Jaar: 2018

De Aldi vs. AB InBev saga is begonnen toen Aldi in de zomer van 2015 de verpakking van haar Buval-bier herwerkte. Het eindresultaat was een rood blikje met een paard in een schild als logo en de merknaam “Buval” in een witte balk met rode randen. Voor AB InBev, houder van het merk “Jupiler”, was de gelijkenis met haar eigen bierblikje te groot en zij besloot dan ook hiertegen op te treden. De zaak werd voor een eerste maal beslecht door de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel in een vonnis op 13 januari 2016. Aldi maakte naar het oordeel van de voorzitter wel degelijk een inbreuk op de merkrechten van AB InBev door het gebruik van haar verpakking van het Buval-bier.

Wij moeten toegeven dat de gelijkenissen met de Jupiler verpakking niet ver te zoeken zijn. Zo bevatten beide verpakkingen de contouren van een zwart dier, verwerkt in een (wit) schild op een hoofdzakelijk rode achtergrond, met de merknaam in zwarte letters geschreven in een witte balk met rode randen. Het opleggen van een stakingsbevel door de rechter was aldus niet wereldschokkend. Aldi reageerde met het wijzigen van haar rode blikjes naar een goudgele versie ervan.

Voor Aldi was de kous hier echter niet mee af en ze gingen in beroep tegen de beslissing. Een terechte keuze zo is gebleken, vermits de beroepsrechter Aldi gelijk gaf en besloot dat er geen inbreuk voorhanden is. De weg ligt thans dus opnieuw open naar rode blikjes Buval.

De juridische grondslag voor de vordering van AB Inbev, bevindt zich onder meer in artikel 2.20 lid 1, c) van het Benelux-verdrag voor intellectuele eigendom (hierna: BVIE).

Dit artikel biedt  houders van bekende merken binnen het Benelux-gebied een ruime bescherming om het gebruik van hun merk door derden te verbieden, wanneer het teken van die derde “gelijk is aan of overeenstemt met het merk en in het economisch verkeer gebruikt wordt voor waren of diensten, die niet soortgelijk zijn aan die waarvoor het merk is ingeschreven, indien dit merk bekend is binnen het Benelux-gebied en door het gebruik, zonder geldige reden, van het teken ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk

Er moet met andere woorden aan een aantal cumulatieve voorwaarden voldaan zijn, opdat de houder van het bekende merk het gebruik door de derde kan verbieden.

  1. Ten eerste moet het gaan om een bekend merk waarop de inbreuk zou begaan zijn. Het moet daarbij niet gaan om een algemeen bekend merk dat bij minstens een bepaald percentage van het publiek bekend is. Een zekere mate van vertrouwdheid bij het relevante publiek is reeds voldoende.
  1. Ten tweede moet er een bepaalde mate van gelijkheid of overeenstemming zijn tussen enerzijds het merk (in dit geval Jupiler) en anderzijds het vermeende inbreukmakend teken (hier de Buval-verpakking). Het betrokken publiek moet een bepaald verband leggen tussen het merk en het teken, dit wil zeggen een samenhang zien tussen beiden tekens, zonder dat daarvoor noodzakelijk ook sprake is van “verwarringsgevaar”.[1]
  1. Verder moet het gebruik door de derde ook het bekende merk aantasten, doordat het zonder geldige reden ofwel een ongerechtvaardigd voordeel haalt uit het onderscheidend vermogen van het bekende merk; ofwel een ongerechtvaardigd voordeel haalt uit de reputatie van het bekende merk; dan wel afbreuk doet aan dit onderscheidend vermogen of deze reputatie.
  1. Hoewel de wettekst de actiemogelijkheid van artikel 2.20 lid 1 c) BVIE uitdrukkelijk lijkt voor te behouden voor het gebruik van een met het bekende merk identiek of overeenstemmend teken voor niet-soortgelijke waren of diensten, heeft het hof van Justitie in de zaak Davidoff de bescherming ook uitgebreid naar dezelfde of soortgelijke waren of diensten.[2]

Terecht hebben beide rechters snel komaf gemaakt met deze eerste voorwaarde. Het hoeft immers geen betoog dat Jupiler een bekend merk is op de biermarkt, gelet op onder meer het jarenlange consistente gebruik van het merk en het aanzienlijke marktaandeel het  heeft verworven.

De beroepsrechter had evenwel een andere mening dan zijn collega op de Rechtbank van Koophandel, wat betreft de concrete invulling van de tweede voorwaarde. Volgens het Hof stond het niet voldoende vast of werd het minstens niet voldoende aannemelijk gemaakt dat de verpakking van het Buval-bier vanuit het oogpunt van het relevante publiek, het Jupiler-merk van AB InBev in gedachten kan oproepen. Concreet besloot het Hof dat volgens hen het relevante publiek geen verband zal leggen of een samenhang zal zien tussen het Jupiler-merk en de Buval-verpakking, o.a. omwille van volgende specifieke omstandigheden:

  1. Beide ondernemingen gebruiken andere verkoopkanalen (het Buval-bier van Aldi is uitsluitend te koop in Aldi grootwarenhuizen, terwijl het Jupiler-bier wordt aangeboden in de horeca en in alle andere grootwarenhuizen, uitgezonderd de Aldi winkels);
  1. Voor het relevante publiek zou het ondertussen gebruikelijk geworden zijn dat pilsbierverpakkingen in de kleuren rood, zwart en wit worden gepresenteerd; en
  1. Dat het relevante publiek eveneens gewoon is geworden dat op de verpakkingen van pilsbier gebruik wordt gemaakt van schilden, dieren of delen daarvan, al dan niet in combinatie met de kleuren rood, zwart en wit.

Met deze argumentatie besloot de beroepsrechter aldus dat Aldi geen merkenrechteninbreuk begaat door het gebruik van haar Buval-teken.[3] Aldi mag dus (voorlopig) weer de rode blikjes verkopen, hoewel ze het tot op heden blijkt te houden bij haar goudgele verpakking.

Moest u nog vragen hebben, aarzel niet om onze specialisten ter zake te contacteren:  info@studio-legale.be

Media Artikels Pers:

https://www.hln.be/geld/consument/aldi-moet-buval-bier-uit-rekken-halen-omdat-het-te-veel-op-jupiler-lijkt~a49fbf6c/

https://www.tijd.be/ondernemen/voeding-drank/aldi-belgie-wint-rechtszaak-tegen-ab-inbev/9968590.html

https://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20180103_03278283

https://www.hln.be/geld/economie/aldi-wint-rechtszaak-tegen-ab-inbev-over-bier-dat-op-jupiler-lijkt~a16c57b2/

Geschreven door: Joost Peeters, Ruben Brosens en Gert Vanopstal

Franse vertaling door: Pauline Vanhorenbeke

Engelse vertaling door: Ruben Brosens

[1] H.v.J. 23 oktober 2003, C-408/01, Adidas t. Fitnessworld, § 27 en 29.

[2] H.v.J., 9 januari 2003, Davidoff/Gofkid, C-292/00.

[3] Brussel (8e k.) 12 december 2017, nr. 2016/AR/279, 2016/AR/315.

************************************************

Aldi c. AB InBev

La saga Aldi vs AB InBev a commencé lorsque Aldi a retravaillé l’emballage de sa bière Buval à l’été 2015. Le résultat final était une boîte rouge avec un cheval dans un bouclier comme logo et la marque “Buval” dans une barre blanche avec des bords rouges. Pour AB InBev, titulaire de la marque “Jupiler”, la ressemblance avec sa bière était trop grande et elle a décidé d’agir contre cela. L’affaire a été tranchée pour la première fois par le Président du Tribunal de Commerce de Bruxelles dans un arrêt du 13 janvier 2016. De l’avis du président, Aldi a effectivement violé les droits de marque d’AB InBev en utilisant son emballage de la bière Buval.

Nous devons admettre que les similitudes avec l’emballage Jupiler sont proches. En effet, les deux emballages contiennent les contours d’un animal noir, incorporé dans un bouclier (blanc) sur un fond principalement rouge, avec le nom de la marque écrit en lettres noires dans une barre blanche aux bords rouges. L’imposition d’une interdiction  par le juge n’a donc pas ébranlé le monde. Aldi a réagi en remplaçant ses boîtes rouges par une version jaune dorée.

Pour Aldi, cependant, il n’en était pas terminé et ils ont fait appel de la décision. Ce choix s’est avéré justifié, puisque le juge d’appel était d’accord avec Aldi et a décidé qu’il n’y avait pas d’infraction. La route est donc à nouveau ouverte aux canettes rouges de Buval.

