accorder un prêt de bail commercial.

En quoi consiste ce prêt de bail commercial ?

  • Par le biais d’un prêt, le gouvernement flamand avancera deux mois de loyer au locataire commercial.
  • En échange, le propriétaire doit accorder une dispense d’un ou deux mois de loyer.
  • PMV/z-Leningen (Société flamande de capital-investissement) verse le montant du prêt directement au propriétaire au nom et pour le compte de la Région flamande.

Quelles sont les entreprises éligibles ?

Pour pouvoir bénéficier de ce prêt de bail commercial, votre entreprise doit remplir les conditions suivantes :

  1. Il existe un contrat de bail enregistré pour un bien commercial situé en Région flamande (ou il existe une structure juridique similaire dans laquelle un bien commercial est mis à disposition contre rémunération, comme une emphytéose, un usufruit, …).
  2. La société n’avait aucun arriéré de loyer pour les locaux en question au 15 mars 2020.
  3. La société a été obligée de fermer tout ou partie de son site physique à la suite des mesures fédérales de confinement.
  4. Le locataire et le bailleur concluent un accord volontaire qui prévoit la suspension de l’obligation de paiement du bail commercial pendant 3 ou 4 mois. Le bailleur accorde une dispense de 1 ou 2 mois de loyer, charges comprises. Le locataire demande un prêt pour le paiement de 2 mois de loyer.

Où peut-on demander le prêt de bail commercial ?

Le locataire doit demander le prêt de bail commercial par voie numérique via le bouton rose sur le site web suivant de « Agence pour l’innovation et l’entreprenariat (VLAIO) » avant le 1er octobre 2020 :

https://www.vlaio.be/nl/subsidies-financiering/handelshuurlening/hoe-vraag-je-de-handelshuurlen
ing-aan

Pour la demande en ligne, le locataire a besoin des informations suivantes :

  • L’original du contrat de location (numéro d’enregistrement, dates, …)
  • Les coordonnées du locataire, du propriétaire et du ou des biens concernés
  • Accords concernant le(s) mois auquel (auxquels) l’accord s’appliquera.

 

Quelles sont les conditions financières du prêt de bail commercial ?

Le prêt de bail commercial est limité par société et par bien à 2 mois de loyer, charges comprises. Le prêt pour l’ensemble des biens d’une même entreprise s’élève à un maximum de 35 000 euros.

L’entreprise a jusqu’à 24 mois au plus tard après l’octroi du prêt pour le rembourser intégralement à un taux d’intérêt de 2 %. Les remboursements ne doivent commencer que 6 mois après l’octroi du prêt et seront répartis uniformément sur les 18 mois restants à partir de ce moment.

Pourquoi est-ce un arrangement intéressant pour le locataire et le propriétaire ?

Il s’agit d’un régime volontaire, de sorte qu’aucune partie ne peut être obligée d’y participer. Toutefois, il existe plusieurs avantages pour le locataire et le propriétaire.

– Bien que le propriétaire dispense 1 ou 2 mois de loyer, il obtient ainsi la certitude que le loyer des 2 mois suivants sera effectivement payé. Le paiement du loyer commercial sera effectué directement au propriétaire. Il y a également de bonnes chances que le propriétaire puisse continuer à louer son bien au même locataire après la crise de la corona.

– Le locataire reçoit une aide pour ses difficultés de paiement afin de surmonter la crise du corona.  En outre, sa situation de liquidité s’améliore, ce qui augmente ses chances de survie.

 

Si vous avez encore des questions à ce sujet, n’hésitez pas à contacter nos spécialistes. Ils seront heureux de vous aider.    www.studio-legale.be   info@studio-legale.be

—————————————————————————

Are you by the corona crisis? Government grants affected commercial tenants a loan

 

Several companies had to close down as a result of the measures concerning the coronavirus taken by the National Security Council as from March 12, 2020. As a result, their revenues were lost in whole or in part and many companies experienced difficulties in paying their commercial rents.

The Flemish Government decided to support the affected companies and, under certain conditions, to grant them a loan for the commercial rent.

 

What does this loan for the commercial rent imply?

  • Through a loan, the Flemish government will advance two months’ rent to the commercial tenant.
  • In exchange, the landlord must forfeit one or two months’ rent.
  • PMV/z-Leningen (Participatiemaatschappij Vlaanderen) pays the lent amount directly to the landlord in the name and on behalf of the Flemish Region.

 

Which companies are eligible?

In order to be eligible for this loan for commercial rent, your company must meet the following condition:

  1. There is a registered rental agreement for a commercial property located in the Flemish Region (or there is a similar legal structure whereby a commercial property is made available for a fee, such as a ground rent, usufruct…).
  2. The company did not have any rent arrears for the premises concerned on the 15th of March 2020.
  3. The company was obliged to close all or part of its physical premises as a result of the federal corona-measures
  4. The tenant and the landlord enter into a voluntary agreement providing for the suspension of the commercial rent payment obligation for 3 or 4 months. The landlord grants a waiver of 1 or 2 months rent, including charges. The tenant applies for a loan for the payment of 2 months rent.

 

Where to apply for the loan for commercial rent?

The tenant must apply for the loan for commercial rent digitally via the pink button on the next website of the “Agentschap Innoveren &  Ondernemen”(VLAIO) before the 1st of October 2020:

https://www.vlaio.be/nl/subsidies-financiering/handelshuurlening/hoe-vraag-je-de-handelshuurlening-aan

The tenant needs the following information for the online request:

  • The original rental agreement (registration number, dates, …)
  • The details of the tenant, landlord and the property(s) concerned
  • Agreements about the month(s) to which the agreement will apply.

 

What are the financial conditions of the loan for commercial rent?

The loan for commercial rent is limited per company and per property to 2 months’ rent, including charges. The loan for all buildings of one company together can amount to a maximum of 35,000 euros.

The company has until no later than 24 months after the loan has been granted to repay it in full at an interest rate of 2%. The repayments should only start 6 months after the allocation of the loan and will be spread evenly over the remaining 18 months from that point on.

 

Why is this an interesting arrangement for both the tenant and the landlord?

It is a voluntary arrangement, so no party can be obliged to participate. However, there are several advantages for both the tenant and the landlord.

  • Although the landlord will waive 1 or 2 months’ rent, in this way he gains the assurance that the rent for the following 2 months will actually be paid. The payment of the loan for commercial rent will be made directly to the landlord. There is also a good chance that the landlord will be able to continue renting out his property to the same tenant after the corona crisis.
  • The tenant will receive assistance with his payment difficulties to overcome the corona crisis. In addition, his liquidity position improves, increasing his chances of survival.

If you have any questions about this matter, do not hesitate to contact our specialists. They will be happy to help you.    www.studio-legale.be   info@studio-legale.be

 

 

 

When your name/look matters.

Discriminatie in de huur- en vastgoedsector : niet zonder strafrechtelijk risico.

Na het tragische overlijden van George Floyd in Amerika en de bijhorende opflakkering van de Black Lives Matters-beweging staan racisme en discriminatie terug volop in de aandacht.

Ook in ons land waren er de visueel frappante acties op standbeelden van Leopold-II en het opmerkelijke gekrakeel in het Vlaams Parlement over de ‘praktijktest’. (Zie verder onder ‘Relevante links’.)

Als aanvulling op deze bijdrage uit 2016, waar voornamelijk werd gefocust op (de rechten van) de slachtoffers, wordt er nu dieper ingegaan op de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de eigenaar-verhuurders en (hun) vastgoedmakelaars

Wat is discriminatie?

Er is sprake van discriminatie wanneer iemand op basis van een bepaalde discriminatiegrond verschillend wordt behandeld zonder dat hiervoor een gegronde rechtvaardiging kan gegeven worden.

Er zijn negentien zogenaamde discriminatiegronden, waarbij de 5 ‘raciale criteria’ de bekendste zijn. Deze zijn: ras, huidskleur, nationaliteit, afkomst en nationale of etnische afstamming.

Deze worden aangevuld met: taal, geslacht, handicap, geloof of levensbeschouwing, seksuele geaardheid, leeftijd, vermogen (of financiële middelen), burgerlijke staat, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, gezondheidstoestand, een fysieke of genetische eigenschap, geboorte, sociale afkomst.

Hoewel eigenaars en verhuurders in zekere zin vrij zijn in het bepalen van huur- of aankoopvoorwaarden, mogen zij geen discriminerende selectiecriteria hanteren die niet objectief of redelijk te verklaren zijn. Elk direct of indirect onderscheid op grond van de bovengenoemde criteria kan leiden tot strafrechtelijke aansprakelijkheid

 

Wetgevend kader

Nadat de Antiracismewet (1981) en de Genderwet (1999) in het leven werden geroepen, zag de Antidiscriminatiewet het licht op 25 februari 2003. Bij wet van 10 mei 2007 werd de Antiracismewet grondig hervormd en de Antidiscriminatiewet integraal vervangen.

De Antidiscriminatiewet is zowel in de overheidssector als in de particuliere sector op alle personen van toepassing m.b.t. materies omschreven in artikel 5 van de Antidiscriminatiewet.

De toegang tot en het aanbod van goederen en diensten die publiekelijk beschikbaar zijn, wat in de volksmond de huur- en vastgoedsector genoemd kan worden, wordt uitdrukkelijk vermeld in artikel 5 §1 sub 1 van zowel de Antiracisme-als Antidiscriminatiewet.

Bovendien heeft éénieder recht op een behoorlijke huisvesting, hetgeen als recht verankerd is in artikel 23,3° van de Grondwet.

 

Wat riskeert de eigenaar/verhuurder en/of zijn makelaar ?

Eigenaars of verhuurders én hun eventuele makelaars die bijvoorbeeld discriminerende selectiecriteria hanteren kunnen overeenkomstig artikel 24 van Antidiscriminatiewet veroordeeld worden tot een gevangenisstraf van één maand tot één jaar en met geldboete van 50 euro tot 1.000 euro (te vermenigvuldigen met de opdeciemen).

Ook in het ontwerp van het nieuw strafwetboek omschrijftt artikel 78 het “misdrijf gepleegd vanuit discriminerende drijfveer”. Hiervan is sprake wanneer één van de drijfveren van de dader bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens één of meer van de eerder genoemde discriminatiegronden.

Makelaars en professionele verhuurders/verkopers dienen bovendien extra waakzaam te zijn.

De naleving van de Antiracismewet, de Antidicriminatoiewet én het strafwetboek behoren immers tot de deontologische code van vastgoedmakelaar, waardoor er eventuele aanvullende tuchtrechtelijke sancties kunnen opgelegd worden. (artikel 1°8 Deontologie Vastgoedmakelaar).

 

Vervolgingsbeleid

Al dan niet aangestuurd door de politiek, is het het Openbaar Ministerie dat bepaalt of we van deze misdrijven een prioriteit maken, door deze actief op te sporen en daadwerkelijk te vervolgen.

In 2013 werd er reeds een omzendbrief opgesteld (COL 13/2013 van het College van procureurs-generaal) inzake discriminatie en haatmisdrijven. Deze omzendbrief beoogde een betere samenwerking tussen het openbaar ministerie, de politie en/of de bevoegde sociale inspectiediensten en omvat duidelijke instructies voor een coherent vervolgingsbeleid inzake racisme- en haatmisdrijven.

Deze omzendbrief is tot op heden actueel, maar de kans bestaat dat het Openbaar Ministerie na de recente gebeurtenissen haar vervolgingsbeleid gaat aanscherpen.

Heeft u verdere vragen omtrent dit onderwerp, of werd u gedagvaard in het kader van dit onderwerp, aarzel dan zeker niet om onze specialisten te contacteren via onze website of rechtsreeks naar strafcel@studio-legale.be.

Christian CLEMENT &

Jens VANHELLEMONT


Relevante links :

https://www.studio-legale.be/discriminatie-in-de-huur-en-vastgoedsector/?lang=nl
https://www.nrc.nl/nieuws/2020/06/12/druk-op-duitse-regering-om-ras-uit-grondwet-te-schrappen-a4002646

Praktijktesten zinderen na in Open VLD-fractie
https://www.standaard.be/cnt/dmf20200615_04991463

El Kaouakibi steunt motie oppositie tegen discriminatie
https://www.standaard.be/cnt/dmf20200617_04994006

Praktijktests zijn maar een begin
https://www.standaard.be/cnt/dmf20200617_04994062

Gent haalt standbeeld Leopold II weg
https://www.standaard.be/cnt/dmf20200618_04994232

Onderzoek bewijst dat praktijktests op de huurmarkt werken: ‘Waar is Vlaanderen bang voor?’
https://www.demorgen.be/a-b1998035

Vlaamse meerderheid sluit rangen tegen praktijktests
https://www.demorgen.be/a-b241b2e7

Somers wordt teruggefloten over praktijktesten
https://
www.hln.be/binnenland/somers-wordt-teruggefloten-over-praktijktesten~ae9345bb/

“Bang voor racistische opmerkingen als ik ga winkelen”
https://www.hln.be/de-krant/bang-voor-racistische-opmerkingen-als-ik-ga-winkelen~ab7ce11c/

Bart De Wever: “De Vlaming racistisch? Ik geloof daar geen snars van”
https://www.gva.be/cnt/dmf20200622_04998176/bart-de-wever-de-vlaming-racistisch-ik-geloof-daar-geen-snars-van

ANALYSE. De ene praktijktest is (blijkbaar) de andere niet
https://www.gva.be/cnt/dmf20200615_04991824/analyse-de-ene-praktijktest-is-blijkbaar-de-andere-niet

N-VA en CD&V niet opgezet met solo-optreden coalitiegenoot Open VLD: “Zo werkt het echt niet”

Filip Dewinter dient klacht in na debat over praktijktests.
https://www.gva.be/cnt/dmf20200618_04994255/n-va-en-cd-v-niet-opgezet-met-solo-optreden-coalitiegenoot-open-vld-zo-werkt-het-echt-niet

 

Het Hof van Justitie heeft op 12 maart 2020[1] een zeer interessant arrest geveld.

Als een luchtvaartmaatschappij een vlucht annuleert, hebben de gedupeerde passagiers recht op een andere vlucht en op een compensatie. Als de andere vlucht dan met een vertraging van meer dan drie uur aankomt op de eindbestemming, hebben de passagiers recht op een tweede compensatie.

De feiten

In het desbetreffende arrest diende het Hof zich te buigen over een geschil tussen acht passagiers en Finnair.

De acht passagiers hadden een vlucht geboekt van Helsinki naar Singapore. Finnair diende de vlucht te annuleren vanwege een technisch probleem aan boord van het vliegtuig. De passagiers kregen vervolgens een andere vlucht aangeboden die de volgende dag gepland stond. Echter liep deze vervangvlucht vertraging op wegens een probleem met de stuurbekrachtiging en kwam daardoor meer dan zes uur later aan in Singapore.

Finnair betaalde de passagiers een compensatie van € 600,00 voor de geannuleerde vlucht, maar weigerde een vergoeding uit te keren voor de vertraagde vlucht.

De passagiers gingen hier niet mee akkoord. Zij meenden – op basis van de Europese passagiersverordening – recht te hebben op een vergoeding voor zowel de geannuleerde vlucht als de vertraagde vlucht en spanden daarom een procedure aan tegen Finnair voor de rechtbank te Helsinki.