La base juridique de la revendication d’AB Inbev se trouve, entre autres, à l’article 2.20 paragraphe 1, c) de la Convention Benelux en matière de propriété intellectuelle (ci-après : CBPI).

Cet article offre, aux titulaires de marques connues sur le territoire du Benelux, une large protection en interdisant l’utilisation de leur marques par des tiers, lorsque le signe de ce tiers «  est identique ou similaire à la marque et est utilisé dans la vie des affaires pour des produits ou services qui ne sont pas similaires à ceux pour lesquels la marque est enregistrée, lorsque cette marque jouit d’une renommée à l’intérieur du territoire Benelux et que l’usage du signe sans juste motif tire indûment profit du caractère distinctif ou de la renommée de la marque ou leur porte préjudice ».

En d’autres termes, un certain nombre de conditions cumulatives doivent être remplies pour que le titulaire de la marque connue puisse interdire l’usage par le tiers.

  1. Premièrement, il doit s’agir d’une marque connue sur laquelle l’infraction aurait été commise. Il ne doit pas s’agir d’une marque réputée, qui est connue par au moins un certain pourcentage du public. Une certaine familiarité avec le public concerné est déjà suffisante.
  2. Deuxièmement, il doit y avoir un certain degré d’égalité ou de similitude entre la marque (en l’espèce Jupiler), d’une part, et le signe litigieux (en l’espèce l’emballage Buval), d’autre part. Le public concerné doit établir un certain rapprochement entre la marque et le signe, c’est-à-dire voir un lien entre les deux signes, sans nécessairement constituer également un “risque de confusion”.[1]
  3. En outre, l’usage par le tiers doit également affecter la marque connue, en ce sens qu’il tire sans juste motif un avantage déloyal du caractère distinctif de la marque connue, ou tire un avantage déloyal de la réputation de la marque connue, ou porte atteinte à ce caractère distinctif ou cette réputation.
  4. Bien que le texte juridique semble réserver expressément la possibilité d’agir en vertu de l’article 2.20, paragraphe 1, sous c), du CBPI pour l’usage d’un signe identique ou similaire avec la marque connue pour des produits ou services qui ne sont pas identiques ou similaires, la Cour a également étendu la protection aux produits ou services identiques ou similaires dans l’affaire Davidoff.[2]

Les deux juges ont eu raison de se débarrasser rapidement de cette première condition. Il va sans dire que Jupiler est une marque bien connue sur le marché de la bière, étant donné, entre autres, l’utilisation constante de la marque pendant de nombreuses années et la part de marché considérable acquise.

Toutefois, le juge d’appel avait une opinion différente de celle de son collègue du tribunal de commerce quant à la réalisation concrète de la deuxième condition. Selon la Cour d’appel, il n’était pas suffisamment établi ou du moins pas suffisamment démontré que l’emballage de la bière Buval peut, du point de vue du public concerné, évoquer la marque Jupiler.

Concrètement, la Cour d’appel a décidé qu’à son avis, le public concerné n’établira pas de rapprochement ou ne verra pas de lien entre la marque Jupiler et l’emballage Buval, notamment en raison des circonstances spécifiques suivantes :

  1. Les deux sociétés utilisent des circuits de vente différents (la bière Buval d’Aldi est vendue exclusivement dans les grands magasins Aldi, tandis que la bière Jupiler est proposée dans le secteur horeca et dans tous les autres grands magasins, sauf les magasins Aldi) ;
  2. Entre-temps, il serait devenu pratique courante pour le public concerné de présenter des emballages de bière dans les couleurs rouge, noir et blanc ; et
  3. Que le public concerné a également pris l’habitude d’utiliser des boucliers, des animaux ou des parties de ceux-ci sur les emballages de bière, qu’ils soient ou non associés aux couleurs rouge, noir et blanc.

Sur la base de cette argumentation, le juge d’appel a donc décidé qu’Aldi n’enfreint aucun droits de marque en utilisant sa marque Buval.[3]  Aldi est donc autorisé à revendre les boîtes rouges (provisoires), bien qu’il semble les conserver jusqu’à ce jour avec son emballage jaune doré.

Si tout cela n’était pas suffisamment clair, ou si vous deviez vous poser d’autres questions, n’hésitez pas à prendre contact avec nos spécialistes.

Articles de presse :

https://www.hln.be/geld/consument/aldi-moet-buval-bier-uit-rekken-halen-omdat-het-te-veel-op-jupiler-lijkt~a49fbf6c/

https://www.tijd.be/ondernemen/voeding-drank/aldi-belgie-wint-rechtszaak-tegen-ab-inbev/9968590.html

https://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20180103_03278283

https://www.hln.be/geld/economie/aldi-wint-rechtszaak-tegen-ab-inbev-over-bier-dat-op-jupiler-lijkt~a16c57b2/

Franse vertaling door : Pauline Vanhorenbeke

[1] Cour de Justice, 23 octobre 2003, C-408/01, Adidas c. Fitnessworld, § 27 et 29

[2] Cour de Justice, 9 janvier 2003, Davidoff/ Gofkid, C-292/00

[3] Bruxelles (8ème canton), 12 décembre 2017, n°2016/AR/279, 2016/AR/315.

********************************************
Aldi vs. AB InBev

 

The Aldi vs. AB InBev saga started in the summer of 2015, when Aldi revamped the design of their Buval beer can. The outcome was a red beer can with a horse in the middle of a shield as logo and the name of the brand “Buval” placed in a white bar with red borders. AB InBev, proprietor of the “Jupiler” trademark, considered the revamped Buval beer can to be to similar to their own Jupiler beer can and decided to file a claim against Aldi. The president of the Commercial Court delivered his judgement on 13 January 2016. He has ruled the Buval beer can to be a breach on the trademark rights from AB InBev.

We have to admit the similarities with the Jupiler beer can are not hard to find. Both cans contain the contours of an black animal, in the middle of a shield on a mainly red coloured background, with the brand name in a white bar with red borders. The decision of the judge to order the injunction of the Buval beer can thus couldn’t be called mind-blowing. Aldi reacted to the injunction by changing her red cans to a golden-yellow version.

Aldi didn’t stop there, they filed an appeal against the judgement. They were rightly so apparently, as the Court of Appeal ruled that the use of the red Buval beer cans doesn’t amount to a breach of the trademark rights of AB InBev. By consequence, Aldi can make use of their red beer cans again if they so desire.

The legal basis of the claim of AB InBev, can be found in article 2.20 paragraph 1, c) of the Benelux Convention on Intellectual Property (hereafter referred to as BCIP). This article provides a wide protection to holders of trademarks with a reputation to prohibit the use of their trademark by third parties, when the sign “is identical or similar to the trademark for goods or services which are not similar  to those for which the trademark is registered, where the trademark enjoys a reputation in the Benelux territory, where

use of the sign without due cause would take unfair advantage of or be detrimental to the distinctive character or the repute of the trademark.”

This means a few cumulative conditions have to be met in order for the holder of a trademark with a reputation to be able to prohibit the use by a third party of the sign.

  1. First of all the alleged infringement  has to concern a trademark with a reputation. This doesn’t mean it has to be an all-around well-known trademark, known by a said percentage of the public. A certain degree of familiarity at the relevant public is sufficient.
  2. Secondly, there has to be a certain degree of similarity or conformity between on the one hand the trademark with a reputation (in this case Jupiler) and on the other hand the allegedly infringing sign (in this case the Buval-packaging). The relevant section of the public has to make a connection between  the trademark and the sign, in other words they establish a link between them, without the need of “a likelihood of confusion”.[1]
  3. Furthermore the use by the third party has to infringe the trademark with a reputation, without due cause, by taking unfair advantage of the distinctive character or by being detrimental to the distinctive character or by being detrimental to the reputation of the trademark.
  4. Although the Convention seems to limit the use of article 2.20 paragraph 1 c) BCIP to the use of a sing which is identical or similar to the trademark for goods or services which are not similar to those for which the trademark is registered, the Court of Justice has already expanded the scope to identical or similar goods or services in the Davidoff-case.[2]

Rightly so, both judges didn’t spend too much time on the first condition. It goes without saying that Jupiler is a trademark with a reputation concerning the beer business, considering among other the long-term use of the trademark and the substantial market share it has acquired.