De rechter van Helsinki wees de vergoeding voor de vertraagde vlucht af. Daarop tekenden de gedupeerde passagiers hoger beroep aan, waarbij er door de beroepsrechter twee prejudiciële vragen werden gesteld aan het Europese Hof van Justitie.

Kan een passagier aanspraak maken op een tweede compensatie?

De beroepsrechter wenste van het Hof te vernemen of een luchtreiziger die compensatie heeft gekregen wegens annulering van een vlucht en de hem aangeboden andere vlucht heeft aanvaard, aanspraak kan maken op compensatie wegens vertraging van deze andere vlucht, wanneer de vertraging daarvan lang genoeg duurt om recht te geven op compensatie en de luchtvaartmaatschappij die de andere vlucht uitvoert dezelfde is als de luchtvaartmaatschappij van de geannuleerde vlucht.

In dit verband stelt het Hof vast dat de verordening geen enkele bepaling bevat die ertoe strekt de rechten te beperken van passagiers die zijn overgeplaatst naar een andere vlucht, zoals het geval is in deze zaak, ook geen bepaling die beoogt om hun recht op compensatie te beperken.

Daardoor hebben de passagiers ook recht op een compensatie van € 600,00 voor de vertraagde vlucht, zelfs al hadden zij reeds een vergoeding gekregen voor de geannuleerde vlucht.

Kan de luchtvaartmaatschappij zich beroepen op ‘buitengewone omstandigheden’?

Verder wenste de beroepsrechter te weten of een luchtvaartmaatschappij zich, om zich te bevrijden van haar verplichting tot compensatie, kan beroepen op ‘buitengewone omstandigheden’ om zich te bevrijden van haar verplichting tot compensatie. Hier betrof het een defect van een onderdeel dat slechts wordt vervangen indien het vorige onderdeel uitvalt, wanneer zij voortdurend een reserveonderdeel in voorraad houdt. Het Hof merkt op dat volgens haar rechtspraak gebeurtenissen die naar hun aard of oorsprong niet inherent zijn aan de normale uitoefening van het bedrijf van de betrokken luchtvaartmaatschappij en waar deze geen daadwerkelijke invloed op kan uitoefenen als ‘buitengewone omstandigheden’ kunnen worden aangemerkt. Beide voorwaarden moeten vervuld zijn. Technische defecten die inherent zijn aan het onderhoud van luchtvaartuigen kunnen in beginsel op zich geen ‘buitengewone omstandigheden’ vormen.

Het defect van een ‘on-condition’-onderdeel (in casu de stuurbekrachtiging), dat met het oog op de vervanging ervan door de luchtvaartmaatschappij voortdurend in voorraad wordt gehouden, vormt een gebeurtenis die naar haar aard of oorsprong inherent is aan de normale uitoefening van het bedrijf van de luchtvaartmaatschappij in kwestie en waarop deze een daadwerkelijke invloed kan uitoefenen, tenzij dat defect niet wezenlijk verbonden is met het systeem voor de werking van het luchtvaartuig. Om zich te bevrijden van haar verplichting tot compensatie, kan een luchtvaartmaatschappij zich dus niet beroepen op ‘buitengewone omstandigheden’ in verband met een defect van een ‘on-condition’- onderdeel.

Besluit

De Europese passagiersverordening 261/2004[2] – dat de rechten van vliegtuigpassagiers regelt bij instapweigering, annulering en vertraging van vluchten – dient aldus zo te worden uitgelegd dat passagiers twee maal recht hebben op een vergoeding als de vervangvlucht na een geannuleerde vlucht een vertraging van meer dan drie uur oploopt.

Een compensatie zal evenwel niet verschuldigd zijn indien er effectief sprake is van ‘buitengewone’ omstandigheden.

 

 Redactie: Eva TESSENS & Joost PEETERS

Vertaling Engels: Eva TESSENS

Vertaling Frans: Pauline VANHORENBEKE

 

[1] HvJ 12 maart 2020, C-832/18, A e.a. v. Finnair Oyj

[2] Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91, Pb. L. 046, 17 februari 2004, 0001-0008. 

Vacature: burgerlijk en administratief recht

-WIJ ZIJN-

Geen nichekantoor, maar bieden een doorgedreven specialisatie aan in een heel aantal rechtsdomeinen. We begeleiden graag ondernemingen van A-Z. Er wordt steeds een brede opleiding aangeboden in het burgerlijk en handelsrecht, doch de nadruk worden gelegd op volgende rechtstakken :

• Bouwrecht
• Verzekeringsrecht
• Administratief recht
• Verkeersrecht

-WIJ ZOEKEN-

Een zeer gemotiveerde en enthousiaste werkkracht, die klaar is voor de uitdagingen waar de moderne advocatuur momenteel voorstaat. Wij verwachten van u een zelfstandige en initiatiefrijke werkhouding, met een goede juridische kennis, pragmatisch denkvermogen en oog voor detail. We hechten veel belang aan talenkennis (Engels en Frans).

-WIJ BIEDEN-

Een zeer dynamische werkplek waar collegialiteit en teamspirit hoog in het vaandel worden gedragen. U mag een correcte vergoeding en een degelijke opleiding verwachten, waarbij ruimte wordt gelaten om uw eigen dossiers te behandelen.

Download hier de vacature.

——————————————————————————

Vacature: insolventie en burgerlijk recht

-WIJ ZIJN-

Geen nichekantoor, maar bieden een doorgedreven specialisatie aan in een heel aantal rechtsdomeinen. We begeleiden graag ondernemingen van A-Z. Er wordt steeds een brede opleiding aangeboden in het burgerlijk en handelsrecht, doch de nadruk worden gelegd op volgende rechtstakken :

• Faillissements- en insolventierecht;
• Bouwrecht,
• Verzekeringsrecht.

-WIJ ZOEKEN-

Een zeer gemotiveerde en enthousiaste werkkracht, die klaar is voor de uitdagingen waar de moderne advocatuur momenteel voorstaat. Wij verwachten van u een zelfstandige en initiatiefrijke werkhouding, met een goede juridische kennis, pragmatisch denkvermogen en oog voor detail. We hechten veel belang aan talenkennis (Engels en Frans).

-WIJ BIEDEN-

Een zeer dynamische werkplek waar collegialiteit en teamspirit hoog in het vaandel worden gedragen. U mag een correcte vergoeding en een degelijke opleiding verwachten, waarbij ruimte wordt gelaten om uw eigen dossiers te behandelen.

Download hier de vacature.

Afgelopen week verscheen er een opvallend bericht in de krant.

Een Belgische studente wou een jong katje meebrengen uit Peru. Het dier was aldaar gechipt en gevaccineerd, ook tegen hondsdolheid.

De regelgeving[1] bepaalt dat zo’n dier gedurende 3 maanden in quarantaine dient te blijven vooraleer het naar een andere land kan worden overgebracht. Dit om een risico op besmetting volledig uit te sluiten.

De FOD Volksgezondheid stelt op haar website dat een afwijking van de regel kan worden toegestaan in geval van een noodsituatie zoals een natuurramp of een politieke instabiliteit die een onmiddellijke repatriëring noodzakelijk maakt.  Hiervoor dient men een aanvraag in te dienen bij het Federaal Agentschap van de Veiligheid voor de Voedselketen (FAVV). Een coronapandemie zou een afwijking mogelijk kunnen maken.

De studente had deze aanvraag tot afwijking ook ingediend bij het FAVV terwijl ze nog in Peru was, maar het FAVV oordeelde dat er een te hoog risico op hondsdolheid (rabiës) aanwezig was. Het FAVV motiveerde dit onder meer op basis van de kennis dat Peru een hoog risicoland is voor hondsdolheid. In het stadje Cuzco – waar het katje werd aangetroffen – werd zelfs nog recent hondsdolheid vastgesteld. Bovendien was er geen enkele informatie gekend over de voorgeschiedenis van katje Lee, die pas op 10 februari 2020 in een tuintje ergens in Peru werd gevonden. Het katje werd waarschijnlijk rond 10 november 2019 geboren, maar niemand weet in welke omstandigheden, waar en welke contacten er zijn geweest. Nadien zou er met zekerheid contact zijn geweest van katje Lee met andere katten in Peru in een plaatselijk “kattencafé”. Over deze andere katten is niet geweten of zij mogelijks besmet waren met hondsdolheid.

Het katje werd ter plaatse wel degelijk ingeënt tegen hondsdolheid, doch pas op 24 maart 2020. Dit was slechts 3 dagen voordat de eigenares aan het FAVV een uitzondering vroeg om het katje mee te nemen naar België. Daarover oordeelde het FAVV dat een vaccinatie geen bescherming biedt, als het dier al geïnfecteerd zou zijn. De incubatietijd voor hondsdolheid is gemiddeld 20 tot 60 dagen, reden waarom er een quarantaine van 3 maanden wordt vooropgesteld.

De studente had vanwege de coronapandemie echter maar één laatste kans op repatriëring naar België en besloot om, in weerwil van de negatieve beslissing van het FAVV, het katje begin april 2020 toch mee te nemen naar België.

Eenmaal hier ontving ze een bevel tot euthanasie van het FAVV. Omdat er een risico bestond dat het katje hondsdolheid kon hebben, oordeelde het FAVV dat het dier moest worden ingeslapen.

Vlaams minister van Dierwelzijn Ben Weyts stelt zich in de media vragen bij de aanpak van het FAVV. Volgens artikel 1 van de Dierenwelzijnswetgeving[2] mag niemand handelingen plegen waardoor een dier zonder noodzaak omkomt. Zo stelt hij dat er in dit geval geen noodzaak is, omdat het dier perfect hier in België in quarantaine geplaatst kan worden. Hij sluit wel niet uit dat de studente gestraft zal worden voor het illegaal importeren van een dier, maar vindt de euthanasie niet noodzakelijk. Een online petitie leverde zelfs al bijna 30.000 handtekeningen op na enkele dagen.

In haar arrest van 8 mei 2020 oordeelde de Raad van State hierover reeds dat een euthanasie, die opgelegd wordt door een Europese verordening, geen schending uitmaakt van de Dierenwelzijnswet.[3]

Het KB van 13 december 2014[4] bevat geen expliciete sanctie voor bij het schenden van de voorgeschreven verplichtingen door particulieren bij de invoer van dieren. Deze sanctie werd enkel voorzien bij commerciële verplaatsingen, dus door professionelen zoals fokkers. Evenwel lijkt het evident dat de maatregelen die daar werden voorzien, ook kunnen toegepast worden op particulieren.

De publieke vraag is of het FAVV echt geen andere optie heeft dan de euthanasie. Artikel 12 van het KB stelt dat er bij een overtreding drie opties zijn, namelijk de terugzending naar land van herkomst, de quarantaine of de euthanasie. Voor de euthanasie wordt uitdrukkelijk gesteld dat het enkel mag toegepast worden, voor zover een terugzending of quarantaine niet uitvoerbaar zouden zijn. Het is zodoende slechts een laatste redmiddel, een ultimum remedium.

Belangrijke nuance evenwel is dat het niet over zomaar een potentiële besmetting gaat, maar over hondsdolheid. Dit is een ziekte die bij mens en dier altijd dodelijk is, zodra er symptomen opduiken. Het KB van 18 september 2016[5], dat zich specifiek richt op de beveiliging tegen hondsdolheid, legt daarom een risicoanalyse op voor verdachte dieren. Indien de risicoanalyse wijst op een hoog risico, moet de euthanasie bevolen worden. Het FAVV heeft deze risicoanalyse uitgevoerd en kwam tot de conclusie dat euthanasie de enige veilige oplossing was. Deze beslissing werd aangevochten door de eigenares bij de Raad van State, maar deze laatste wees dit beroep af als ongegrond.[6]

Vervolgens weigerde de eigenares katje Lee over te dragen aan het FAVV, noch bood zij het diertje aan voor euthanasie. Het FAVV deed uiteindelijk zelfs een huiszoeking in de ouderlijke woning van de studente, maar konden het katje daar niet aantreffen.

In de uitoefening van al haar bevoegdheden, kan het FAVV immers enkele controle- en opsporingshandelingen stellen. Bij Koninklijk Besluit zijn zij bijvoorbeeld gemachtigd om huiszoekingen uit te voeren.[7] De beëdigde ambtenaren van het FAVV kunnen op elk moment een huiszoeking uitvoeren in een lokaal of ruimte, waar zich producten of dieren bevinden die onder hun controle vallen of om bewijzen te verzamelen. Als de huiszoeking plaatsvindt in een particuliere woning, dan kan dit enkel tussen 5 uur en 21 uur, na voorafgaande machtiging door een politierechter.

Daarnaast schrijft de vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens nog enkele vereisten voor. Een huiszoeking is immers een afwijking op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat het recht op het privé- en familieleven beschermt. De huiszoeking mag enkel plaatsvinden als dit voorzien is bij wet, noodzakelijk is voor het onderzoek, proportioneel is en voldaan is aan het subsidiariteitsbeginsel.

De mogelijkheid tot huiszoeking door het FAVV is voorzien bij KB, wat volstaat als wet. Met noodzakelijk wordt bedoeld dat deze onderzoekshandeling enkel mag plaatsvinden, wanneer dit effectief nodig is voor het onderzoek en/of voor bewijsvergaring. Een huiszoeking om iemand onder druk te zetten is bijvoorbeeld niet toegelaten. Met proportioneel wordt bedoeld dat de ingrijpende onderzoekshandeling in verhouding moet staan met het misdrijf. Het mag dus niet lichtzinnig aangewend worden voor kleine inbreuken. Tot slot is er de subsidiariteit, wat betekent dat de huiszoeking enkel en alleen mag uitgevoerd worden als er geen enkele minder ingrijpende onderzoeksmaatregel ter beschikking is, die tot hetzelfde resultaat zou leiden. Of al deze voorwaarden in dit concreet geval vervuld waren, zal naar alle waarschijnlijkheid voorafgaandelijk zijn afgetoetst geweest door de politierechter.

Het FAVV ging uiteindelijk over tot dagvaarding in kort geding. De zaak werd op 15 mei ingeleid. Het FAVV vordert een dwangsom van € 5.000,00 per uur dat het katje niet
wordt overgedragen voor euthanasie.

Over een eventuele strafrechtelijke vervolging, zal de procureur des Konings moeten beslissen. De straffen die geriskeerd worden door de eigenaar staan opgesomd in de Dierengezondheidswet.[8] Indien het katje effectief andere dieren zou besmetten, dan riskeert de invoerster zelfs een gevangenisstraf tot 5 jaar en/of een geldboete tot 80.000 euro (na opdeciemen). Het loutere niet-naleven van de maatregel, zonder besmettingen tot gevolg, kan bestraft worden met een geldboete van 800 tot 40.000 euro (na opdeciemen). Opvallend genoeg kan de rechter ook bijkomend de verbeurdverklaring van het katje bevelen. Het is dus theoretisch mogelijk dat als het katje niet wordt geëuthanaseerd, ze nadien toch nog kan worden afgenomen als strafsanctie. Voor alle duidelijkheid, dit maakt nog niet het voorwerp uit van het debat in kortgeding.

De rechter in kort geding deed uiteindelijk op 5 juni 2020 uitspraak.

De rechtbank besluit dat het FAVV de motiveringsplicht heeft geschonden.