However concerning the specific interpretation of second condition, the  Court of Appeal had a different opinion as regards to the president of the Commercial Court. The Court of Appeal ruled that it was not sufficiently established or it wasn’t made sufficiently credible that the Buval beer could call to mind the Jupiler trademark from AB InBev among the relevant section of the public. The Court of Appeal ruled that the relevant section of the public won’t make a connection or establish a link between the Jupiler-trademark and the Buval beer can, mostly because of following circumstances:

  1. Both enterprises use other channels of distribution (Aldi’s Buval beer is exclusively for sale in the ALDI supermarkets, Jupiler is for sale in almost the entire catering industry and in almost every supermarket besides from ALDI);
  2. The relevant section of the public should by now be used to the use of the colours red, black and white for the packaging of beer; and
  3. The relevant section of the public should also be used by now to the use of shields, animals or parts of animals, whether or not in combination with those colours, for the packaging of beer.

These considerations led the Court of Appeal to rule that Aldi doesn’t infringe the trademark rights of AB InBev by using their Buval sign.[3] This means Aldi can (for the time being) sell red cans again. However, they seem to keep making use of their golden-yellow packaging up to now.

For more information, please contact our specialists: info@studio-legale.be

Press coverage:

https://www.hln.be/geld/consument/aldi-moet-buval-bier-uit-rekken-halen-omdat-het-te-veel-op-jupiler-lijkt~a49fbf6c/

https://www.tijd.be/ondernemen/voeding-drank/aldi-belgie-wint-rechtszaak-tegen-ab-inbev/9968590.html

https://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20180103_03278283

https://www.hln.be/geld/economie/aldi-wint-rechtszaak-tegen-ab-inbev-over-bier-dat-op-jupiler-lijkt~a16c57b2/

Engelse vertaling: Ruben Brosens

[1] ECJ 23 October 2003, C-408/01, Adidas v. Fitnessworld, § 27 and  29.

[2] ECJ 9 January 2003, Davidoff/Gofkid, C-292/00.

[3] Brussel (8e k.) 12 december 2017, nr. 2016/AR/279, 2016/AR/315.

Inleiding

In het onderzoek rond de voetbalfraude, werd door het federaal parket en één van de verdachte makelaars een spijtoptantenregeling afgesloten. Maar wat wil dit nu concreet zeggen? Volgens de media gaat het om de allereerste spijtoptant in België, maar dit moet met een korrel zout genomen worden.

Want echt helemaal nieuw is het principe binnen het Belgisch strafrecht niet. Zo voorziet artikel 326 van het Belgisch strafwetboek bijvoorbeeld al in een strafuitsluiting voor een schuldige die in de planningsfase van een aanslag alles opbiecht bij de overheid. Ook in artikel 6 van de Drugswet is een strafuitsluiting of strafvermindering voorzien voor de daders die de identiteit meedelen van andere nog niet geïdentificeerde daders in een strafonderzoek.

Het is wel correct dat de spijtoptant pas bij wet van 22 juli 2018 als algemeen principe werd ingevoegd in het Belgische wetboek van Strafvordering. En dus niet meer her en der in het wetboek bij welbepaalde misdrijven. De nieuwe regels voorzien wel dat er enkel kan gebruik gemaakt worden voor de spijtoptantenregeling voor de zogezegde zwaardere criminele feiten, waarvoor ook bijvoorbeeld telefoontaps en inkijkoperaties mogelijk zijn.

Wat is een spijtoptant?

Een spijtoptant is een persoon die in ruil voor een lichtere bestraffing of een andere gunstmaatregel, belastende verklaringen aflegt over anderen en eventueel over zichzelf. Een principe dat het publiek uit de Amerikaanse films en series kent. Maar ook in Europa kennen de meeste landen een regeling voor spijtoptanten, zoals in Italië, Nederland, Duitsland, Oostenrijk, Frankrijk en het Verenigd Koningrijk.

Hoe en wanneer komt het tot stand?

Enkel het openbaar ministerie kan beslissen of de inzet van een spijtoptant noodzakelijk en wenselijk is en dit met het voorafgaand akkoord van de procureur-generaal.

Uit de betreffende wetsartikelen blijkt helaas niet hoe een spijtoptantschap kan geïnitieerd worden. De strikte lezing van de wet stelt dat het initiatief van het openbaar ministerie zou uitgaan, maar uiteraard zal het in de praktijk vooral de verdachte zelf zijn, met behulp van zijn advocaat, die deze mogelijkheid zal op tafel leggen bij de parketmagistraat.

Volgens de wet kan er gebruik gemaakt worden van een elke fase van de strafprocedure, zelfs na de definitieve bestraffing.

De voorwaarden voor de regeling

De spijtoptantenregeling is onderworpen aan het zogenaamde principe van de subsidiariteit. Dit wil zeggen dat het enkel kan worden toegepast wanneer het onderzoek dit vereist en indien de overige middelen van het onderzoek niet volstaan voor de waarheidsvinding. De regeling mag dus enkel gebruikt worden als zogenaamd laatste redmiddel. Het is dus niet de bedoeling dat de spijtoptant een aanvulling wordt op de klassieke onderzoeksmaatregelen, maar enkel bij uitzondering wordt aangewend. In deze verschilt het wezenlijk van wat we dagelijks zien in de Amerikaanse films, waarbij elke verdachte een deal lijkt voorgeschoteld te krijgen in ruil voor medewerking.

Hieruit volgt dat de onderzoeksmagistraat eerst alle voor handen zijnde onderzoeks­maatregelen moet aanwenden om een misdrijf uit te klaren, alvorens hij toegevingen kan gaan doen aan een verdachte. Pas als het onderzoek volledig strop zit, kan de procureur des Konings zijn toevlucht nemen tot de spijtoptant.

De formalisering van de regeling

Zodra er een akkoord wordt bereikt, wordt er een schriftelijke overeenkomst gesloten tussen de spijtoptant en de bevoegde procureur des Konings. In dit zogenaamde ‘memorandum’ moeten minstens volgende gegevens uitdrukkelijk en nauwkeurig omschreven worden:

  • Identiteit van de spijtoptant en de identiteit van de advocaat die de spijtoptant bij het sluiten van het memorandum bijstaat (kan dus nooit anoniem)
  • De feiten waarover de spijtoptant zich bereid verklaart een getuigenis af te leggen
  • De toezeggingen aan de spijtoptant
  • De voorwaarden die in het kader van het akkoord eventueel aan de spijtoptant wordt opgelegd.

Het memorandum wordt opgenomen in het strafdossier en wordt niet afgeschermd van de andere verdachten in het onderzoek. De reden hiervoor is dat er anders een schending zou zijn van de rechten van verdediging van diegene waarover de spijtoptant informatie heeft gegeven. Zij hebben recht op tegenspraak, wat wil zeggen dat zij het recht hebben om te weten welke informatie er door wie gegeven werd in het strafdossier.

Alle partijen hebben ook het recht om te weten wat de spijtoptant in ruil voor zijn medewerking heeft gekregen. Zo kunnen zij, maar ook de correctionele rechter, in alle openheid beoordelen hoe de verklaringen tot stand zijn gekomen. Alle partijen moeten immers de mogelijkheid krijgen om de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de spijtoptant te betwisten.

Het is immers niet ondenkbaar dat een spijtoptant leugenachtige verklaringen aflegt enkel en alleen om zichzelf daarmee een gunst te bewijzen. Om die redenen is er een recht op tegenspraak, maar daarnaast mag de veroordeling van anderen niet uitsluitend gebaseerd worden op de enkele verklaring van een spijtoptant. Deze verklaring moet nadien gestaafd worden door ander objectief bewijsmateriaal. Het gaat dus om zogezegd ‘steunbewijs’, wat wil zeggen dat de enkele verklaring van een spijtoptant nooit voldoende kan zijn om tot een veroordeling te komen.

Welke toezeggingen zijn er mogelijk?

De procureur des Konings is bij elke toezegging gebonden aan het proportionaliteitsbeginsel. Dit wil zeggen dat de toegeving in verhouding moet staan met wat de spijtoptant kan bijbrengen. Het toe te kennen voordeel moet steeds afgewogen worden tegen het gepleegde misdrijf en het eventuele aandeel van de spijtoptant hierin.

In de fase van de strafvordering

  • Het opleggen van een lagere straf
  • Het opleggen van een alternatieve straf of de eenvoudige schuldigverklaring

In de fase van de strafuitvoering

  • Gunstig advies in het kader van de strafuitvoering (voor voorwaardelijke invrijheidsstelling)
  • Toezegging van uitgaansvergunning of penitentiair verlof

In de fase van de detentie (voorhechtenis of strafuitvoering)

  • Plaatsing en overplaatsing naar een andere gevangenis

De wetgever heeft vanaf het begin duidelijk gemaakt dat het onmogelijk is om als ruil voor medewerking de opheffing van de voorlopige hechtenis of het gevangenschap te verkrijgen. Het spijtoptantschap zal dus nooit rechtstreeks kunnen leiden tot een onmiddellijke vrijlating.

De spijtoptant zal wel nog steeds de slachtoffers van zijn misdrijven moeten vergoeden. Meer zelfs, door het ondertekenen van het memorandum wordt er voor de spijtoptant een onweerlegbaar vermoeden van een burgerlijke fout vastgelegd. Dit wil zeggen dat hij door het aanvaarden van de regeling, zijn burgerlijke fout expliciet erkent en later op geen enkele manier meer kan betwisten.

Controle door de rechter

De correctionele rechter moet, voor de spijtoptanten die een regeling treffen in de fase van de strafvordering, het memorandum bekrachtigen. De rechter moet steeds een vervangende straf uitspreken, voor het geval de spijtoptant het memorandum niet zou nakomen.

Herroeping van de regeling

De wet voorziet dat de getroffen regeling herroepen kan (maar niet moet) worden in welbepaalde gevallen. De herroeping is mogelijk wanneer de verdachte het memorandum niet naleeft, niet de beloofde verklaringen aflegt, nadien nog nieuwe misdrijven pleegt, de slachtoffers niet vergoedt, de afgelegde verklaringen niet waarheidsgetrouw blijken te zijn of de strafvervolging bewust heeft willen dwarsbomen.

Besluit

De spijtoptantenregeling als vernieuwing bestempelen is de waarheid geweld aan doen. Het bestond reeds in zowat heel de Europa en zelfs al her en der in onze eigen strafwetgeving.

De echte vernieuwing is dat het in België nu eindelijk volledig juridisch werd uitgewerkt en meteen ook werd afgetoetst aan de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Zo is er voldoende nadruk gelegd op transparantie, het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces. Bovendien is er een, weliswaar beperkte, controle voorzien door een rechter.

De vraag met dergelijke nieuwigheden is niet zozeer of ze de juridische toets doorstaan, maar wel of ze de toets doorstaan van de publieke opinie. De wetgever heeft in de wetsartikelen alleszins een ongeziene controle ingebouwd op de procureur des Konings, door zowel de procureur-generaal, de federale procureur, als het Parlement. Dit geeft aan dat het om een politiek moeilijke beslissing ging en dat er voldoende paraplu’s werden ingebouwd voor moest het mislopen. De praktijk zal uitwijzen in welke mate de spijtoptant zijn plaats zal veroveren binnen het Belgische strafrecht.

 Moest u nog vragen hebben, aarzel niet om onze specialisten ter zake te contacteren:  info@studio-legale.be

Media Artikels Pers:
http://www.standaard.be/cnt/dmf20181120_03966770
https://www.demorgen.be/s/axf459550/MueKV
https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2018/11/20/veljkovic/
https://www.hln.be/sport/voetbal/belgisch-voetbal/spelersmakelaar-en-spijtoptant-veljkovic-vrij-onder-strenge-voorwaarden-na-deal-met-gerecht-hij-gaat-alles-uit-de-doeken-doen~af459550/
http://www.gva.be/cnt/dmf20181120_03966771/spelersmakelaar-veljkovic-gaat-samenwerken-met-gerecht-in-onderzoek-naar-wanpraktijken-in-voetbal

Elektronische facturatie

Op 22 juli 2010 werd een Europese richtlijn[1] uitgevaardigd die het mogelijk maakt om elektronisch te factureren. Deze richtlijn werd in 2012 door de Wet tot wijziging van de belasting over de toegevoegde waarde[2] omgezet in de Belgische wetgeving (Wetboek belasting over de toegevoegde waarde, hierna Wetboek BTW).

Een elektronische factuur wordt in artikel 1, §13, 2° Wetboek BTW omschreven als “een factuur die de in het Wetboek en zijn uitvoeringsbesluiten voorgeschreven gegevens bevat en in om het even welke elektronische vorm wordt uitgereikt en ontvangen”.

Artikel 60, §5 van het Wetboek BTW stelt dat een elektronische factuur moet voldoen aan enkele voorwaarden. De authenticiteit van de herkomst, de integriteit van de inhoud en de leesbaarheid van de factuur worden vanaf het tijdstip waarop de factuur wordt uitgereikt tot het einde van de bewaartermijn, gewaarborgd.

De authenticiteit omvat de identiteit van de leverancier van de goederen of diensten of van de betrokkene die de factuur heeft uitgereikt. De integriteit van de inhoud wordt gewaarborgd indien de inhoud die is voorgeschreven door de toepasselijke regels inzake de facturering, geen wijzigingen heeft ondergaan. Tot slot moet ook de leesbaarheid van de factuur worden gewaarborgd. (art. 60, §5 Wetboek BTW)

Op welke wijze aan deze voorwaarden inzake authenticiteit, integriteit en leesbaarheid wordt voldaan, wordt door de belastingplichtige bepaald. Artikel 60, §5 bepaalt dat elke bedrijfscontrole, bijvoorbeeld een correct gevoerde boekhouding, die een betrouwbaar controlespoor tussen een factuur en een levering van een goed of een dienst aantoont, kan als waarborg worden gebruikt.

Het is evenwel slechts mogelijk om elektronisch te factureren indien de afnemer van de factuur hiermee heeft ingestemd (artikel 53, §2 Wetboek BTW). Men kan bijgevolg een elektronische factuur weigeren.

In relatie met een consument is het bovendien niet toegestaan om een extra bedrag aan te rekenen indien de betrokken consument een elektronische factuur weigert (Artikel VI.83, 33° Wetboek van economisch recht). Op de vraag of het aanrekenen van extra kosten in relatie met een onderneming wel is toegestaan, werd er in een parlementaire vraag en antwoord gesteld dat er geen maatregelen worden genomen om dit te verbieden.[3]

Wij zijn van mening dat hiervoor een beperkte extra kost kan worden aangerekend, mits deze overeenstemt met de werkelijke kost en ondubbelzinnig wordt opgenomen in de algemene voorwaarden.

Er is tot slot een gedragscode opgesteld voor elektronische facturatie. Deze gedragscode kan online worden geraadpleegd en ondertekend.[4]

 
Moest u nog vragen hebben, aarzel niet om onze specialisten ter zake te contacteren:  info@studio-legale.be
 

[1] Richtl. Raad nr. 2010/45/EU, 13 juli 2010 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat de factureringsregels betreft, Pb.L. 22 juli 2010.

[2] Wet 17 december 2012 tot wijziging van de belasting over de toegevoegde waarde, BS 21 december 2012.

[3] Vr. en Antw. Kamer 2014-2015, 7 september 2015, nr. 0341 (Vr: Leen Dierick, antw: vice-eerste minister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel van 01 september 2015).

[4] www.efacturatie.belgium.be/nl/gedragscode

——————————————————————————————

Facturation électronique

Le 22 juillet 2010, une directive européenne[1] a été adoptée permettant la facturation électronique. Cette directive a été transposée dans la législation belge[2] (le Code de la taxe sur la valeur ajoutée, ci-après le Code de la TVA) en 2012 par la loi modifiant la taxe sur la valeur ajoutée.

Une facture électronique est définie à l’article 1, §13, 2° du Code de la TVA comme « la facture qui contient les informations exigées par le Code et les arrêtés pris

pour son exécution et qui a été émise et reçue sous une forme électronique, quelle qu’elle soit ».

 

L’article 60,§5 du Code de la TVA prévoit qu’une facture électronique doit remplir certaines conditions. L’authenticité de l’origine, l’intégrité du contenu et la lisibilité de la facture sont garanties à partir du moment de l’émission de la facture et jusqu’à la fin de la période de sa conservation.

L’authenticité inclut l’identité du fournisseur des biens ou des services ou de la personne qui a émis la facture. L’intégrité du contenu est garantie si le contenu prescrit par les règles de facturation applicables n’a subi aucune modification. Enfin, la lisibilité de la facture doit également être garantie. (art. 60,§5 du Code de la TVA)

La manière dont ces conditions d’authenticité, d’intégrité et de lisibilité sont remplies,  est déterminée par l’assujetti. L’article 60, §5 prévoit que tout contrôle de gestion, par exemple une  bonne tenue de la comptabilité, qui établit une piste d’audit fiable entre une facture et une livraison de biens ou une prestation de services, est de nature à donner cette assurance.

Toutefois, la facturation électronique n’est possible que si le destinataire de la facture y a consenti (article 53, §2 du Code de la TVA). Il est donc possible de refuser une facture électronique.