De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991[9] bepalen immers dat de bestuurshandelingen uitdrukkelijk gemotiveerd moeten worden én dat de juridische en feitelijke overwegingen vermeld moeten worden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Deze moeten afdoende zijn.

Het FAVV motiveert evenwel onvoldoende waarom de quarantaine van het katje niet uitvoerbaar zou zijn. Het FAVV beperkt zich tot de vage en algemene stelling dat dit een onverantwoord sanitair risico zou inhouden, maar geeft niet aan waarom dit zo is.

Bovendien meent de rechter dat het FAVV van onjuiste feitelijke gegevens is uitgegaan wanneer het stelt dat euthanasie de enige mogelijkheid is om het sanitaire risico op rabiës te beheersen. Alle door partijen geciteerde experts, met inbegrip van de NVWA (de Nederlandse tegenhanger van het FAVV), zijn het er immers over eens dat quarantaine gedurende een bepaalde periode een oplossing is om het risico dat de kat besmet zou zijn met rabiës, te beheersen.

De rechter verklaart de beslissing van het FAVV aldus onwettig wegens schending van de motiveringsplicht. Euthanasie kan namelijk volgens de Europese regelgeving[10] slechts in laatste instantie worden besloten, als het terugsturen of quarantaine onder officieel toezicht niet mogelijk is.

Katje Lee mag daardoor blijven leven en het FAVV zal een nieuwe beslissing moeten nemen of minstens hun huidige beslissing beter moeten motiveren.

Redactie : Eva Tessens en Koen De Backer

[1] Verordening (EU) Nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren ; KB 13 december 2014 houdende de veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van honden, katten en fretten, BS 29 december 2014, 106336.

[2] Wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, BS 3 december 1986, 16382.

[3] Raad van State 8 mei 2020, AR 247.513, Selena ALI tegen FAVV

[4] KB 13 december 2014 houdende de veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van honden, katten en fretten, BS 29 december 2014

[5] KB 18 september 2016 houdende de preventie en bestrijding van de hondsdolheid, BS 17 oktober 2016.

[6] Raad van State 8 mei 2020, AR 247.513, Selena ALI tegen FAVV

[7] KB 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen, BS 28 februari 2001.

[8] Artikel 23 Dierengezondheidswet van 24 maart 1987, BS 17 april 1987.

[9] Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, BS 12 september 1991, 19.976.

[10] Art. 35 Verordening (EU) Nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren ; KB 13 december 2014 houdende de veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van honden, katten en fretten, BS 29 december 2014, 106336.

————————————————————

UPDATE Le juge en référé sauve le chaton LEE et siffle l’AFSCA

La semaine dernière, un article percutant est paru dans la presse.

Un étudiante belge voulait faire venir en Belgique un jeune chaton du Pérou. L’animal y avait été pucé et vacciné, également contre la rage.

La réglementation[1] prévoit qu’un tel animal doit rester en quarantaine pendant 3 mois avant de pouvoir être déplacé vers un autre pays. Ceci afin d’éliminer complètement tout risque de contamination.

Le SPF Santé publique indique sur son site web qu’une dérogation à la règle peut être accordée en cas de situation d’urgence telle qu’une catastrophe naturelle ou une instabilité politique nécessitant un rapatriement immédiat.  Une demande doit être introduite auprès de l’Agence fédérale pour la sécurité de la chaîne alimentaire (AFSCA). La pandémie du coronavirus pourrait constituer une exception.

L’étudiante avait également introduit cette demande de dérogation auprès de l’AFSCA alors qu’elle était encore au Pérou, mais l’AFSCA a jugé qu’il y avait un risque trop élevé de rage. L’AFSCA a justifié cette décision en se basant notamment sur le fait que le Pérou est un pays à haut risque pour la rage. Dans la petite ville de Cuzco – où le chaton a été trouvé – la rage a d’ailleurs été récemment diagnostiquée. De plus, aucune information n’est connue sur l’histoire du chaton dénommé “Lee”, qui a seulement été trouvé le 10 février 2020 dans un jardin, quelque part au Pérou. Le chaton est probablement né vers le 10 novembre 2019, mais personne ne sait dans quelles circonstances ni où et quels contacts a-t-il eu. Par la suite, le chaton Lee aurait par ailleurs été en contact avec d’autres chats au Pérou dans un “café pour chats” local. On ne sait pas si ces autres chats étaient infectés par la rage.

Le chaton a été vacciné contre la rage sur place, au Pérou, mais seulement le 24 mars 2020. La propriétaire du chat avait introduit la demande de dérogation à l’AFSCA seulement 3 jours après l’avoir vacciné. L’AFSCA était d’avis qu’une vaccination n’offrait aucune protection si l’animal était déjà infecté. La période d’incubation de la rage est en moyenne de 20 à 60 jours, c’est pourquoi une quarantaine de 3 mois est nécessaire.

Cependant, en raison de la pandémie du coronavirus, l’étudiante n’avait qu’une dernière chance de rapatriement vers la Belgique et elle a décidé,
malgré la décision négative de l’AFSCA, d’emmener le chaton en Belgique, début du mois d’avril 2020.

Une fois sur place, elle a reçu une demande d’euthanasie de l’AFSCA. En effet, à cause du risque que le chat soit contaminé par la rage, l’AFSCA a décidé que l’animal devait être euthanasié.

Le ministre flamand du bien-être animal, Ben Weyts, remet en question dans les médias l’approche de l’AFSCA. Selon l’article 1 de la loi sur le bien-être des animaux[2], personne n’est autorisé à commettre des actes qui provoquent la mort d’un animal sans nécessité. Il déclare par exemple qu’en l’espèce, il n’y a pas lieu de le faire, car l’animal peut parfaitement être mis en quarantaine ici en Belgique. Il n’exclut pas que l’étudiante soit punie pour avoir importé illégalement un animal, mais ne considère pas l’euthanasie comme nécessaire. Une pétition en ligne a même recueilli près de 30 000 signatures en quelques jours.

Dans son arrêt du 8 mai 2020, le Conseil d’État avait déjà jugé que l’euthanasie, imposée par un règlement européen, ne violait pas la loi sur le bien-être des animaux[3].

L’arrêté royal du 13 décembre 2014[4] ne contient pas de sanction explicite en cas de violation  par les particuliers des obligations prescrites lors de l’importation d’animaux. Cette sanction n’était prévue que dans le cas de déplacements commerciaux, c’est-à-dire par des professionnels tels que les éleveurs. Toutefois, il semble évident que les mesures qui y sont prévues peuvent également être appliquées aux particuliers.

La question publique est de savoir si l’AFSCA n’a vraiment pas d’autre option que l’euthanasie. L’article 12 de l’arrêté royal dispose qu’en cas d’infraction, trois options sont possibles, à savoir le retour dans le pays d’origine, la quarantaine ou l’euthanasie. En ce qui concerne l’euthanasie, il est expressément indiqué qu’elle ne peut être appliquée que dans la mesure où le retour ou la quarantaine serait impossible. Il s’agit donc d’un dernier recours, d’un “ultimum remedium”.

Cependant, il y a une nuance importante, il ne s’agit pas seulement d’une infection potentielle, mais de la rage. C’est une maladie qui est toujours mortelle chez les humains et chez les animaux, dès l’apparition des symptômes. L’arrêté royal du 18 septembre 2016[5], qui porte spécifiquement sur la protection contre la rage, impose donc une analyse de risque pour les animaux suspects. Si l’analyse des risques indique un risque élevé, l’euthanasie doit être ordonnée. L’AFSCA a effectué cette analyse du risque et en a conclu que l’euthanasie était la seule solution sûre. Cette décision a été contestée par la propriétaire devant le Conseil d’État, mais le recours a été déclaré non-fondé[6].

Ensuite, la propriétaire a refusé de remettre le chaton Lee à l’AFSCA, et n’a pas proposé l’animal pour l’euthanasie. L’AFSCA a même fini par perquisitionner le domicile parental de l’étudiante, mais n’a pas pu y trouver le chaton.

En effet, dans l’exercice de toutes ses compétences, l’AFSCA peut effectuer un certain nombre d’actes de contrôle et d’enquête. L’AFSCA est par exemple autorisée par arrêté royal à effectuer des perquisitions.[7] Les agents assermentés de l’AFSCA peuvent à tout moment effectuer une perquisition dans un local ou une pièce où se trouvent des produits ou des animaux sous leur contrôle ou pour y recueillir des preuves. Si la perquisition a lieu dans une maison privée, elle ne peut être effectuée qu’entre 5 heures et 21 heures, après autorisation préalable d’un juge de police.

En outre, la jurisprudence de la Cour européenne des droits de l’homme impose un certain nombre d’exigences supplémentaires. Une fouille reste une dérogation à l’article 8 de la Convention européenne des droits de l’homme, qui protège le droit à la vie privée et familiale. La perquisition ne peut avoir lieu que si elle est autorisée par la loi, nécessaire à l’enquête, proportionnée et conforme au principe de subsidiarité.

La possibilité d’une perquisition menée par l’AFSCA est prévue par l’AR, qui suffit en tant que loi. Nécessaire signifie que cette perquisition ne peut avoir lieu que si elle est réellement nécessaire à l’enquête et/ou à la collecte de preuves. Par exemple, une recherche visant à mettre quelqu’un sous pression n’est pas autorisée. Proportionnel signifie que l’acte d’enquête de grande envergure doit être proportionnel à l’infraction. Cet acte ne peut être exécuté à la légère pour des infractions mineures. Enfin, il y a la subsidiarité, ce qui signifie que la perquisition ne peut être effectuée que s’il n’existe pas de mesure d’enquête moins intrusive, qui conduirait au même résultat. La question de savoir si toutes ces conditions ont été remplies dans ce cas précis aura, selon toute probabilité, été envisagée au préalable par le juge de police.

L’AFSCA a finalement procédé à une citation en référé. L’affaire a été introduite le 15 mai. L’AFSCA réclame une astreinte de 5.000,00 € par heure de non-remise du chaton pour euthanasie.

Toute poursuite pénale devra être décidée par le ministère public. Les sanctions encourues par la propriétaire sont énumérées dans la loi sur la santé animale.[8] Si le chaton infecte effectivement d’autres animaux, l’importateur risque même une peine de prison allant jusqu’à 5 ans et/ou une amende pouvant atteindre 80 000 euros (après décimes additionnels). Le simple fait de ne pas respecter la mesure, sans entraîner de contamination, peut être sanctionné par une amende allant de 800 à 40 000 euros (après décimes additionnels). Il faut aussi avoir à l’esprit que le juge peut également ordonner la confiscation du chaton. Il est donc théoriquement encore possible que si le chaton n’est pas euthanasié, il puisse être confisqué, à titre de sanction pénale. Pour information, ce n’est pas encore l’objet du débat en référé.

Le juge en référé a finalement rendu son verdict le 5 juin 2020.

Le tribunal a décidé que l’AFSCA avait violé l’obligation de motivation.

En effet, les articles 2 et 3 de la loi du 29 juillet 1991[9] disposent que les actes de gestion doivent être explicitement motivés et que les considérations juridiques et factuelles sur lesquelles la décision est fondée doivent être indiquées. Ceux-ci doivent être suffisants.

Cependant, l’AFSCA ne donne pas de raisons suffisantes pour que la mise en quarantaine du chaton ne soit pas réalisable. L’AFSCA se limite à l’affirmation vague et générale que cela constituerait un risque sanitaire irresponsable, mais n’explique pas pourquoi il en est ainsi.

En outre, le tribunal estime que l’AFSCA a supposé des données factuelles incorrectes lorsqu’elle a déclaré que l’euthanasie est la seule possibilité de contrôler le risque sanitaire de la rage. En effet, tous les experts cités par les parties, y compris la NVWA (l’homologue néerlandais de l’AFSCA), sont d’accord pour dire qu’une quarantaine pendant un certain temps est une solution pour contrôler le risque que le chat soit infecté par la rage.

Le juge déclare donc la décision de l’AFSCA illégale en raison de la violation de l’obligation de motivation. Selon la réglementation européenne[10], l’euthanasie ne peut être décidée qu’en dernier recours si le retour ou la quarantaine sous contrôle officiel n’est pas possible.

Le chaton Lee sera autorisée à vivre et l’AFSCA devra prendre une nouvelle décision ou du moins mieux motiver leur décision actuelle

Rédaction: Eva Tessens et Koen De Backer

Traduction : Alizée Lust et Pauline Vanhorenbeke

[1] Règlement UE n°576/2013 du Parlement européen et du conseil du 13 juin 2013 relatif aux mouvements non commerciaux d’animaux de compagnie et abrogeant le règlement (CE) n°998/2003 et A.R. 13.12.2014 relatif aux règles vétérinaires régissant les mouvements des chiens, chats et furets, M.B. 29.12.1014

[2] Loi du 14 août 1986 relative à la protection et au bien-être des animaux, M.B. 03.12.1986.

[3] Conseil d’Etat, 8 mai 2020, RG 247/513, Selena ALI c. AFSCA.

[4] A.R. 13.12.2014 relatif aux règles vétérinaires régissant les mouvements des chiens, chats et furets, M.B. 29.12.1014.

[5] A.R. du 18.09.2016 relatif à la prévention et à la lutte contre la rage, M.B. 17.10.2016.

[6] Conseil d’Etat, 8 mai 2020, RG 247/513, Selena ALI c. AFSCA.

[7] A.R. du 22.02.2001 organisant les contrôles effectués par l’Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire et modifiant diverses dispositions légales, M.B. 28.02.2001.

[8] Loi du 24 mars 1987 relative à la santé des animaux, M.B. 17.04.1987.

[9] Loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs, M.B., 12 septembre 1191, 19.976.

[10] Art. 35 Règlement (Eu) n° 576/2013 du Parlement européen et du Conseil du 12 juin 2013 relatif aux mouvements non commerciaux d’animaux de compagnie ; A.R. 13 décembre 2014 relatif aux règles vétérinaires régissant les mouvements des chiens, chats et furets, M.B., 29 décembre 2014, 106336.