En outre, dans la relation avec un consommateur, ce n’est pas autorisé de facturer un montant supplémentaire si le consommateur concerné refuse une facture électronique (article VI.83, 33° Code de droit économique). Quant à la question de savoir si l’imputation de frais supplémentaires à une entreprise est autorisée, une question et une réponse parlementaires ont indiqué qu’aucune mesure n’est prise pour l’interdire.[3]

Nous estimons qu’un montant supplémentaire limité peut être facturé à condition qu’il corresponde au coût réel et qu’il soit inclus sans ambiguïté dans les conditions générales de vente.

Enfin, un code de conduite a été élaboré pour la facturation électronique. Ce Code de Conduite peut être consulté et signé en ligne.[4]

 
Si tout cela n’était pas suffisamment clair, ou si vous deviez vous poser d’autres questions, n’hésitez pas à prendre contact avec nos spécialistes.
 

[1] Directive 2010/45/UE du Conseil du 13 juillet 2010 modifiant la directive 2006/112/CE relative au système commun de taxe sur la valeur ajoutée en ce qui concerne les règles de facturation, Pb.I., 22 juillet 2010.

[2] Loi du 17 décembre 2012 modifiant le Code de la taxe sur la valeur ajoutée, M.B., 21 décembre 2012.

[3] Question en réponse Chambre 2014-2015, 7 septembre 2015, n° 0341 (Question: Leen Dierick, réponse: vice-premier ministre et ministre du Travail, Economie et des Consommateurs, chargé du commerce extérieur du 01 septembre 2015.

[4] https://efacture.belgium.be/fr

——————————————————————————————

Electronic invoicing

On July 22, 2010, an European directive[1] to enable electronic invoicing was adopted. In 2012, this directive has been transposed in Belgian legislation by means of the “Wet tot wijziging van de belasting over de toegevoegde waarde”[2]. (known as the “Wetboek belasting over de toegevoegde waarde”, which translates to Value Added Tax Code  hereafter referred to as: “VAT Code”)

An electronic invoice is defined by article 1, §13, 2° VAT Code as “an invoice that contains the information required in the Code and the implementation acts and which gets issued and received in any electronic format.”

 

Articl 60, §5 VAT Code issues a few requirements an electronic invoice has to meet. The authenticity of the origin, the integrity of the content and the legibility of an invoice shall be ensured from the point in time of issue until the end of the period for storage of the invoice.

Authenticity of the origin means the assurance of the identity of the supplier or the issuer of the invoice. The integrity of the content is ensured when the content required according to the applicable regulations regarding invoicing, has not been altered. Lastly, the legibility of the invoice has to be ensured. (art. 60, §5 VAT Code)

Each taxable person shall determine the way to ensure the authenticity of the origin, the integrity of the content and the legibility of the invoice. Article 60, §5 VAT Code stipulates that any business controls, by example properly implemented accounts, which create a reliable audit trail between an invoice and a supply of goods or services, can be used as a guarantee.

 

However, the use of electronic invoicing is subject to acceptance by the recipient of the invoice (article 53, §2 VAT Code). Consequently, an electronic invoice can be rejected.

In addition, in consumer-relations it’s not permitted to impose an additional in case of rejection of an electronic invoice by the consumer (Art. VI.83, 33° WER). The question whether charging of additional fees to enterprises is allowed, was answered in a parliamentary question and response by stating they aren’t taking measurements to prohibit charging that kind of fees to enterprises.[3]

We believe charging a limited additional fee should be deemed possible, as long as this fee corresponds to the actual cost and is included unambiguously in the Terms and Conditions.

Lastly, an Code of Conduct has been adopted in regards to electronic invoicing. This Code can be consulted and signed online.[4]

For more information, please contact our specialists: info@studio-legale.be

 

[1] Council Directive 2010/45/EU of 13 July 2010 amending Directive 2006/112/EC on the common system of value added tax as regards the rules on invoicing, Pb. L. 22 July 2010.

[2] Wet 17 december 2012 tot wijziging van de belasting over de toegevoegde waarde, BS 21 december 2012.

[3] Vr. en Antw. Kamer 2014-2015, 7 september 2015, nr. 0341 (Vr: Leen Dierick, antw: vice-eerste minister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel van 01 september 2015)

[4] https://efactuur.belgium.be/nl/gedragscode

 
Wij zijn geen nichekantoor, maar bieden een doorgedreven specialisatie aan in een heel aantal rechtsdomeinen. We begeleiden graag ondernemingen van A-Z.
Er wordt steeds een brede opleiding aangeboden in het burgerlijk en handelsrecht, doch de nadruk wordt gelegd op volgende rechtstakken :
 

  • Vennootschapsrecht
  • GDPR
  • Faillissements- en insolventierecht

 
 
Wij zoeken een zeer gemotiveerde en enthousiaste werkkracht, die klaar is voor de uitdagingen waar de moderne advocatuur momenteel voorstaat.
 
Wij verwachten van u een zelfstandige en initiatiefrijke werkhouding, met een goede juridische kennis, pragmatisch denkvermogen en oog voor detail.
 
We hechten veel belang aan talenkennis (Engels en Frans).
 
 
Wij bieden een zeer dynamische werkplek waar collegialiteit en teamspirit hoog in het vaandel worden gedragen.
 
U mag een correcte vergoeding en een degelijke opleiding verwachten, waarbij ruimte wordt gelaten om uw eigen dossiers te behandelen.
 
Contact :
 
Elke Willems
elke.willems@studio-legale.be
03/216.70.70

TAKEN

  • Facturatie
  • Verwerken van facturen in boekhouding
  • Betalingen (facturen leveranciers, facturen personeel, doorstortingen in dossiers,…)
  • Opvolgen en contacteren van wanbetalers
  • Derdengeldrekening beheren (doorstortingen)
  • Incassodossiers opvolgen (ingebrekestellingen, betwistingen, factureren,…)
  • Opstellen en indienen van aangiftes van schuldvorderingen
  • Betalingen en facturatie in faillissementsdossiers en bewindvoeringen
  • Bestellingen leveranciers

PROFIEL

  • Blindtypen
  • Gestructureerd en nauwkeurig
  • Sterk in cijfers
  • Gedreven, zelfstandig maar tegelijkertijd ook sterk in het samenwerken
  • Flexibel
  • Nederlandse, Franse en Engelse talenkennis
  • IT-vaardigheden (MS OFFICE)

AANBOD

  • Voltijdse tewerkstelling
  • Indiensttreding : zo snel mogelijk
  • Dagwerk – uren overeen te komen
  • Correcte verloning
  • Aangename werksfeer

CONTACT
 
Elke Willems
elke.willems@studio-legale.be
03/216.70.70

Nieuwe registratiebelasting, vaarwel klein beschrijf

update: https://www.vlaanderen.be/uw-overheid/werking-en-structuur/hoe-werkt-de-vlaamse-overheid/belastingen-en-begroting/vlaamse-belastingen/registratiebelasting/wijzigingen-verkooprecht-vanaf-1-januari-2022