Niet-essentiële verplaatsingen waren verboden in coronatijden, net zoals het verbod op samenscholing. Deze maatregelen hadden vanzelfsprekend ook effect op het appartementsrecht én dan voornamelijk op het tijdstip van de Algemene vergadering die normaliter jaarlijks rond dezelfde periode moet gehouden worden. De veiligheidsvoorschriften gerelateerd aan het Covid-19 pandemie lieten niet toe dat mede-eigenaars op een fysieke manier nog deelnemen aan de algemene vergaderingen van mede-eigenaars.
Artikel 577-4 BW bepaalt dat de Algemene vergadering van mede-eigenaars steeds moet gehouden worden in de 15-daagse periode die wordt vastgelegd in het (verplichte) reglement van inwendige orde.
Dit was in de huidige coronaproblematiek niet zo evident en riep dan ook veel vragen op.
Aanvankelijk werd geoordeeld dat uitstel mogelijk was, nu er geen sanctie is voorzien in geval de algemene vergadering niet tijdig wordt gehouden, rekening houdend met wat voorzien is in het reglement van interne orde. Er bestond wel een gevaar voor de eventuele beroepsaansprakelijkheid van de syndici, indien zij zich niet hielden aan de regelgeving omtrent het houden van de Algemene vergaderingen.
Via het Konink Besluit nr. 4 dd. 9 april 2020 (update via KB dd. 28.04.2020) houdende diverse bepalingen inzake mede-eigendom en het vennootschaps- en verenigingsrecht in het kader van de strijd tegen de Covid-19 pandemie is hierover duidelijkheid gekomen.
Algemene vergaderingen die de veiligheidsvoorschriften kunnen garanderen, mogen gewoon plaatsvinden. Dit kan bijvoorbeeld in kleinere appartementsgebouwen of door middel van stemming via volmachten enzovoort.
Algemene vergadering van mede-eigenaars die niet kunnen voldoen aan de veiligheidsvoorschriften gerelateerd aan Covid-19 (bv. minimale afstand van 1,5 meter) worden uitgesteld en moeten gehouden worden binnen vijf maanden na het verstrijken van de crisisperiode (op dit ogenblik van 10 maart 2020 tot 30 juni 2020 (aanvankelijk was dit 3 mei 2020)). Concreet betekent dit dat (voorlopig) algemene vergaderingen moeten plaatsvinden uiterlijk op 30 november 2020.
Men moet wel rekening houden met het gegeven dat er een kans bestaat dat het quorum overeenkomstig artikel 577-6, §5 BW niet wordt bereikt, waarna een hernieuwde vergadering moet worden bijeengeroepen (oproepingstermijn 15 dagen). Het is dus aangewezen de eerste algemene vergadering bijeen te roepen uiterlijk eind oktober 2020.
Van belang is dat tijdens dit uitstel de continuïteit van de mede-eigendom wordt verzekerd: de mandaten van de syndicus en de leden van de raad van mede-eigenaars worden verlengd tot bij de eerstvolgende algemene vergadering.
De syndicus oefent zijn bevoegdheden uit overeenkomstig de beslissingen van de laatste algemene vergadering en in overeenstemming met de op die vergadering goedgekeurde
Studio | Legale Pagina | 2
begroting. Zo behoudt de syndicus zijn vergoeding en kunnen provisies in afwachting van een nieuwe algemene vergadering worden opgevraagd.
Voor dringende beslissingen, die niet kunnen wachten op een vergadering na de coronacrisis, kan de syndicus zich steeds beroepen op art. 577-9 § 1 BW. Om dringende redenen of tot bewaring van rechten met betrekking tot de gemeenschappelijke delen mag de syndicus beslissingen nemen in het voordeel van de VME. De syndicus dient nadien zo snel als mogelijk bekrachtiging krijgen van deze handelingen door de Algemene Vergadering.
Tot slot weze het nog opgemerkt dat de schriftelijke procedure voor het maken van beslissingen buiten de algemene vergadering om, zoals voorzien in artikel 577-6, § 11 BW mogelijk blijft. In voorkomend geval moet er wel unanimiteit zijn tussen de mede-eigenaars.
De organisatie van de vergadering via telefonische of videoconferentie kan deel uitmaken van deze schriftelijke procedure.
Nota bene: Algemene vergaderingen die sinds 10 maart 2020 nog rechtsgeldig werden georganiseerd, behouden hun rechtsgeldigheid.

Moest U toch nog vragen of problemen hebben, aarzel niet om ons te contacteren!

—————————————————————-

LE DROIT DE COPROPRIETE EN PERIODE DE CORONA

Les déplacements non essentiels sont interdits en période de corona, tout comme l’interdiction de se rassembler. Bien entendu, ces mesures ont également eu un effet sur le droit de copropriété, en particulier au moment de l’assemblée générale, qui doit normalement se tenir chaque année à la même période. Les règles de sécurité liées à la pandémie Covid-19 ne permettaient pas aux copropriétaires de participer physiquement aux assemblées générales des copropriétaires.
L’article 577-4 du code civil dispose que l’assemblée générale des copropriétaires doit toujours se tenir pendant la période de 15 jours prévue dans le règlement intérieur (obligatoire).
Cela n’était pas si évident dans les problèmes de corona actuels et a donc soulevé beaucoup de questions.
Au départ, il a été considéré que le report était possible, car aucune sanction n’était prévue au cas où l’assemblée générale ne se tiendrait pas à temps, compte tenu de ce qui est prévu dans le règlement intérieur. Il y avait cependant un risque pour la responsabilité professionnelle éventuelle des syndics s’ils ne respectaient pas les règles concernant la tenue des assemblées générales.
L’arrêté royal n° 4 du 9 avril 2020 (mis à jour par l’arrêté royal du 28.04.2020) portant des dispositions diverses en matière de copropriété et de droit des sociétés et des associations dans le cadre de la lutte contre la pandémie Covid-19, a permis de clarifier ce point.
Les assemblées générales qui peuvent garantir les règles de sécurité peuvent simplement avoir lieu. Cela peut se faire, par exemple, dans les petits immeubles d’habitation ou en votant par procuration, etc.
Les assemblées générales des copropriétaires qui ne peuvent pas respecter les règles de sécurité relatives au Covid-19 (par exemple, une distance minimale de 1,5 mètre) sont reportées et doivent être tenues dans les cinq mois suivant la fin de la période de crise (actuellement du 10 mars 2020 au 30 juin 2020 (initialement le 3 mai 2020)). Concrètement, cela signifie que les assemblées générales (provisoires) doivent avoir lieu au plus tard le 30 novembre 2020.
Toutefois, il faut tenir compte du fait qu’il y a une chance que le quorum ne soit pas atteint conformément à l’article 577-6, §5 du Code civil, après quoi une nouvelle assemblée doit être convoquée (délai de convocation de 15 jours). Il convient donc de convoquer la première assemblée générale au plus tard à la fin du mois d’octobre 2020.
Il est important d’assurer la continuité de la copropriété pendant ce report : les mandats du syndic et des membres du conseil des copropriétaires seront prolongés jusqu’à la prochaine assemblée générale.
Le syndic exerce ses pouvoirs conformément aux décisions de la dernière assemblée générale et dans le respect du budget approuvé lors de cette assemblée. Ainsi, le syndic conserve sa rémunération et des commissions peuvent être demandées en attendant une nouvelle assemblée générale.
Studio | Legale Pagina | 2
Pour les décisions urgentes, qui ne peuvent attendre une réunion après la crise du corona, le syndic peut toujours invoquer l’article 577-9 § 1 du Code civil. Pour des raisons urgentes ou pour la préservation des droits relatifs aux parties communes, le syndic peut prendre des décisions en faveur de l’assemblée générale des coprorpiétaires. Le syndic doit ensuite obtenir la ratification de ces actes par l’assemblée générale dans les meilleurs délais.
Enfin, il convient de noter que la procédure écrite de prise de décision en dehors de l’assemblée générale, prévue à l’article 577-6 § 11 du code civil, reste possible. Tout
efois, le cas échéant, l’unanimité des copropriétaires est requise.
L’organisation de la réunion par téléphone ou vidéoconférence peut faire partie de cette procédure écrite.

Si vous avez des questions ou des problèmes, n’hésitez pas à nous contacter!
Note : Les assemblées générales qui sont légalement organisées depuis le 10 mars 2020 restent valables.

Een blanco strafregister voor 75 euro?

In een artikel van 20 mei 2020 deed Knack een factcheck, waarbij werd nagegaan of het mogelijk was om voor 75 euro je strafregister te laten wissen.[1] Een website bood dergelijke procedure voor die prijs aan, doch het blijkt dat voor deze prijs er enkel een verzoekschrift werd gestuurd aan de procureur des Konings. Sinds de wet van 25 december 2016[2] moet de aanvrager tot eerherstel evenwel zelf alle nodige documenten en bewijzen aanbrengen, om de procedure tot een goed einde te kunnen brengen. Sindsdien volstaat het louter toezenden van een verzoekschrift niet meer om enige kans te maken op een effectief eerherstel. De factcheck van Knack klopt dus, wanneer deze stelt dat je niet voor 75 euro zomaar je strafregister kan laten wissen.

Wat staat er eigenlijk op mijn strafregister?

Vooreerst moet een onderscheid gemaakt worden tussen enerzijds het strafregister en anderzijds het uittreksel uit het strafregister. In de volksmond worden deze twee begrippen te snel als hetzelfde aanzien, maar er is een essentieel verschil. Het strafregister bevat alle veroordelingen die door een strafrechter worden uitgesproken, maar ook elke toekenning van een opschorting van uitspraak of minnelijke schikking. Enkel de zogenaamde onmiddellijke inning (bijvoorbeeld een snelheids- of verkeersboete) wordt niet vermeld op het strafregister. Het uittreksel uit het strafregister, wat het vroeger bewijs van goed gedrag en zeden vervangt, bevat minder informatie. Zo zal bijvoorbeeld een opschorting of een veroordeling tot een werkstraf niet verschijnen op het uittreksel uit het strafregister dat u kan opvragen bij uw lokale overheid. Een veroordeling wordt overigens pas vermeld op het strafregister zodra deze definitief is, wat wil zeggen van zodra er geen (cassatie)beroep meer mogelijk is tegen deze veroordeling.

Een blanco uittreksel uit het strafregister is vereist voor verschillende overheidsfuncties of bepaalde gereglementeerde beroepen (bijvoorbeeld advocaten, bewakingsagenten, …). Voor een private werkgever is het evenwel verboden om van een sollicitant een uittreksel van zijn strafrechtelijk verleden op te vragen. Enkel indien de wet dit voorziet, kan een uittreksel uit het strafregister worden gevraagd door een werkgever.

De strafrechter zal bij een veroordeling steeds rekening houden met het integrale strafregister en dus niet met het loutere uittreksel ervan. Een blanco uittreksel is immers niet hetzelfde als een blanco strafregister. Hoe gunstiger het strafrechtelijk verleden, hoe meer kans op een milde bestraffing. Voor het toekennen van een opschorting van uitspraak of een uitstel van tenuitvoerlegging is het strafregister zelfs bepalend. Om de gunst van de opschorting te kunnen verkrijgen mag de beklaagde immers niet veroordeeld zijn tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan 6 maanden. Om een uitstel te kunnen verkrijgen, mag de beklaagde nog niet veroordeeld zijn tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan 12 maanden.

Hoe kan ik dan wel terug een blanco strafregister verkrijgen?

Een foute beslissing of een jeugdige misstap kan voor eeuwig je strafregister ontsieren. Dit kan enkele nadelige en vervelende gevolgen hebben. Zo kan het er voor zorgen dat je voor sommige functies niet meer in aanmerking komt, omdat een blanco uittreksel vereist wordt. Ook kan je bij een nieuwe veroordeling zwaarder gestraft worden, omdat de rechter rekening houdt met je eerdere veroordeling(en).

Het is een vaak gehoorde misopvatting dat alle veroordelingen uitgesproken door een politierechtbank automatisch na drie jaar van je strafregister verdwijnen. Deze automatische uitwissing is beperkt tot de politiestraffen, dus de veroordelingen tot maximaal 7 dagen gevangenisstraf en ten hoogste 25 euro geldboete. De meeste veroordelingen die worden uitgesproken door de politierechtbank gaan dit te boven en vallen dus niet onder de automatische uitwissing..!

Voor alle andere veroordelingen bestaat er een procedure tot herstel in eer en rechten, of kortweg: eerherstel. Dit is een rechterlijke procedure die er voor zorgt dat u terug een blanco strafregister bekomt. Om in aanmerking te komen voor een eerherstel schrijft de wet enkele voorwaarden voor.

Vooreerst moet de opgelegde straf volledig ondergaan zijn. Dit wil zeggen dat de opgelegde gevangenisstraffen moeten uitgezeten worden, dat de opgelegde geldboetes en verbeurdverklaringen van vermogensvoordelen volledig moeten betaald zijn, dat alle veroordelingen tot (gerechts)kosten moeten betaald zijn en dat alle opgelegde schadevergoedingen aan burgerlijke partijen volledig moeten betaald zijn. Vooral bij de betaling van de gerechtskosten en/of schadevergoedingen durft het al eens mislopen.

Het eerherstel kan pas aangevraagd worden nadat een welbepaalde proefperiode is verstreken. Deze proefperiode begint pas te lopen nadat de volledige straf werd ondergaan. De duur van de proeftijd varieert naargelang de situatie:

  • Bij een veroordeling tot maximum 5 jaar gevangenisstraf bedraagt de proeftijd 3 jaar.
    • Indien evenwel bij deze veroordeling de wettelijke herhaling werd vastgesteld, bedraagt de proeftijd minstens 6 jaar.
  • Bij een veroordeling van meer dan 5 jaar gevangenisstraf bedraagt de proeftijd 5 jaar.
    • Indien evenwel bij deze veroordeling de wettelijke herhaling werd vastgesteld, bedraagt de proeftijd minstens 10 jaar.
  • Indien reeds een eerherstel is verkregen, kan er pas een nieuw eerherstel worden bekomen na ten minste 10 jaar na het vorige eerherstel.

Met een voorwaardelijke veroordeling wordt in de proeftermijn geen rekening gehouden. Indien u dus tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 jaar wordt veroordeeld, begint uw proeftermijn al te lopen vanaf de dag na de uitspraak. Ten aanzien van een straf met uitstel mag de proeftijd niet minder bedragen dan de duur van het uitstel. Dus indien u veroordeeld bent tot een straf met uitstel van uitvoering gedurende 5 jaar, bedraagt uw proeftermijn minstens 5 jaar en dus niet 3 jaar.

Aangezien ook rechtspersonen een strafregister kunnen bezitten, kunnen ook zij een aanvraag tot eerherstel indienen. De voorwaarden zijn min of meer analoog aan die van de natuurlijke personen.

Méér dan een eenvoudig verzoekschrift…

Nadat aan alle voorwaarden is voldaan, kan u of uw advocaat de aanvraag richten tot de procureur des Konings van uw woonplaats of maatschappelijke zetel. Deze aanvraag moet worden voorzien van een kopie van uw strafregister, een voor éénsluidend verklaard afschrift van al uw veroordelingen met attest ‘afwezigheid van beroep’, een betalingsbewijs van alle kosten en schadevergoedingen en een motiveringsbrief waaruit blijkt dat u nu een goed en verbeterd gedrag vertoont.

Indien u ooit werd veroordeeld wegens zedenfeiten (aanranding, verkrachting, bederf van jeugd, prostitutie, openbare zedenschennis, bezit kinderpornografie, …) is er een bijkomende vereiste dat u over een advies van een psychiater of psychiatrische dienst gespecialiseerde in seksuele delinquentie beschikt. Hierbij moet deze psychiater gemotiveerd advies verlenen over onder meer de kans op herval en eventuele noodzakelijke behandelingen en/of begeleidingen. Ons kantoor werkt daarvoor samen met een vaste deskundige, maar uiteraard kan u zel
f daarvoor een psychiater contacteren.

Het eerherstel is ten slotte een rechterlijke beslissing en geen automatisch recht. Een rechterlijke instantie, met name de Kamer van Inbeschuldigingstelling, zal oordelen of aan alle voorwaarden is voldaan én of het opportuun is om u een eerherstel te verlenen. Zij zal zich daarbij laten leiden door het advies van de procureur des Konings en de procureur-generaal. Indien de rechter dit noodzakelijk acht, kan zij de aanvrager en diens advocaat oproepen op de zitting om toelichting te geven of om de verzoeker verder te horen over zijn motivatie en levenswandel. Bij een gunstige beslissing zal uw strafregister effectief terug blanco gemaakt worden.

Moest u nog vragen hebben of indien u bijstand wenst bij een aanvraag tot herstel in eer en rechten, aarzel niet om onze specialisten ter zake te contacteren:  info@studio-legale.be

Medialinks:

https://www.knack.be/nieuws/factchecker/factcheck-nee-je-krijgt-geen-blanco-strafblad-voor-75-euro/article-normal-1601627.html

https://justitie.belgium.be/nl/themas_en_dossiers/straffen_en_boetes/strafregister

[1] https://www.knack.be/nieuws/factchecker/factcheck-nee-je-krijgt-geen-blanco-strafblad-voor-75-euro/article-normal-1601627.html

[2] Wet van 25 december 2015 tot wijziging van de rechtspositie van de gedetineerden en van het toezicht op de gevangenissen en houdende diverse bepalingen inzake justitie, BS 30 december 2016

FAVV beveelt euthanasie op katje afkomstig uit Peru

Afgelopen week verscheen er een opvallend bericht in de krant.

Een Belgische studente wou een jong katje meebrengen uit Peru. Het dier was aldaar gechipt en gevaccineerd, ook tegen hondsdolheid.

De regelgeving[1] bepaalt dat zo’n dier gedurende 3 maanden in quarantaine dient te blijven vooraleer het naar een andere land kan worden overgebracht. Dit om een risico op besmetting volledig uit te sluiten.

De FOD Volksgezondheid stelt op haar website dat een afwijking van de regel kan worden toegestaan in geval van een noodsituatie zoals een natuurramp of een politieke instabiliteit die een onmiddellijke repatriëring noodzakelijk maakt.  Hiervoor dient men een aanvraag in te dienen bij het Federaal Agentschap van de Veiligheid voor de Voedselketen (FAVV). Een coronapandemie zou een afwijking mogelijk kunnen maken.

De studente had deze aanvraag tot afwijking ook ingediend bij het FAVV terwijl ze nog in Peru was, maar het FAVV oordeelde dat er een te hoog risico op hondsdolheid (rabiës) aanwezig was. Het FAVV motiveerde dit onder meer op basis van de kennis dat Peru een hoog risicoland is voor hondsdolheid. In het stadje Cuzco – waar het katje werd aangetroffen – werd zelfs nog recent hondsdolheid vastgesteld. Bovendien was er geen enkele informatie gekend over de voorgeschiedenis van katje Lee, die pas op 10 februari 2020 in een tuintje ergens in Peru werd gevonden. Het katje werd waarschijnlijk rond 10 november 2019 geboren, maar niemand weet in welke omstandigheden, waar en welke contacten er zijn geweest. Nadien zou er met zekerheid contact zijn geweest van katje Lee met andere katten in Peru in een plaatselijk “kattencafé”. Over deze andere katten is niet geweten of zij mogelijks besmet waren met hondsdolheid.

Het katje werd ter plaatse wel degelijk ingeënt tegen hondsdolheid, doch pas op 24 maart 2020. Dit was slechts 3 dagen voordat de eigenares aan het FAVV een uitzondering vroeg om het katje mee te nemen naar België. Daarover oordeelde het FAVV dat een vaccinatie geen bescherming biedt, als het dier al geïnfecteerd zou zijn. De incubatietijd voor hondsdolheid is gemiddeld 20 tot 60 dagen, reden waarom er een quarantaine van 3 maanden wordt vooropgesteld.

De studente had vanwege de coronapandemie echter maar één laatste kans op repatriëring naar België en besloot om, in weerwil van de negatieve beslissing van het FAVV, het katje begin april 2020 toch mee te nemen naar België.

Eenmaal hier ontving ze een bevel tot euthanasie van het FAVV. Omdat er een risico bestond dat het katje hondsdolheid kon hebben, oordeelde het FAVV dat het dier moest worden ingeslapen.

Vlaams minister van Dierwelzijn Ben Weyts stelt zich in de media vragen bij de aanpak van het FAVV. Volgens artikel 1 van de Dierenwelzijnswetgeving[2] mag niemand handelingen plegen waardoor een dier zonder noodzaak omkomt. Zo stelt hij dat er in dit geval geen noodzaak is, omdat het dier perfect hier in België in quarantaine geplaatst kan worden. Hij sluit wel niet uit dat de studente gestraft zal worden voor het illegaal importeren van een dier, maar vindt de euthanasie niet noodzakelijk. Een online petitie leverde zelfs al bijna 30.000 handtekeningen op na enkele dagen.

In haar arrest van 8 mei 2020 oordeelde de Raad van State hierover reeds dat een euthanasie, die opgelegd wordt door een Europese verordening, geen schending uitmaakt van de Dierenwelzijnswet.[3]

Het KB van 13 december 2014[4] bevat geen expliciete sanctie voor bij het schenden van de voorgeschreven verplichtingen door particulieren bij de invoer van dieren. Deze sanctie werd enkel voorzien bij commerciële verplaatsingen, dus door professionelen zoals fokkers. Evenwel lijkt het evident dat de maatregelen die daar werden voorzien, ook kunnen toegepast worden op particulieren.

De publieke vraag is of het FAVV echt geen andere optie heeft dan de euthanasie. Artikel 12 van het KB stelt dat er bij een overtreding drie opties zijn, namelijk de terugzending naar land van herkomst, de quarantaine of de euthanasie. Voor de euthanasie wordt uitdrukkelijk gesteld dat het enkel mag toegepast worden, voor zover een terugzending of quarantaine niet uitvoerbaar zouden zijn. Het is zodoende slechts een laatste redmiddel, een ultimum remedium.

Belangrijke nuance evenwel is dat het niet over zomaar een potentiële besmetting gaat, maar over hondsdolheid. Dit is een ziekte die bij mens en dier altijd dodelijk is, zodra er symptomen opduiken. Het KB van 18 september 2016[5], dat zich specifiek richt op de beveiliging tegen hondsdolheid, legt daarom een risicoanalyse op voor verdachte dieren. Indien de risicoanalyse wijst op een hoog risico, moet de euthanasie bevolen worden. Het FAVV heeft deze risicoanalyse uitgevoerd en kwam tot de conclusie dat euthanasie de enige veilige oplossing was. Deze beslissing werd aangevochten door de eigenares bij de Raad van State, maar deze laatste wees dit beroep af als ongegrond.[6]

Vervolgens weigerde de eigenares katje Lee over te dragen aan het FAVV, noch bood zij het diertje aan voor euthanasie. Het FAVV deed uiteindelijk zelfs een huiszoeking in de ouderlijke woning van de studente, maar konden het katje daar niet aantreffen.

In de uitoefening van al haar bevoegdheden, kan het FAVV immers enkele controle- en opsporingshandelingen stellen. Bij Koninklijk Besluit zijn zij bijvoorbeeld gemachtigd om huiszoekingen uit te voeren.[7] De beëdigde ambtenaren van het FAVV kunnen op elk moment een huiszoeking uitvoeren in een lokaal of ruimte, waar zich producten of dieren bevinden die onder hun controle vallen of om bewijzen te verzamelen. Als de huiszoeking plaatsvindt in een particuliere woning, dan kan dit enkel tussen 5 uur en 21 uur, na voorafgaande machtiging door een politierechter.

Daarnaast schrijft de vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens nog enkele vereisten voor. Een huiszoeking is immers een afwijking op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat het recht op het privé- en familieleven beschermt. De huiszoeking mag enkel plaatsvinden als dit voorzien is bij wet, noodzakelijk is voor het onderzoek, proportioneel is en voldaan is aan het subsidiariteitsbeginsel.

De mogelijkheid tot huiszoeking door het FAVV is voorzien bij KB, wat volstaat als wet. Met noodzakelijk wordt bedoeld dat deze onderzoekshandeling enkel mag plaatsvinden, wanneer dit effectief nodig is voor het onderzoek en/of voor bewijsvergaring. Een huiszoeking om iemand onder druk te zetten is bijvoorbeeld niet toegelaten. Met proportioneel wordt bedoeld dat de ingrijpende onderzoekshandeling in verhouding moet staan met het misdrijf. Het mag dus niet lichtzinnig aangewend worden voor kleine inbreuken. Tot slot is er de subsidiariteit, wat betekent dat de huiszoeking enkel en alleen mag uitgevoerd worden als er geen enkele minder ingrijpende onderzoeksmaatregel ter beschikking is, die tot hetzelfde resultaat zou leiden. Of al deze voorwaarden in dit concreet geval vervuld waren, zal naar alle waarschijnlijkheid voorafgaandelijk zijn afgetoetst geweest door
de politierechter.

Het FAVV ging uiteindelijk over tot dagvaarding in kort geding. De zaak werd op 15 mei ingeleid. Het FAVV vordert een dwangsom van € 5.000,00 per uur dat het katje niet wordt overgedragen voor euthanasie.

Over een eventuele strafrechtelijke vervolging, zal de procureur des Konings moeten beslissen. De straffen die geriskeerd worden door de eigenaar staan opgesomd in de Dierengezondheidswet.[8] Indien het katje effectief andere dieren zou besmetten, dan riskeert de invoerster zelfs een gevangenisstraf tot 5 jaar en/of een geldboete tot 80.000 euro (na opdeciemen). Het loutere niet-naleven van de maatregel, zonder besmettingen tot gevolg, kan bestraft worden met een geldboete van 800 tot 40.000 euro (na opdeciemen). Opvallend genoeg kan de rechter ook bijkomend de verbeurdverklaring van het katje bevelen. Het is dus theoretisch mogelijk dat als het katje niet wordt geëuthanaseerd, ze nadien toch nog kan worden afgenomen als strafsanctie. Voor alle duidelijkheid, dit maakt nog niet het voorwerp uit van het debat in kortgeding.

De zaak werd voorlopig uitgesteld naar 29 mei zodat partijen conclusies kunnen uitwisselen.

Wordt ongetwijfeld vervolgd…

Redactie : Eva Tessens en Koen De Backer

[1] Verordening (EU) Nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren ; KB 13 december 2014 houdende de veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van honden, katten en fretten, BS 29 december 2014, 106336.

[2] Wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, BS 3 december 1986, 16382.

[3] Raad van State 8 mei 2020, AR 247.513, Selena ALI tegen FAVV

[4] KB 13 december 2014 houdende de veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van honden, katten en fretten, BS 29 december 2014

[5] KB 18 september 2016 houdende de preventie en bestrijding van de hondsdolheid, BS 17 oktober 2016.

[6] Raad van State 8 mei 2020, AR 247.513, Selena ALI tegen FAVV

[7] KB 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen, BS 28 februari 2001.

[8] Artikel 23 Dierengezondheidswet van 24 maart 1987, BS 17 april 1987.

ONBELAST BIJVERDIENEN

Door middel van de Wet van 18 juli 2018 “betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie”1en de Wet van 30 oktober 2018 “tot wijziging van de wet van 18 juli 2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesieen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992”2werd het mogelijk gemaakt om per jaar 6.340 euro onbelast bij te verdienen. Deze regeling werd evenwel op donderdag 23 april 2020 door het Grondwettelijk Hof vernietigd…

De beide wetten gevende mogelijkheid aan iedereen die in hoofdberoep zelfstandige, werknemer, ambtenaar, of gepensioneerde is, om per jaar tot 6.340 euro bij te verdienen in het kader van diensten verleend via erkende elektronische platforms, het verenigingswerken de occasionele diensten tussen burgers.Deze regeling werd door verschillende sportfederaties op applaus onthaald. Zij merkten namelijk steeds vaker dat mensen, en vooral jongeren, afhaakten als trainer/coach of scheidsrechter aangezien de vergoedingen zeer laag waren. Door middel van deze wet konden zij overgaan tot het geven van hogere vergoedingen, zonder dat er belastingen moestenbetaald worden op deze vergoedingen.

Reeds voor de goedkeuring van de wet stelden het Neutraal Syndicaat voor Zelfstandigen(NSZ) en ondernemersorganisatie Unizo onder andere in Trends dat de wettelijke regeling zou leiden tot oneerlijke concurrentie. Desondanks zette de wetgever haar plannen voort.Verschillende beroepsorganisaties en vakbonden gingen niet akkoord met deze regeling en trokken dan ook naar het Grondwettelijk Hof. Zij stelden dat deze wet een onnodig onderscheid maakte tussen personen die dezelfde activiteiten uitoefenen. Zij zagen geen redelijke verantwoording in de verschillende behandeling op het vlak van de arbeidswetgeving, de fiscaliteit en de sociale zekerheid.

 

Statuut verenigingswerker

Het Grondwettelijk Hof beoordeelde elk van de drie manieren van onbelast bijverdienen, afzonderlijk. In de eerste plaats bekeek het de regeling omtrent het statuut vande verenigingswerkers. Het Hof stelde dat er geen objectief criterium is om een onderscheid te maken tussen verenigingswerkers en vrijwilligerswerkers. De beoogde activiteiten zijn namelijk vergelijkbaar, maar toch werd er onnodig een verschillend wetgevend kader ontwikkeld voor beide groepen.

 

Sociale en fiscale bijdragen

Ten tweede werd devrijstelling van sociale en fiscale bijdragen voor verenigingswerkers en occasionele dienstverleners onderzocht. De argumentatie van de ministerraad was, onder andere, gestoeld op het feit dat deze regeling ervoor zou zorgen dat er minder mensen voor ‘zwartwerk’ zouden opteren. Het Grondwettelijk Hof heeft echter de mening dat deze regeling er net voor zorgt dat personen eenvoudiger vrijgesteld worden van de sociale en fiscale bijdragen. Zo zal een vzw die een parttime medewerker tewerk stelt in sommige gevallen ervoor kunnen kiezen deze als verenigingswerker in te schrijven, terwijl deze voorheen als personeelslid zou worden ingeschreven. Voor de occasionele dienstverlening zorgt deze regeling ervoor dat een zelfstandige in bijberoep die wel belastingen betaalt in sommige gevallen ook onder de regeling van de occasionele dienstverlener, die geen belastingen betaalt, zou kunnen vallen.Het Grondwettelijk Hof oordeelt dan ook dat personen die in normale omstandigheden aan de sociale zekerheid en de fiscale verplichtingen onderworpen zouden zijn, door middel van deze regeling vrijgesteld worden van al die verplichtingen.Dit zou tot oneerlijke concurrentie kunnen leiden.

 

Diensten via erkende elektronische deelplatforms

Door middel van de programmawet van 1 juli 20163werd een nieuw statuut ontwikkeld voor personen die activiteiten uitoefenden in de deeleconomie.De wet van 18 juli 2018 voegde echter ook een regeling toe voor diensten via erkende elektronische deelplatforms. Het onderscheid tussen beide is volgens het Grondwettelijk Hof zeer beperkt. Er zijn dan ook geen objectieve redenen om een onderscheid tussen beide categorieën te maken op het vlak van de arbeidswetgeving, de sociale zekerheid en de fiscale verplichtingen.Dit onderscheid kan volgens het Grondwettelijk Hof ertoe leiden dat er oneerlijke concurrentie gevoerd zal worden. Zo kan de ene partij hetzelfde werk aanbieden als de andere partij, terwijl de ene hierop belastingen dient te betalen en de andere niet. Dit zou leiden tot een concurrentieel oneerlijke situatie.