Ontwerp van Decreet 21 maart 2018 houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de hervorming van het verkooprecht en vereenvoudigingen in de registratiebelasting, Vl. Parl. 2017-2018, nr. 1533.
Decreet 18 mei 2018 houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de hervorming van het verkoop recht en vereenvoudigingen in de registratiebelasting, BS 28 mei 2018.
Op 18 mei 2018 werd het decreet uitgevaardigd waardoor het klein beschrijf wordt afgeschaft. Hierdoor wordt de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 op enkele belangrijke punten gewijzigd.[1]
Bijgevolg geldt de nieuwe regelgeving enkel voor de aankoop van goederen die in Vlaanderen zijn gelegen.[2] Bovendien is het nieuwe decreet slechts van toepassing op koopovereenkomsten gesloten vanaf 1 juni 2018 (art. 17 Decr. 18 mei 2018). Het is bijgevolg belangrijk dat de verkoopovereenkomst na 1 juni 2018 wordt ondertekend.[3]
Deze wijziging zorgt ten eerste voor een lager tarief voor de aankoop van een gezinswoning. Er wordt een eenvoudig verlaagd tarief van 7 procent toegepast voor de aankoop van een gezinswoning. Er wordt bovendien een grensbedrag van 200.000 euro gehanteerd voor een bijkomende vermindering van 5.600 euro (art. 2.9.5.0.5 Vlaamse Codex Fiscaliteit). Voor de kernsteden en de Vlaamse Rand rond Brussel geldt er een grensbedrag van 220.000 euro (art. 2.9.5.0.5, derde lid Vlaamse Codex Fiscaliteit).
De kernsteden zijn Aalst, Antwerpen, Boom, Brugge, Dendermonde, Genk, Gent, Hasselt, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Oostende, Roeselare, Sint-Niklaas, Turnhout en Vilvoorde (art. 1.1.0.0.2, tiende lid, 8° Vlaamse Codex Fiscaliteit). De Vlaamse Rand rond Brussel omvat de gemeenten Affligem, Asse, Beersel, Bertem, Bever, Dilbeek, Drogenbos, Galmaarden, Gooik, Grimbergen, Halle, Herne, Hoeilaart, Huldenberg, Kampenhout, Kapelle-op-den-Bos, Kortenberg, Kraainem, Lennik, Liedekerke, Linkebeek, Londerzeel, Machelen, Meise, Merchtem, Opwijk, Overijse, Pepingen, Roosdaal, Sint-Genesius-Rode, Sint-Pieters-Leeuw, Steenokkerzeel, Ternat, Tervuren Vilvoorde, Wemmel, Wezembeek-Oppem, Zaventem en Zemst (art. 1.1.0.0.2, tiende lid, 9° Vlaamse Codex Fiscaliteit).
Er geldt evenwel een uitsluiting bij de toepassing van het nieuwe verlaagde tarief van 7 procent, namelijk voor bouwgronden. Voor bouwgronden blijft het tarief van 10 procent gelden (art. 2.9.4.1.1 Vlaamse Codex Fiscaliteit).[4] Dit tarief van 10 procent blijft eveneens gelden voor de aankoop van een tweede verblijf, een beroepsgoed en nieuwbouw.[5]
Ten tweede is er een nieuw gezinstarief ingevoerd. Er kunnen enkel natuurlijke personen toepassing krijgen van het voordeel[6], het betreft de aankoop van een woning, de kopers mogen geen woning of bouwgrond in volle eigendom hebben (afzonderlijk of gezamenlijk), de kopers kopen de geheelheid in volle eigendom, het betreft een zuivere aankoop en de verkrijgers moeten hun hoofdverblijfplaats vestigen in het nieuw aangekochte onroerend goed binnen een termijn van twee jaar (art. 2.9.4.2.11 Vlaamse Codex Fiscaliteit). Er moeten eveneens enkele verklaringen pro fisco worden afgelegd.[7]
Ten derde is er een extra voordeel voorzien indien de aankoop van de gezinswoning gevolgd wordt door energiemaatregelen. Er wordt in dit geval een verlaging toegepast tot 6 procent. Het moet hierbij gaan om een ingrijpende energetische renovatie zoals omschreven in het Energiebesluit van 19 november 2010.[8] Deze energetische renovatie moet plaatsvinden binnen een termijn van 5 jaar na de aankoop van de woning (art. 2.9.4.2.12 Vlaamse Codex Fiscaliteit). Deze renovatie omvat verschillende aanpassingen zoals de verwarming, de luchtcirculatie alsook de isolatie van de muren en het dak. Deze aanpassingen moeten worden ondersteund door een certificaat.[9]
Er werd ten vierde een verlaagd tarief van 1 procent voorzien indien men een beschermd onroerend erfgoed aankoopt om deze als gezinswoning te gebruiken (art. 2.9.4.2.10 en art. 2.9.4.2.14 Vlaamse Codex Fiscaliteit).[10]
Tot slot is er nog een voordeeltarief voorzien voor wie een woning verhuurt aan een erkend sociaal verhuurkantoor (art. 2.9.4.2.13 Vlaamse Codex Fiscaliteit).[11]
Indien bepaalde voorwaarden niet worden nageleefd, wordt een belastingverhoging van 20 procent aangerekend (art. 3.18.0.0.11 Vlaamse Codex Fiscaliteit).[12]
Het decreet wijzigt echter niets aan het principe van de meeneembaarheid. Het betaalde kooprecht bij de aankoop van een onroerend goed als hoofdverblijftplaats kan bijgevolg worden overgedragen bij de aankoop van een nieuwe hoofdverblijfplaats (art. 2.9.5.0.1 Vlaamse Codex Fiscaliteit).[13]
De afschaffing van het klein beschrijf zorgt bijgevolg voor een vereenvoudiging van de voordien gebruikte tarieven. Er blijven evenwel verschillende percentages van toepassing in plaats van één eenvormig tarief van 7 procent. Zo blijft het percentage van 10 procent nog van toepassing voor bouwgronden en nieuwbouw en geldt er een percentage van 1 procent voor erfgoed dat wordt aangekocht om als gezinswoning te gebruiken.[14]

  Vlaanderen Wallonië[15] Brussel[16]
Algemeen 10% –          Groot beschrijf: 12,5%
–          Klein beschrijf: 6%
12,5 %
Verlaagd tarief 7%
Gezinswoning + energiemaatregelen 6%
Onroerend erfgoed als gezinswoning 1%

Moest u nog vragen hebben, aarzel niet om onze specialisten ter zake te contacteren:  info@studio-legale.be
Joost Peeters
Nathalie Montoisy

[1] C. VAN GEEL, “Vlaanderen hervormt verkooprecht en vereenvoudigt registratiebelasting vanaf 1 juni 2018”, www.jura.be.
[2] L. WEYTS, “Vlaanderen opteert voor een tarief van 7 % bij aankoop van een gezinswoning in de plaats van het ‘klein beschrijf’”, T. Not. 2018, afl. 6, (477) 480.
[3] B. MEDAER, “De hervorming van het verkooprecht in het Vlaams Gewest”, Registratierechten 2018, afl. 2, (1) 23.
[4] C. VAN GEEL, “Vlaanderen hervormt verkooprecht en vereenvoudigt registratiebelasting vanaf 1 juni 2018”, www.jura.be.
[5] L. WEYTS, “Vlaanderen opteert voor een tarief van 7 % bij aankoop van een gezinswoning in de plaats van het ‘klein beschrijf’”, T. Not. 2018, afl. 6, (477) 478.
[6] L. WEYTS, “Vlaanderen opteert voor een tarief van 7 % bij aankoop van een gezinswoning in de plaats van het ‘klein beschrijf’”, T. Not. 2018, afl. 6, (477) 480.
[7] L. WEYTS, “Vlaanderen opteert voor een tarief van 7 % bij aankoop van een gezinswoning in de plaats van het ‘klein beschrijf’”, T. Not. 2018, afl. 6, (477) 480 e.v.; E. SPRUYT, “Hervorming Vlaams verkooprecht in aantocht: ‘what’s new’ en hoe anticiperen?”, Notariaat 2008, afl. 5-6, (1) 6.
[8] B. Vl. Reg. 19 november 2010 houdende algemene bepalingen over het energiebeleid, BS 8 december 2010.
[9] L. WEYTS, “Vlaanderen opteert voor een tarief van 7 % bij aankoop van een gezinswoning in de plaats van het ‘klein beschrijf’”, T. Not. 2018, afl. 6, (477) 478; E. SPRUYT, “Hervorming Vlaams verkooprecht in aantocht: ‘what’s new’ en hoe anticiperen?”, Notariaat 2008, afl. 5-6, (1) 11.
[10] L. WEYTS, “Vlaanderen opteert voor een tarief van 7 % bij aankoop van een gezinswoning in de plaats van het ‘klein beschrijf’”, T. Not. 2018, afl. 6, (477) 478.
[11] L. WEYTS, “Vlaanderen opteert voor een tarief van 7 % bij aankoop van een gezinswoning in de plaats van het ‘klein beschrijf’”, T. Not. 2018, afl. 6, 477.
[12] B. MEDAER, “De hervorming van het verkooprecht in het Vlaams Gewest”, Registratierechten 2018, afl. 2, 1-24.
[13] E. SPRUYT, “Hervorming Vlaams verkooprecht in aantocht: ‘what’s new’ en hoe anticiperen?”, Notariaat 2008, afl. 5-6, (1) 15.
[14] B. MEDAER, “De hervorming van het verkooprecht in het Vlaams Gewest”, Registratierechten 2018, afl. 2, 1-24.
[15] Art. 44 en art. 53 e.v. W.Reg. (Waals Gewest); D. VERPEUT, Waals Gewest – Decreet 13 december 2017 houdende diverse fiscale wijzigingen, Registratierechten 2018, afl. 1, 18-26.
[16] Art. 44 W. Reg. (Brussels Hoofdstedelijk Gewest).