 

Gevolgen

Het Grondwettelijk Hof heeft besloten dat de wet van 18 juli 2018 en de wet van 30 oktober 2018 vernietigd dienen te worden. Wat betreft de gevolgen van deze wetten, oordeelt het Hof dat deze gehandhaafd dienen te worden voor de activiteiten geleverd tot en met 31 december 2020.De wetgever dient nu te kiezen wat er juist zal gebeuren. De bedoeling van deze wet was namelijk mensen de mogelijkheid te bieden om meer onbelast te kunnen bijverdienen.

Er kan gekozen worden om de reeds bestaande regelingen voor onder andere vrijwilligers te blijven toepassen en het dus niet mogelijk te maken om meer onbelast bij te verdienen.De wetgever kan echter ook op zoek gaan naar een manier waarop de beoogde categorieën alsnogonbelast kunnen bijverdienen. Deze optie lijkt echter zeer moeilijk aangezien er op het vlak van de sociale en fiscale bijdragen al snel een onderscheid zal gemaakt dienen te worden tussen vergelijkbare categorieën dat als ongeoorloofd zal aangemerkt worden. Zo zal bijvoorbeeldeen parttime medewerker in een VZWdie 1 à 2 dagen per week werkt endie wel belastingen betaalt bij een verhoging van het onbelast bijverdienen, concurrentie krijgen van een vrijwilliger die geen belastingen betaalt.Zoals het NSZstelt, zal zelfs een lightversie van de wet dan ook niet acceptabel zijn.Minister van Financiën Alexander De Croo gaf in De Standaard reeds te kennen dat voor personen actief in de deeleconomie vanaf 2021de wettelijke regeling van 2016 weer van toepassing zal zijn.Unizo geeft echter aan in Trends dat ook in deze regeling zeer veel onduidelijk omtrent het statuut bestaaten bekijkt of er eventueel stappen ondernomen zullen worden tegen deze regeling.

 

1. Wet 18 juli 2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie, BS 26 juli 2018, 59203.

2. Wet 30 oktober 2018 tot wijziging van de wet van 18juli 2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie en van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, BS 12 november 2018, 86669.

3. Art. 22, Programmawet 1 juli 2016, BS 4 juli 2016, 40970.

 

—————————————-

REVENUS NON IMPOSES

La loi du 18 juillet 2018 “relative à la re
lance économique et au renforcement de la cohésion sociale”1et la loi du 30 octobre 2018 “modifiant la loi du 18 juillet 2018 relative à la relance économique et au renforcement de la cohésion sociale et le Code des impôts sur les revenus 1992″2ont permis de gagner 6 340 euros non imposables par an. Cependant, ce régime a été annulé par la Cour constitutionnelle le jeudi 23 avril 2020 ..

Les deux lois permettent à toute personne exerçant une activité indépendante, salariée, fonctionnaire ou retraitée àtitre principal de gagner jusqu’à 6 340 euros par an dans le cadre de services fournis via des plateformes électroniques reconnues, de travail associatif et de services occasionnels entre citoyens.Cet arrangement a été applaudi par plusieurs fédérationssportives. Ils ont de plus en plus remarqué que les gens, surtout les jeunes, abandonnaient leurs fonctions de formateur/entraîneur ou d’arbitre parce que les indemnitésétaient très bas. Grâce à cette loi, ils pourraient procéder à l’octroi de droits plus élevés, sans avoir à payer de taxes sur ces droits.Avant même l’adoption de la loi, le Syndicat neutre pour indépendants (SNI) et l’organisation entrepreneuriale Unizoont déclaré, entre autres, dans Trends, que la réglementation légale entraînerait une concurrence déloyale. Néanmoins, le législateur a poursuivi ses projets.

Diverses organisations professionnelles et syndicats n’étaient pas d’accord avec cetterèglementationet se sont donc adressés à la Cour constitutionnelle. Ils ont fait valoir que cette loi établissait une distinction inutile entre les personnes exerçant les mêmes activités. Ils ne voyaient aucune justification raisonnable à la différence de traitement dans le domaine du droit du travail, de la fiscalité et de la sécurité sociale.

 

Statut de travailleur associatif

La Cour constitutionnelle a évalué séparément chacun des trois modes de revenus supplémentaires non imposés.Elle s’est d’abord penchéesur les règles régissant le statut des travailleurs associatifs. La Cour a déclaré qu’il n’existe pas de critère objectif pour distinguer les travailleurs associatifs des travailleurs bénévoles. En fait, les activités envisagées sont similaires, mais inutilement un cadre législatif différent a été élaboré pour les deux groupes.

 

Cotisations sociales et fiscales

Deuxièmement, l’exonération des cotisations de sécurité sociale et des impôts pour les travailleurs associatifs et les prestataires de services occasionnels a été examinée. L’argumentation du Conseil des ministres se fondait, entre autres, sur le fait que ce systèmepermettrait de réduire le nombre de personnes optant pour le “travail en noir”. Toutefois, la Cour constitutionnelle est d’avis que ce régime faciliterait l’exonération des cotisations de sécurité sociale et des impôts.Ainsi, une ASBL qui emploie un salarié à temps partiel peut, dans certains cas, choisir de s’enregistrer en tant que travailleur associatif, alors qu’elle aurait auparavant été enregistrée en tant que membre du personnel.Pour les prestationsde servicesoccasionnelles, ce régime garantit qu’un travailleur indépendant exerçant une activité professionnelle à titre complémentairequi paie des impôts pourrait, dans certains cas, également relever du régime du prestatairede services occasionnel qui ne paie pas d’impôts.Parconséquent, la Cour constitutionnelle a décidé que les personnes qui, dans des circonstances normales, seraient soumises à des obligations en matière de sécurité sociale et d’impôts sont exemptées de toutes ces obligations par le biais de ce régime. Cela pourrait conduire à une concurrence déloyale.

 

Services via des sous-plateformes électroniques reconnues

Par la loi-programme du 1er juillet 20163, un nouveau statut a été élaboré pour les personnes qui exercent des activités dans l’économie collaborative. Cependant, la loi du 18 juillet 2018 a également ajouté une réglementation pour les services via desplateformescollaborativesélectroniques reconnues. Selon la Cour constitutionnelle, la distinction entre les deux est très limitée. Il n’y a donc aucune raison objective de faire une distinction entre les deux catégories en termes de législation du travail, de sécurité sociale et d’obligations fiscales.Selon la Cour constitutionnelle, cette distinction peut conduire à une concurrence déloyale. Par exemple, une partie peut offrir le même travail que l’autre, alors qu’une partie doit payer des impôts sur ce travail et que l’autre ne le fait pas. Cela conduirait à une situation de concurrence déloyale.

 

Conséquences

La Cour constitutionnelle a décidé que la loi du 18 juillet 2018 et la loi du 30 octobre 2018 devaient être annulées. En ce qui concerne les conséquences de ces lois, la Cour a décidé qu’elles doivent être maintenues pour les activités menées jusqu’au 31 décembre 2020 inclus.Il appartient maintenant au législateur de choisir ce qu’il se passera. L’intention de cette loi était en fait de donner aux gens la possibilité de gagner davantage de revenus supplémentaires non imposés.On pourrait choisir de continuer à appliquer les régimes existants pour les volontaires, entre autres, et donc de ne pas permettre de gagnerdavantage de revenus supplémentaires non imposés.Toutefois, le législateur peut également chercher un moyen pour que les catégories visées puissent encore gagner des revenus supplémentaires non imposés. Toutefois, cette option semble très difficile car,dans le domaine des cotisations sociales et fiscales, il faudra bientôt faire une distinction entre des catégories comparables qui seront considérées comme non-autorisées. Ainsi, un employé à temps partiel d’une ASBL qui travaille 1 ou 2 jours par semaineet qui paie des impôts en cas d’augmentation du revenu supplémentaire non imposé devra entrer en concurrence avec un bénévole qui ne paie pas d’impôts. Comme l’indique le SNI, même une version allégée de la loi ne sera donc pas acceptable.Le ministre des finances Alexander De Croo a déjà déclaré dans De Standaard que pour les personnes actives dans l’économie collaborative, la réglementation légale de 2016 s’appliquera à nouveau à partir de 2021. Toutefois, l’Unizo indique dans Trends que cette règlementationest lui aussi très ambiguëet examine si des mesures seront prises à l’encontre de cette règlementation.

 

1Loi du 18 juillet 2018 relative à la relance économique et au renforcement de la cohésion sociale, M.B., 26 juillet 2018, p. 59203.

2Loi du 30 octobre 2018 modifiant la loi du 18 juillet 2018 relative à la relance économique et au renforcement de la cohésion sociale et le Code des impôts sur les revenus 1992, M.B., 12 novembre 2018, p. 86669.

3Art. 22, Loi Programme du 1 juillet 2016, M.B., 4 juillet 2016, p. 40970.

 

—————————————-

UNTAXED ADDITIONAL INCOME

The Law of 18 July 2018 “on economic recovery and the strengthening of social cohesion” and the Law of 30 October 2018 “amending the Law of 18 July 2018 on economic recovery and the strengthening of social cohesion and the Income Tax Code 1992” made it possible to earn EUR 6,340 untaxed per year. However, this scheme was annulled by the Constitutional Court on Thursday 23 April 2020…

 

UNTAXED ADDITIONAL INCOME

The Law of 18 July 2018 “on economic recovery and the strengthening of social cohesion” and the Law of 30 October 2018 “amending the Law of 18 July 2018 on economic recovery and the strengthening of social cohesion and the Income Tax Code 1992” made it possible to earn EUR 6,340 untaxed per year. However, this scheme was annulled by the Constitutional Court on Thursday 23 April 2020…The two laws allow anyone who is self-employed, employed, civil servant or retired in their main occupation to earn up to EUR 6,340 per year in the context of services provided via recognised electronic platforms, association work and occasional services between citizens.

This scheme has been applauded by various sports federations. Indeed, they increasingly noticed that people, especially young people, dropped out as trainers/coaches or referees as the fees were very low. By means of this law they could proceed to give higher fees, without having to pay taxes on these fees.

Even before the adoption of the law, the Neutral Syndicate for the Self-employed (NSZ) and entrepreneurial organisation Unizostated in Trendsthat the legal regulation would lead to unfair competition. Nevertheless, the legislator continued its plans.

Various professional organisations and trade unions did not agree withthis regulation and went to the Constitutional Court. They argued that this law made an unnecessary distinction between persons carrying out the same activities. They saw no reasonable justification in the different treatment in the field of labour law, taxation and social security.

 

Association Worker Statute

The Constitutional Court assessed each of the three ways of untaxed additional income separately. In the first place, it looked at the rules governing the status of association workers. The Court stated that there is no objective criterion to distinguish differences between association workers and voluntary workers. In fact, the activities envisaged are similar, but unnecessarily a different legislative framework was developed for the two groups.

 

Social and fiscal contributions

Secondly, the exemption from social security and tax contributions for association workers and occasional service providers was examined. The governments’ argumentation was based, among other things, on the fact that this scheme would ensure that fewer people opted for ‘undeclared work’. However, the Constitutional Court is of the opinion that this scheme would make it easier for people to beexempted from social security and tax contributions. For example, a non-profit association that employs a part-time employee will in some cases be able to choose to register as an association worker, whereas previously it would be registered as a staff member. For the occasional provision of services, this scheme ensures that a self-employed person in a secondary occupation who does pay taxes could in some cases also fall under the scheme of the occasional provider of services who does not pay taxes.The Constitutional Court has therefore ruled that persons who would normally be subject to social security and tax obligations are exempted from all these obligations by means of this scheme. This could lead to unfair competition.

 

Services via recognised electronic platforms

By means of the programme law of 1 July 2016, a new statute was developed for persons who exercised activities in the ‘sharing economy’. However, the law of 18 July 2018 also added a regulation for services viarecognised electronic platforms. According to the Constitutional Court, the distinction between the two is very limited. There are therefore no objective reasons to make a distinction between the two categories in terms of labour legislation, social security and tax obligations.According to the Constitutional Court, this distinction could lead to unfair competition. For example, one party may offer the same work as the other party, while one party has to pay taxes on it and the other party does not. Thiswould lead to a competitive unfair situation.

The Constitutional Court has decided that the law of 18 July 2018 and the law of 30 October 2018 should be annulled. With regard to the consequences of these laws, the Court ruled that they must be maintained for activities carried out up to and including 31 December 2020.

It is now up to the legislator to choose what will happen. The intention of this law was in fact to give people the opportunity to earn more untaxed additional income.

A choice could be made to continue to apply the existing schemes for volunteers, among others, and thus not to make it possible to earn more untaxedextra income.

However, the legislator could also look for a way in which the targeted categories could stillearn additional tax-free income. However, this option would appear to be very difficult as, in the area of social security and tax contributions, a distinction will have to be made between similar categories which will be considered to be unlawful. For example, a part-time employee in a non-profit organisationwho works 1 or 2 days a week and who does pay taxes in the event of an increase in the untaxed additional income will have to compete with a volunteer who does not pay taxes. As the NSZ states, even a light version of the law will therefore not be acceptable.

Finance Minister Alexander De Croo already stated in De Standaard that for persons active in the sharing economy from 2021the legal regulation of 2016 will apply again. Unizo, however, indicates in Trends that in this regulation, too, there is a great deal of ambiguity regarding the statute and they arelooking into whether any steps will be taken against this regulation.

 

 

Ziet U door de bomen het bos niet meer door de tsunami aan regeltjes en (fake) news omtrent corona?

We staken met ons multidisciplinair team de koppen (niet te dicht) bij mekaar en maakten bijgaand overzicht van regels/(steun)maatregelen/do’s en don’ts.


De meest voorkomende vragen worden allemaal behandeld.

 

Download hier het pdf bestand: COVID VADEMECUM Vlaanderen (29/05/2020)

Download hier het pdf bestand: COVID VADEMECUM Wallonië (29/05/2020)

Download hier het pdf bestand: COVID VADEMECUM Brussel (29/05/2020)

 

Moest U toch nog vragen of problemen hebben, aarzel niet om ons te contacteren!

 

Mediapublicatie: Madeinantwerpen.be

————————————————————————————————–

 

Tu ne parviens plus à voir la forêt à travers les arbres à cause du tsunami de règles et de (fausses) nouvelles sur le corona ?

Avec notre équipe pluridisciplinaire, nous nous sommes concertés (pas trop près) et nous avons fait le tour d’horizon des règles, des mesures (de soutien), des choses à faire et à ne pas faire.

Les questions les plus courantes sont toutes traitées.

 

Téléchargez ici le fichier pdf du COVID VADEMECUM Vlaanderen (mise à jour au 29/05/2020)

Téléchargez ici le fichier pdf du COVID VADEMECUM Wallonië (mise à jour au 29/05/2020)

Téléchargez ici le fichier pdf du COVID VADEMECUM Brussel (mise à jour au 29/05/2020)

 

Si vous avez des questions ou des problèmes, n’hésitez pas à nous contacter!

 

 

Justitie in corona-tijden

Er is al veel geschreven over de corona-maatregelen binnen justitie. Letterlijk dan. De OVB bundelde alle maatregelen van alle hoven en rechtbanken in België in één document van (momenteel) op de kop 100 pagina’s. Elke rechtbank houdt er zijn eigen regels en maatregelen op na. Vele advocaten, maar ook magistraten en griffiepersoneel, zien door het bos de bomen niet meer.[1]

De leidraad lijkt te zijn om alle fysieke contacten te mijden en om de zittingen en aanwezigheden tot het absolute minimum te beperken. In De Standaard bevestigt Koen Geens dat er vooral getracht wordt om zo weinig mogelijk gedetineerden over te brengen uit de gevangenis naar de zittingen en te werken via de vertegenwoordiging door de advocaat.[2]

In de afzonderlijke richtlijnen van de rechtbanken staat te lezen dat de toegang tot de strafdossiers zal worden beperkt tot enkel de zaken met aangehoudenen en dit enkel door de advocaten zelf. Dus enkel voor hoogdringende dossiers kunnen advocaten nog terecht ter griffie. In de praktijk houdt dit in dat de griffies van de raadkamers, waar de dossiers inzake voorlopige hechtenis dienen ingezien te worden, nog steeds een bijzonder groot verloop van advocaten kent.

Immers is de inzage in lopende gerechtelijke onderzoeken beperkt tot 1 of 2 dagen voorafgaand aan de zitting. Dit in combinatie met de beperkte openingsuren van de griffies, zorgt dat een degelijk spreidingsplan voor de inzages materieel onmogelijk is. De social distance is moeilijk te hanteren op de griffie raadkamer, alle inspanningen ten spijt.

Alle inspanningen?

Hoewel… Misschien moet de uitspraak ‘alle inspanningen ten spijt’ met een korrel zout genomen worden. In veel gerechtelijke arrondissementen worden alle gerechtelijke onderzoeken immers volledig gescand. De inzage gebeurt op de griffie digitaal, op een computerscherm (te bedienen via een meestal niet-ontsmet klavier in een lokaal dat vaak de minimumvereisten van de ‘social distancing’ niet haalt).

Een telefonische rondvraag bij de griffies van de gevangenissen leert ons dat gedetineerden in verscheidene gevangenissen nog steeds zelf hun dossiers kunnen inkijken, maar dan digitaal op een computer in de gevangenissen (om nog te zwijgen van het hardnekkige gerucht dat dit voor de parketmagistraten al lang een verworven recht zou zijn).  Hierover lezen we geen letter in het magnum opus der corona-richtlijnen binnen justitie.

Als de gedetineerden zo gemakkelijk digitaal toegang hebben tot hun strafdossier buiten de griffie, waarom is dit dan niet mogelijk voor hun advocaten? Het voordeel van een digitaal dossier is net het gemak om dit vanop afstand te kunnen consulteren. Dat de toegang vanuit de gevangenis lukt, bewijst dat het technisch mogelijk is om ook toegang te geven aan de advocaat vanop zijn eigen computer.

Van advocaten wordt verwacht dat zij hun conclusies zoveel als mogelijk digitaal toezenden aan justitie (bij voorkeur met e-Deposit en niet met het bespuwde DPA-Deposit, uiteraard). Kan van een justitie die aandringt op een digitale benadering, niet verwacht worden dat zij minstens dezelfde inspanning richting de advocatuur doet? De grote propaganda-oorlog voor het zelf ontworpen e-Deposit-systeem van de rechterlijke orde, staat in schril contrast met het stilzwijgen omtrent de miljoenen-investering in het programma JustScan. Is het nog te verantwoorden dat een programma, waarvoor Justitie diep in de buidel heeft getast, niet in al zijn functionaliteiten wordt benut?

Digitale toegang tot dossiers… beter laat dan nooit?

In elk van de ons omringende landen krijgen de advocaten een digitale toegang tot de dossiers. In Nederland wordt deze gewoon per e-mail doorgezonden aan de advocaat, met vriendelijke groeten erbij. Geen verplaatsingen meer naar de griffie, geen slecht leesbare foto’s meer nemen van computerschermen en geen honderden vingers meer op de toetsen van éénzelfde klavier…

Stel Consult-online[3] eindelijk open voor advocaten vanop hun (thuis-)kantoor. Er zijn geen verplaatsingen meer nodig naar de griffies voor inzages op die manier. Dit kan dan voor zowel de voorlopige hechtenis, als de dossiers ten gronde. De griffies worden maximaal ontlast van de menselijke aanwezigheid van de advocaat, wat ook buiten corona-tijden meegenomen kan zijn.

De grootste struikelblok zou de beveiliging zijn. De griffies zouden zogezegd de controle verliezen over wie effectief inzage neemt in het dossier en het risico op onrechtmatige inzages zou te groot worden. Men vergeet blijkbaar dat het eigen e-Deposit de technologie bevat om advocaten enkel toegang te verschaffen via de elektronische advocatenkaart in combinatie met de persoonlijke pincode. Het kan toch niet moeilijk zijn om de bestaande technologie van het ene programma over te nemen in het andere programma? In tijden waarin we onze bankzaken en belastingaangiftes online doen, kan niet meer voorgehouden worden dat de toegang tot een digitale omgeving niet voldoende beveiligd kan worden. En als er misbruiken zouden zijn, dan zullen die strafrechtelijk en deontologisch aangepakt kunnen worden.

De laatste der quick-wins

De laatste jaren is de term ‘quick-win’ bijzonder populair geworden binnen justitie. Het staat voor een simpele en snelle ingreep die leidt tot een aanzienlijke verbetering van de rechtsgang. Laat de coronacrisis zorgen voor de volgende quick-win en laat advocaten digitale dossiers inkijken vanop hun (thuis-)kantoor. Een maatregel die het fysiek contact van de advocaten met de griffies kan beperken tot het absolute minimum, daar kan toch niemand bezwaar tegen hebben?

Wenst U informatie over dit artikel.  Neem gerust contact met ons op via info@studio-legale.be .

Auteurs:

Christian Clement & Koen De Backer

[1] Zie daarover Knack 23 maart 2020, “Reactie van justitie op corona: traag, verdeeld en inefficiënt”.

[2] De Standaard 24 maart 2020, “Rechtspreken zonder menselijk contact”, www.standaard.be.

[3] Dit is de applicatie om JustScan vanop afstand te consulteren.

Referenties & mediapublicaties:

https://www.dhnet.be/actu/belgique/l-avocate-nathalie-gallant-pousse-un-coup-de-gueule-si-le-ministre-ne-nous-laisse-pas-travailler-via-justscan-la-situation-sera-catastrophique-par-la-suite-5e7c5d3e9978e228414234c0#.XnzCmHJCXy6.whatsapp

https://www.jubel.be/zal-de-coronacrisis-leiden-tot-meer-inzicht-inzage-voor-de-belgische-strafrechtadvocaat/

https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2020/03/21/corona-kan-3-dagen-overleven-op-plastic-maar-
dat-is-lang-niet-h/

https://www.standaard.be/cnt/dmf20200324_04900685

https://www.knack.be/nieuws/belgie/reactie-van-justitie-op-corona-traag-verdeeld-en-inefficient/article-opinion-1579815.html

https://www.studio-legale.be/de-opheffing-van-het-scanverbod-een-voorzichtige-halleluja/?lang=nl

https://www.jubel.be/inzage-belgische-strafdossiers-kijken-mag-nog-kopieren-niet-meer-altijd/

https://www.studio-legale.be/inzage-belgische-strafdossiers-kijken-mag-nog-kopieren-niet-meer-altijd/?lang=nl

Flitscontroles van de sociale inspectie

De sociale inlichtingen- en opsporingsdienst (hierna: SIOD) voert op geregelde tijdstippen sociale flitscontroles uit in verschillende sectoren.

De flitscontroles hebben voornamelijk informatief en preventief karakter en hebben tot doel dat overtreders beseffen dat er een reëel risico is om betrapt te worden. De controles worden daarom aangekondigd op de website van SIOD.

De inspectiediensten zullen nagaan of de arbeidsovereenkomsten in orde zijn, of de lonen correct werden aangegeven etc.

Uiteraard zullen de inspectiediensten verbaliseren en een sanctie opleggen wanneer een zwaarwichtige inbreuk wordt vastgesteld.

Meestal zal een maand na de controle een administratieve controle worden uitgevoerd om na te gaan of de inbreuken werden rechtgezet.

De SIOD maakte bekend dat volgende flitscontroles gepland staan in 2020:

  • Schoonmaaksector: januari 2020
  • Elektrotechnische en bouwsector: maart 2020
  • Horeca: nog te bevestigen
  • Taxi- en vervoerssector: mei 2020
  • Land- en tuinbouwsector: juli 2020
  • Carwashsector: september 2020
  • Vleessector: november 2020 

Wenst U informatie over compliance en regelgeving. Bent U gecontroleerd en werden er inbreuken vastgesteld? Neem gerust contact met ons op via info@studio-legale.be . We doen graag het nodige.

————————————————

Les contrôles flash de l’inspection sociale

Le Service d’information et de recherche sociale (SIRS) effectue régulièrement des contrôles sociaux éclairs dans différents secteurs.

Les contrôles flash sont principalement de nature informative et préventive et visent à faire prendre conscience aux délinquants qu’il existe un risque réel d’être pris. Les contrôles sont donc annoncés sur le site du SIRS.

Les inspections vérifient si les contrats de travail sont en règle, si les salaires ont été correctement déclarés, etc.

Bien entendu, les inspections verbaliseront et imposeront une sanction si une infraction grave est constatée.

En règle générale, un contrôle administratif est effectué un mois après l’inspection pour vérifier si les infractions ont été corrigées.

Le SIRS a annoncé que les contrôles flash suivants étaient programmés en 2020 :

  • Secteur du nettoyage : janvier 2020
  • Secteur électrotechnique et de la construction : mars 2020
  • Horeca : pas encore confirmé
  • Secteur des taxi et des transports : mai 2020
  • Agiculture et horticulture : juillet 2020
  • Secteur du car-wash : septembre 2020
  • Secteur de la viande : novembre 2020

Vous voulez des informations sur la compliance et sur la réglementation. Avez-vous été contrôlé et des infractions ont-elles été identifiées ? N’hésitez pas à nous contacter via info@studio-legale.be . Nous serons heureux de vous aider.

————————————————–

Flash check-ups by the social inspection

The Social Intelligence and Investigation Service (SIOD) regularly carries out social flash check-ups in various sectors.

The flash checks-ups are mainly informative and preventive in nature and aim to make offenders realise that there is a real risk of being caught. The check-ups are therefore announced on the website of SIOD.

The inspection services will check whether the employment contracts are in order, whether the wages have been correctly declared, and so on.

Of course, the inspection services will report and impose a sanction if a serious infringement is detected.

Usually an administrative inspection will be carried out one month after the flash check-up in order to check whether the infringements have been remedied.

The SIOD announced that next flash check-ups are planned in 2020:

  • Cleaning sector: January 2020
  • Electrical engineering and constructions: March 2020
  • Horeca (catering sector): to be confirmed
  • Taxi and transport sector: May 2020
  • Agriculture and horticulture: July 2020
  • Car wash sector: September 2020
  • Meat sector: November 2020

Would you like information about compliance and regulations? Have you been screened and have any infringements been identified? Feel free to contact us at info@studio-legale.be. We will be more than pleased assist you in any way possible.

De alternatieve afhandeling in strafzaken, meer dan achterkamerpolitiek, bekokstoven en afkopen…

 

Inleiding

In een recent artikel in onder meer de Gazet van Antwerpen vertelde de nieuwe Antwerpse Procureur des Konings Franky De Keyzer dat hij meer wil inzetten op de zogenaamde alternatieve afhandeling. “Ik wil bekijken of we het aantal zaken dat we voor de rechter brengen naar beneden kunnen krijgen”, aldus de Korpschef. Deze visie sluit aan bij de openingsrede van de Procureur-generaal van Antwerpen van 1 september 2019, die reeds aangaf om meer geschillen via de buitengerechtelijke en/of alternatieve afhandeling te willen beslechten.

 

Onbekend is onbemind

De alternatieve afhandeling wil zeggen dat het openbaar ministerie en de dader in gesprek gaan over het gepleegde misdrijf en de daarbij horende bestraffing. De bedoeling is om dit niet meer volledig aan de strafrechter over te laten, waarbij de procureur en de dader kibbelen over de feiten en de strafmaat.

Als een dader zijn misdrijf erkent en bereid is om de schade te herstellen, is dialoog met het openbaar ministerie soms een betere en snellere oplossing. Er wordt te vaak vergeten dat het hoofddoel van het strafrecht niet de bestraffing is, maar het herstel. Herstel naar de maatschappij toe, herstel naar het slachtoffer toe en herstel (rehabilitatie) van de dader. In een ideale wereld zorgt het strafrecht er voor dat eenieder die de grens van het maatschappelijk aanvaarde overtreedt, kordaat terecht wordt gewezen, zijn fout rechtzet en dezelfde fout niet meer begaat.

De hoofdoorzaak dat er niet meer strafzaken op alternatieve wijze worden beslecht, is ons inziens terug te brengen tot onwetendheid. Enerzijds is er een gebrek aan kennis van deze wijze van afhandeling bij zowel magistraten, als advocaten. Anderzijds bestaat er te veel onduidelijkheid en onjuiste informatie over deze alternatieve afhandeling bij het grote publiek.

 

De alternatieve afhandelingsvormen

Er zijn drie hoofdvormen van alternatieve beslechting

  • De voorafgaandelijke erkenning van schuld of ‘guilty plea’ (artikel 216 Wetboek van Strafvordering)
  • Het verval van strafvordering door betaling van een geldsom of minnelijke schikking (artikel 216bis Wetboek van Strafvordering)
  • Het verval van strafvordering door de uitvoering van maatregelen en de naleving van voorwaarden (artikel 216ter Wetboek van Strafvordering)

 

Algemeen

Voor alle onderhandelingen over een alternatieve beslechting geldt hetzelfde, met name dat ze vertrouwelijk zijn en dat verklaringen en/of documenten die bij de onderhandelingen worden gebruikt, niet nadien in de strafprocedure mogen gebruikt worden.  Moesten de onderhandelingen niets opleveren, kan de verdachte nog steeds voluit voor de vrijspraak gaan in de rechtbank. Dat hij in de onderhandelingen schuld zou bekend hebben, mag niet gebruikt worden of zelfs bekend gemaakt worden ten aanzien van de rechter.

Bij de voorafgaandelijke erkenning zal er uiteindelijk wel een onderhandelde veroordeling plaatsvinden, die dus op je strafregister komt. Een verval van strafvordering houdt in dat er geen straf wordt opgelegd. Toch wordt dit vermeld op het strafregister, maar enkel voor zover het over feiten gaat waarvoor reeds een onderzoeksrechter was gelast of indien de zaak al aanhangig was bij de rechtbank of het hof van beroep.

 

De voorafgaandelijke erkenning van schuld of ‘Guilty plea’ (art. 216 Sv)

In het artikel verwijst Procureur des Konings De Keyzer naar de zogenaamde ‘guilty plea’, wat in het wetboek van strafvordering officieel als ‘de voorafgaandelijke erkenning van schuld’ wordt beschreven. Deze vorm van afhandeling heeft reeds een lange traditie in bijvoorbeeld het Amerikaanse recht en is bij het grote publiek vooral bekend van de Amerikaanse series. In ruil voor een bekentenis, wordt er onderhandeld over een straf.