OPTIONELE BTW OP VERHUUR VAN ONROERENDE GOEDEREN

Voor professionele actoren in de vastgoedsector was één van de belangrijkste hervormingen/vooruitzichten van het zogenaamde “Zomerakkoord” van 2017, de invoering van een optioneel BTW-stelsel op de verhuur van onroerende goederen. Dit zou de verhuurder immers toelaten om de BTW te recupereren die werd geheven op de oprichting, verwerving of ingrijpende renovatie van het onroerend goed (i.e. waarvan de renovatiekost exclusief BTW bedraagt minstens 60% van de verkoopwaarde van het afgewerkte gebouw).

Na een eerdere afgelasting, in haar persbericht van 25 oktober 2017 kondigde de FOD Financiën immers aan dat deze grote BTW-hervorming dan toch zou beperkt blijven tot een loutere BTW-heffing over de terbeschikkingstelling van bergruimtes voor de opslag van goederen[1], werd op de Ministerraad van 30 maart 2018 alsnog beslist om ook de BTW-hervorming voor verhuur van professioneel gebruikt onroerende goederen goed te keuren[2].

Op 4 oktober 2018 heeft het Parlement het definitieve wetsontwerp goedgekeurd tot wijziging van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wat de optionele belastingheffing inzake verhuur van uit hun aard onroerende goederen betreft.[3] De datum van inwerkingtreding werd met drie maanden opgeschoven naar 01 januari 2019, maar de oorspronkelijke datum van inwerkingtreding van 01 oktober 2018 blijft wel een zeer belangrijke datum, zoals hieronder verder zal worden toegelicht in een korte uiteenzetting van de belangrijkste voorwaarden.

  1. Onroerend goed – 1 oktober 2018

Ten eerste moet de verhuur betrekking hebben op een gebouw of een gedeelte daarvan, dat is opgericht of waarvan de ingrijpende renovatiewerken zijn aangevat ten vroegste vanaf 01 oktober 2018. Zodra er materiële bouwwerkzaamheden[4] zijn uitgeoefend waarvoor BTW opeisbaar is geworden vóór 1 oktober 2018, dan is voor dit gebouw geen optionele BTW verhuur meer mogelijk.

De wetgever heeft met reden de datum van “eerste oorzaak van opeisbaarheid van BTW” als criterium weerhouden en niet voorbeeld de factuurdatum van deze werken. Men wenst te voorkomen dat de datum van 1 oktober 2018 wordt omzeild door snel nog een creditnota te vragen voor alle facturen daterend van vóór 1 oktober 2018 om het nadien opnieuw te laten factureren na 1 oktober…

Het moet wel gaan om zogenaamde “werken in onroerende staat” in de zin van artikel 19, §2 WTBT. Onder meer de eventuele intellectuele diensten die aan deze werken zouden voorafgagaan zijn, zoals deze van een architect, stabiliteitsingenieur, landmeter of dienstverlening in het kader van de omgevingsvergunning, worden dus buiten beschouwing gelaten, zelfs indien deze zouden uitgevoerd zijn vóór 1 oktober 2018.

 

  1. Professioneel gebruik – BTW-plichtige huurder

 

Een volgende voorwaarde om een (gedeelte van een) gebouw onder de nieuwe optionele BTW-heffing te verhuren heeft betrekking op de huurder en het gebruik van het betrokken vastgoed.

Optionele BTW-heffing zal enkel mogelijk zijn als de huurder een BTW-plichtige onderneming is die het gebouw uitsluitend gebruikt voor de uitoefening van zijn economische activiteiten die hem de hoedanigheid van belastingplichtige verleent in de zin van artikel 4 van het Wetboek van de BTW.

Dit zijn dus zowel de gewone BTW belastingplichtige, alsook de gemengde en de vrijgestelde belangplichtige. Vallen daarentegen buiten het toepassingsgebied: privépersonen en openbare instellingen.

Ook belastingplichtigen die het verhuurde gebouw bijvoorbeeld geheel of gedeeltelijk gebruiken voor privédoeleinden of meer in het algemeen doeleinden andere dan die van hun economische activiteit, vallen buiten het toepassingsgebied.

Voor een gebouw dat zowel een woning-gedeelte heeft als een handelsruimte, kan je eventueel wel 2 afzonderlijke huurovereenkomsten opstellen, waarvan de ene (de woninghuurovereenkomst) niet onder de optionele BTW-heffing valt en de andere (de handelshuurovereenkomst) wel. Er moet dan wel aangetoond worden dat het gaat om 2 duidelijk afzonderlijke delen van dat gebouw die zelfstandig kunnen gebruikt/geëxploiteerd worden, hetgeen onder meer impliceert dat elk gedeelte een eigen ingang moet hebben.

  1. Optie

 

Naast de twee voormelde grondvoorwaarden is ook voorzien dat de huurder en verhuurder gezamenlijk moeten opteren om de verhuur onder het BTW-stelsel te plaatsen.

De concrete wijze waarop deze optie moet worden uitgeoefend en het tijdstip waarop dit uiterlijk moet gebeuren, moet nog verder worden vastgelegd door de Koning.

Wel is reeds uitdrukkelijk voorzien dat als een (gedeelte van een) gebouw tegelijk verhuurd wordt met het zogenaamde “bijhorend terrein”, dat in dat geval de optie verplicht moet worden uitgeoefend ten aanzien van beide onroerende goederen.

De wetgever heeft hierbij verduidelijk dat onder “bijhorend terrein” moet worden verstaan: het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het gebouw of het gedeelte van het gebouw is opgericht en dat of die tegelijk met dat gebouw of gedeelte van dat gebouw door éénzelfde persoon wordt of worden verhuurd”.

Daarnaast is ook expliciet voorzien dat de optie geldt voor de gehele duur van de overeenkomst.

Eenmaal de huurder en verhuurder dus opteren om hun huurovereenkomst onder het optionele BTW-stelsel te plaatsen, zullen ze hier halverwege de looptijd van de huurovereenkomst dus niet op kunnen terugkomen. In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp staat wel dat het de partijen in voorkomend geval vrij staat om de lopende huurovereenkomst te ontbinden en een nieuwe te ondertekenen, waarin zij dan opnieuw de volledige beslissingsvrijheid zullen hebben. Ook bij het verlengen van de huurovereenkomst zullen de partijen in beginsel opnieuw de vrije keuze hebben.

Moest u nog vragen hebben, aarzel niet om onze specialisten ter zake te contacteren:  info@studio-legale.be
 
Gert Vanopstal
Joost Peeters

 

[1] https://financien.belgium.be/nl/Actueel/btw-%E2%80%93-onroerende-verhuur-tussen-ondernemingen-%E2%80%93-beperking-van-de-hervorming

[2] https://financien.belgium.be/nl/Actueel/btw-verhuur-van-onroerende-goederen-voor-professioneel-gebruik

[3] Wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wat de optionele belastingheffing inzake verhuur van uit hun aard onroerende goederen betreft en tot wijziging van het Koninklijk besluit nr. 20, van 20 juli 1970, tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven wat het verlaagde btw-tarief inzake de belaste verhuur van uit hun aard onroerende goederen betreft, Parl.St. Kamer 2017-2018, nr. 3254/004.

[4] Meer bepaald “werken in onroerende staat” in de zin van artikel 19, §2 WBTW.

 

——————————————————————–

Prélèvement de TVA optionnel pour la location de biens immobiliers

Pour les acteurs professionnels dans le secteur immobilier, l’une des plus importantes réformes/ perspectives du dénommé « Accord de l’été » de 2017, est l’introduction d’un système de TVA optionnel  sur la location de biens immobiliers. Cela permettrait au bailleur de récupérer la TVA perçue sur la construction, l’acquisition ou la rénovation majeure du bien immobilier (c’est-à-dire dont le coût de rénovation hors TVA s’élève au moins à 60% de la valeur de vente du bâtiment fini).

Après une annulation antérieure, le SPF Finances a annoncé dans son communiqué de presse du 25 octobre 2017 que cette réforme majeure de la TVA se limiterait à un simple prélèvement de TVA sur la mise à la disposition d’emplacements pour l’entreposage de biens[1],  il a été décidé en Conseil des Ministres du 30 mars 2018 d’approuver également la réforme TVA pour la location des biens immobiliers à usage professionnel [2].

Le 4 octobre 2018, le Parlement a adopté le projet de loi final modifiant le code de la taxe sur la valeur ajoutée en ce qui concerne la taxation optionnelle en matière de location de biens immeubles par nature[3]La date d’entrée en vigueur a été reportée de trois mois au 1er janvier 2019, mais la date d’entrée en vigueur initiale du 1er  octobre 2018 reste une date très importante, comme il sera expliqué plus en détail ci-dessous dans une brève explication des principales conditions.