Het Belgische systeem is wel niet volledig gelijklopend met het Amerikaanse, waar er schijnbaar geen enkele beperking op deze onderhandelingen staat. Het systeem in België onderworpen aan enkele belangrijke voorwaarden:

  1. De dader moet schuld bekennen;
  2. Het kan enkel voor misdrijven die niet lijken gestraft te moeten worden met een gevangenisstraf van meer dan 5 jaar;
  3. Het kan enkel voor misdrijven waarvoor het Strafwetboek een maximale straf van 20 jaar voorziet (dus niet voor bijvoorbeeld moord);
  4. Het mag evenmin toegepast worden voor zedenfeiten;
  5. Alle slachtoffers moeten volledig vergoed worden.

Indien aan al deze voorwaarden is voldaan, kunnen de dader en het openbaar ministerie in onderhandeling gaan. In ruil voor een schuldbekentenis en een volledige betaling van alle slachtoffers, zal het openbaar ministerie een welbepaalde straf voorstellen. De idee is dat door de vrijwillige bekentenis en de spontane vergoeding van de slachtoffers, een mildere bestraffing wordt bekomen dan wat het openbaar ministerie zou eisen in de rechtszaal.

Door deze manier van onderhandelen moet enerzijds het openbaar ministerie geen ellenlang onderzoek voeren om de schuld van een dader te bewijzen en moeten de slachtoffer geen hele procedure doorlopen om hun schade vergoed te zien. Anderzijds weet ook de dader snel waar hij aan toe is en heeft hij zekerheid over zijn straf. Wanneer het onderzoek echter in handen is van een onderzoeksrechter, kan er geen gebruik gemaakt worden van deze vorm van alternatieve afhandeling. Zodra het gerechtelijk onderzoek volledig is afgerond door de onderzoeksrechter en de zaak werd doorverwezen naar de correctionele rechtbank, kan opnieuw gebruik gemaakt worden van de schuldbekentenis.

Iedereen komt er in feite beter uit. De dader wordt gestraft, het slachtoffer wordt vergoed en de maatschappij heeft op snelle en efficiënte wijze zijn herstel.

Om er zeker van te zijn dat alles wel correct verloopt en binnen proporties blijft, zal nog steeds een rechter nagaan of de afgesloten deal wel correct en proportioneel is. De rechtbank moet op het einde van de rit de onderhandelde straf nog bekrachtigen.

 

Verval van strafvordering door betaling van een geldsom

Deze manier van afhandeling is gekend als de zogenaamde minnelijke schikking. In feite wordt een erg groot deel van de bevolking geconfronteerd met deze manier van afhandelen in het verkeersrecht. Bij een deel van de verkeersovertredingen wordt er een minnelijke schikking voorgesteld aan de overtreder – wat dan in de volksmond ten onrechte ‘een boete’ wordt genoemd – om te voorkomen dat men voor de politierechtbank moet verschijnen. Betaalt men deze minnelijke schikking niet, dan gaat het dossier toch naar het parket voor dagvaarding.

De minnelijke schikking kan voor veel meer misdrijven gebruikt worden, dan enkel verkeersovertredingen. Sinds 2010 is het wetboek van strafvordering meermaals gewijzigd, om deze vorm van afhandeling te verruimen naar meerdere misdrijven.

Ook de verruimde minnelijke schikking is onderworpen aan strikte voorwaarden:

  1. Het kan enkel voor misdrijven die niet lijken gestraft te moeten worden met een gevangenisstraf van meer dan 2 jaar;
  2. Het is niet mogelijk voor zware geweldsmisdrijven;
  3. De dader moet afstand doen van alle vermogensvoordelen die hij uit het misdrijf heeft gehaald, alsook moeten alle eventuele verschuldigde belastingen of sociale bijdragen, met interesten, betaald worden;
  4. De dader moet alle gerechtskosten betalen;
  5. Het slachtoffer moet akkoord gaan met de schadevergoeding.

Als aan al deze voorwaarden voldaan is, dan kan het openbaar ministerie een geldsom voorstellen, die niet hoger kan zijn dan de maximale geldboete die wordt voorzien in de strafwet. De wet stelt dat het voorgestelde bedrag in verhouding moet zijn met de zwaarte van het misdrijf.

Het idee is dat de dader alle (financiële) gevolgen van zijn misdrijf moet herstellen en daarbovenop een boete moet betalen. Doet hij dat, dan zal de procureur niet meer vervolgen. Deze manier van afhandelen heeft vooral tot doel om de maatschappelijke kost te beperken. Ze wordt het meeste gebruikt voor financiële en fiscale misdrijven. Het onderzoek naar zo’n misdrijven is vaak erg complex en kan jaren in beslag nemen, met zelfs het risico dat de feiten uiteindelijk strafrechtelijk verjaren.

Helaas heeft deze manier van afhandelen een negatief imago gekregen bij het grote publiek, waarbij de verruimde minnelijke schikking veelal bekend staat als ‘de afkoopwet’. De idee dat ‘rijke mensen hun straf kunnen afkopen’ wordt gesterkt door een gebrek aan kennis en vooral foute informatie uit de media. Te vaak worden er persberichten verspreid waarbij een miljoenenfraude wordt ‘afgekocht’ door de betaling van een geldsom van bijvoorbeeld 500.000 euro. Bij het publiek en op de sociale media leeft dan het verkeerde idee dat de dader er uiteindelijk toch nog stevig op verdiend heeft.

Uiteraard kan er pas een minnelijke schikking plaatsvinden, als eerst alle (financiële) schade is vergoed. Dus eerst moeten alle gelden en goederen verkregen uit het misdrijf worden teruggegeven aan het slachtoffer of Justitie, daarna moeten alle gerechtskosten, sociale bijdragen en ontdoken belastingen (met intrest!) worden betaald en dan pas gaat men de bijkomende geldboete opleggen. Het kan en zal nooit de bedoeling zijn dat de dader er uiteindelijk toch nog op verdiend heeft.

Objectief bekeken wint de maatschappij enorm veel bij deze manier van afhandelen. Er is geen risico dat de dader vrijuit gaat wegens verjaring of een procedurefout, er moeten geen jarenlange dure onderzoeken gevoerd worden en er komt capaciteit vrij bij politie en justitie voor bijvoorbeeld drugs- en geweldsmisdrijven die een directere impact hebben op het algemeen welzijn. En op het einde van de rit vaart de belastingbetaler er wel bij, aangezien de dader zelf voor alle kosten opdraait en daarboven op nog de staatskas moet spijzen. De kosten van de procedure worden bijkomend beperkt. Ook Justitie moet soms economisch denken.

 

Verval van strafvordering door uitvoering van maatregelen en de naleving van voorwaarden

De laatste grote vorm van alternatieve afhandeling is een methode die helaas ook binnen justitie haast onbekend en dus ongebruikt is. Het is vergelijkbaar met de minnelijke schikking, maar in de plaats van een geldboete, moet de dader een welbepaalde voorwaarde naleven.

Deze afhandelingsmethode heeft volgende voorwaarden:

  1. De dader moet schuld bekennen;
  2. Het kan enkel voor misdrijven die niet lijken gestraft te moeten worden met een gevangenisstraf van meer dan 2 jaar;
  3. De slachtoffers moeten vergoed worden, waarbij de procureur des Konings kan verzoeken om een bemiddeling aan te gaan;
  4. De dader moet instemmen met de aan hem opgelegde voorwaarden.

Indien aan alle voorwaarden is voldaan, kan de procureur een verval van strafvordering uitspreken op voorwaarden dat de dader 1 of meerdere maatregelen naleeft, uit te voeren binnen een termijn van 1 jaar. Deze voorwaarden zijn de volgende:

  • Geneeskundige behandeling of therapie indien de feiten voortkomen uit een gedragsproblematiek, een ziekte of een verslaving;
  • Kosteloze dienstverlening van ten hoogste 120 uur;
  • Een opleiding volgen van ten hoogste 120 uur.

 

Conclusie

Dat de nieuwe procureur des Konings van Antwerpen een grote voorstander is van de alternatieve afhandeling, kan alleen maar toegejuicht worden. Met uitzondering van de verkeersmisdrijven, worden er thans immers bijzonder weinig strafzaken afgehandeld buiten de strafrechter om.

De wet schrijft in principe voor dat het voorstel tot alternatieve afhandeling vanuit het openbaar ministerie zou moeten komen, maar de praktijk leert dat het veelal de advocaten van de verdediging zelf zijn, die deze mogelijkheid op tafel leggen.

Om een echt succes te worden, dient eerst de onwetendheid aangepakt te worden. Bij de magistraten, bij de advocaten en ook bij de publieke opinie. Bij dat laatste mag de rol van de media niet onderschat worden, die te vaak de minnelijke schikking foutief afschildert als een ‘afkoping van de straf’. Wij hopen alleszins dat we met dit artikel vanuit Studio Legale mee kunnen helpen om deze onwetendheid aan te pakken.

Bij Studio Legale hebben onze gespecialiseerde advocaten ervaring met de alternatieve afhandeling in strafzaken. Moest u nog vragen hebben of indien u zelf denkt in aanmerking te komen voor een alternatieve afhandeling, aarzel niet om onze specialisten ter zake te contacteren:  info@studio-legale.be

 

VANAF 1 JANUARI 2020: ROOKMELDERS VERPLICHT IN ELKE VLAAMSE WONING

Woningbranden eisen in Vlaanderen heel wat slachtoffers. Zo bleek uit een telling dat in 2016 maar liefst 46 mensen om het leven kwamen in woningbranden.1 Vlaanderen is hiermee één van de slechtst scorende regio’s van Europa. De brandveiligheid van de woningen in Vlaanderen dient dan ook te worden verbeterd.

Rookmelders kunnen hierbij van groot belang zijn. Rookmelders stoppen uiteraard geen brand, maar goed werkende rookmelders geven snel een waarschuwing zodat vluchten nog mogelijk is.
Vanaf 1 januari 2020 dienen alle woningen in Vlaanderen over voldoende rookmelders of een branddetectiesysteem beschikken.

Dit wordt ingevoerd door het decreet van 10 maart 2017 “houdende wijziging van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wat het verbeteren van de brandveiligheid door het algemeen invoeren van optische rookmelders voor woningen betreft”, BS 31 maart 2017.
Het decreet van 10 maart 2017 treedt in werking op 1 januari 2020 en voert een algemene verplichting voor het plaatsen van rookmelders in, door een verankering ervan in art. 5 van de Vlaamse Wooncode.

Aan artikel 5, §1, tweede lid van de Vlaams Wooncode, wordt volgende zin toegevoegd:
“Een woning moet uitgerust zijn met één of meer rookmelders geplaatst op de wijze bepaald door de Vlaamse Regering of moet beschikken over een branddetectiesysteem dat gekeurd en gecertificeerd is door een daartoe erkend organisme.”.

Indien U nog vragen hebt omtrent deze materie, aarzel niet om onze specialisten te contacteren. Zij helpen U graag verder.    www.studio-legale.be   info@studio-legale.be

1 De brandweer, “analyse fatale woningbranden”, 40, www.timrenders.be/images/ref_art_brandweermv557.pdf

—————————————————-

A PARTIR DU 1ER JANVIER 2020: DÉTECTEURS DE FUMÉE OBLIGATOIRES DANS CHAQUE HABITATION EN FLANDRE

 

Les incendies dans les habitations font beaucoup de victimes en Flandre. Par exemple, un décompte a montré que pas moins de 46 personnes sont mortes dans des incendies d’habitation en 2016[1].  Cela fait de la Flandre l’une des régions les plus mal notées d’Europe. La sécurité incendie des habitations en Flandre doit donc être améliorée.

Les détecteurs de fumée peuvent être d’un grand intérêt ici. Les détecteurs de fumée n’arrêtent évidemment pas les incendies, mais des détecteurs de fumée fonctionnant correctement donnent un avertissement rapide pour que la fuite soit toujours possible.

A partir du 1er janvier 2020, toutes les habitations en Flandre doivent être équipées de détecteurs de fumée ou d’un système de détection d’incendie en nombre suffisant.

Cela a été introduit par le décret du 10 mars 2017 «  modifiant le décret du 15 juillet 1997 contenant le code flamand du Logement, en ce qui concerne l’amélioration de la sécurité incendie par l’introduction générale des détecteurs de fumée optiques pour habitations », M.B, 31 mars 2017.

Le décret du 10 mars 2017 est entré en vigueur le 1er janvier 2020 et a introduit une obligation générale pour l’installation de détecteurs de fumée, en l’ancrant dans l’art. 5 du Code flamand du Logement.

À l’article 5, §1, deuxième alinéa du Code flamand du Logement est ajouté la phrase suivante :

«  Chaque obligation doit remplir les conditions en matière de sécurité d’incendie en ce compris les normes de sécurités spécifiques et complémentaires fixées par le Gouvernement flamand »

 Si vous avez encore des questions à ce sujet, n’hésitez pas à contacter nos spécialistes. Ils seront heureux de vous aider.    www.studio-legale.be   info@studio-legale.be

[1] De brandweer, “analyse fatale woningbranden”, 40, www.timrenders.be/images/ref_art_brandweermv557.pdf

———————————————-

STARTING 1 JANUARY 2020: SMOKE DETECTORS MANDATORY IN EVERY FLEMISH DWELLING

Domestic fires claim a lot of victims in Flanders. Research showed no less than 46 people died in house fires in 2016. This makes Flanders one of the worst scoring regions in Europe. That’s why Flanders needed to improve its fire safety of homes.

Smoke detectors can be of great importance in improving fire safety. Of course, smoke detectors do not prevent or stop fires, but properly functioning smoke detectors react quickly which makes it possible to escape the building on time.

Starting 1 January 2020, it is obligated to install sufficient smoke detectors or a fire detection system in all dwellings in Flanders.

This is introduced by the decree of 10 March 2017 “on the amendment of the decree of 15 July 1997 on the Flemish Housing Code as regards improving fire safety by the general introduction of optical smoke detectors for dwellings”, Official Gazette 31 March 2017.

The decree of 10 March 2017 entered into force on 1 January 2020 and introduces a general obligation for the installation of smoke detectors, by foreseeing it in article 5 of the Flemish Housing Code.

The following sentence is added to article 5, §1, second part of the Flemish Housing Code:

“A dwelling must be equipped with one or more smoke detectors installed in the manner determined by the Flemish Government or must have a fire detection system that has been inspected and certified by a recognised body”.

If you have any questions about this matter, do not hesitate to contact our specialists. They will be happy to help you.    www.studio-legale.be   info@studio-legale.be

Hoofdwebsite Contact
afspraak maken upload






      GDPR proof area
      Upload uw documenten





      sleep uw documenten naar hier of kies bestand


      sleep uw briefwisseling naar hier of kies bestand











        Benelux (€... )EU (€... )Internationaal (prijs op aanvraag)

        Door de aanvraag in te dienen, verklaart u zich uitdrukkelijk akkoord met onze algemene voorwaarden en bevestigt u dat u onze privacyverklaring aandachtig heeft gelezen. Het verzenden van deze aanvraag geldt als een opdrachtbevestiging.
        error: Helaas, deze content is beschermd!