  1. Bien immobilier – 1er octobre 2018

Premièrement, la location doit porter sur un bâtiment ou une partie de bâtiment qui a été construit ou dont les travaux de rénovation importants ont commencé au plus tôt à partir du 1er octobre 2018.

Dès que des travaux de construction matériels[4] pour lesquels la TVA est devenue exigible avant le 1er octobre 2018 ont été réalisés, aucun prélèvement de TVA optionnel pour la location n’est possible.

En s’en tenant à la date de “première cause d’exigibilité de la TVA” et non, par exemple, à la date de facturation de ces travaux, le législateur s’est immédiatement très vite débarrassé des petits malins qui voudraient contourner cette date du 1er octobre 2018 en demandant rapidement une note de crédit pour toutes les factures antérieures au 1er  octobre 2018 et en les faisant refacturer ensuite après le 1er  octobre…

Il doit s’agir de « travaux immobiliers » au sens de l’article 19, §2 du Code de la TVA. Cela ne comprend donc pas les prestations intellectuelles qui pourraient précéder ces travaux, telles que celles d’un architecte, d’un ingénieur, d’un géomètre ou d’un prestataire de services dans le cadre du permis unique, même si elles ont été effectuées avant le 1er octobre 2018.

  1. Usage professionnel – locataire assujetti à la TVA

Une autre condition à la location d’un immeuble (ou d’une partie d’un immeuble) dans le cadre du nouveau prélèvement optionnel de la TVA concerne le locataire et l’utilisation de l’immeuble concerné.

La perception optionnelle de la TVA ne sera possible que si le locataire est une société assujettie à la TVA qui utilise l’immeuble exclusivement pour l’exercice de ses activités économiques et qui lui confère le statut d’assujetti au sens de l’article 4 du code de la TVA.

Il s’agit donc à la fois de l’assujetti ordinaire à la TVA et l’assujetti mixte et exonéré. En revanche, sont exclus : les particuliers et les institutions publiques.

Elle exclut également du champs d’application les assujettis qui, par exemple, utilisent tout ou partie de l’immeuble loué à des fins privées ou, plus généralement, à des fins autres que celles de leur activité économique.

Pour un bâtiment qui comporte, par exemple, à la fois une partie résidentielle et une partie commerciale, il est possible d’établir 2 contrats de locations distincts, dont l’un (le contrat de bail d’habitation) n’est pas soumis aux règles de TVA optionnelle et l’autre (le contrat de bail commercial) l’est. Cependant, il doit pouvoir être démontré dans ce bâtiment qu’il y a deux parties clairement séparées, qui peuvent être utilisées/ exploitées indépendamment, ce qui implique, entre autres, que chaque partie doit avoir sa propre entrée.

  1. Option

Outre les deux conditions de fond susmentionnées, il est également prévu que le locataire et le bailleur doivent choisir conjointement de placer le bail sous le régime de la TVA.

Les modalités concrètes d’exercice de cette option et la date limite à laquelle elle doit être exercée doivent être déterminées par le Roi.

Toutefois, il est déjà expressément prévu que si un immeuble (ou une partie d’un immeuble) est loué en même temps que le « terrain correspondant », dans ce cas l’option doit être exercée obligatoirement pour les deux biens immeubles.

Le législateur a précisé que le terme “terrain correspondant” désigne : la ou les parcelles cadastrales sur lesquelles le bâtiment ou une partie du bâtiment est érigé et qui sont louées par la même personne en même temps que ce bâtiment ou cette partie du bâtiment.

Il est également explicitement prévu que l’option est valable pour toute la durée du contrat.

Ainsi, une fois que le locataire et le bailleur auront choisi de placer leur bail sous le régime optionnel de la TVA, ils ne pourront pas révoquer leur décision à mi-parcours de la durée du contrat.

L’exposé des motifs du projet de loi indique toutefois que les parties sont libres, le cas échéant, de dissoudre le bail actuel et d’en signer un nouveau, dans lequel elles auront à nouveau toute liberté de décision. En principe, les parties seront également libres de choisir lors du renouvellement du bail.

Si tout cela n’était pas suffisamment clair, ou si vous deviez vous poser d’autres questions, n’hésitez pas à prendre contact avec nos spécialistes.
Gert Vanopstal
Joost Peeters
 

[1] https://finances.belgium.be/fr/Actualites/tva-%e2%80%93-location-immobili%c3%a8re-entre-entreprises-%e2%80%93-limitation-de-la-r%c3%a9forme

[2] https://finances.belgium.be/fr/Actualites/tva-location-de-biens-immobiliers-%c3%a0-usage-professionnel

[3] Projet de loi modifiant le Code de la taxe sur la valeur ajoutée en ce qui concerne la taxation optionnelle en matière de location de biens immeubles par nature et modifiant l’arrêté royal n° 20, du 20 juillet 1970, fixant les taux de la taxe sur la valeur ajoutée et déterminant la répartition des biens et des services selon ces taux en ce qui concerne le taux de TVA réduit en matière de location taxée de biens immeubles par nature, Doc. Parl., 2017-2018, n° 3254/004.

[4] Plus précisément, les “travaux immobiliers” au sens de l’article 19, §2 du Code de la TVA.

Schade door een huiszoeking… Wie gaat dat betalen?

 

In het programma De Rechtbank kwam recent een interessante juridische vraag aan bod, die helaas door de betreffende vrederechter niet beantwoord werd.

De vrederechter in kwestie stelde voor aan de verhuurder, die schade had geleden door een huiszoeking bij één van zijn huurders, om de politie een aangetekend schrijven te sturen. De politie wees schijnbaar alle verantwoordelijkheid af en toonde zich niet bereid tot enige schadevergoeding. Het voorstel van de vrederechter was om de schade dan maar te trachten te verhalen op de huurder in kwestie.

Maar klopt dit wel?

Aanvankelijk werd er aangenomen dat het optreden van de politie in het maatschappelijk belang, primeerde op het individueel belang. Als de politie door zijn legitiem en gerechtvaardigd optreden een derde schade berokkende, dat was behoorde dit tot het maatschappelijk risico dat iedereen wordt geacht te dragen binnen de rechtstaat.

Op 19 april 2004 bracht het hof van beroep te Antwerpen verandering in deze zienswijze.

De aanleiding waren een resem huiszoekingen in een welbepaalde appartementsblok op de Turnhoutsebaan in Borgerhout in december 2000. In een gecoördineerde actie van de politie, op bevel van de onderzoeksrechter, werden in deze appartementsblok 10 deuren opengebroken op zoek naar drugs. Hierbij werden alle deuren en de deurlijsten ernstig beschadigd. In 1 appartement werd uiteindelijk drugs gevonden.

De eigenares van het appartementsgebouw, die geen verdachte was in het dossier, werd geconfronteerd met al die schade. Ook zij richtte zich tot de Belgische Staat om deze schade vergoed te krijgen.  De Belgische Staat stelde echter dat het om een legitieme actie ging en dat het niet mogelijk was geweest om op minder schadelijke manier opgetreden te hebben. Daarom moest de verhuurster deze schade maar zelf dragen onder het mom van een openbare last om het algemeen belang te dienen.

De eigenares legde zich evenwel niet neer bij deze beslissing en trok uiteindelijk naar het hof van beroep van Antwerpen. Dit hof stelde dat het algemeen  belang  van  een  huiszoeking  het  toebrengen  van  schade  rechtvaardigt , maar dat dit zelfde algemeen belang niet rechtvaardigt om na afloop van de huiszoeking de eigenares met de schade te laten zitten.

Het hof van beroep te Antwerpen baseerde zich hierbij op het algemeen  rechtsbeginsel  van  de  gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten, dat onder meer is vastgesteld in artikel 16 van de Grondwet, waardoor de overheid niet zonder vergoeding lasten kan opleggen die groter zijn dan die welke een particulier in het gemeenschappelijk belang moet dragen. Met andere woorden, de schade die de eigenares heeft geleden ten gunste van de maatschappij, moet ook gedragen worden door de maatschappij. Deze zienswijze van het hof van beroep te Antwerpen werd door het Hof van Cassatie bevestigd.

Komen we terug bij de vraag: een huiszoeking, wie gaat dat betalen?

De eerste vraag die moet beantwoord worden, is de vraag bij wie de huiszoeking heeft plaatsgevonden. Is de eigenaar van het beschadigde pand zelf een verdachte in het dossier, dan zal hij de kosten zelf moeten dragen. Een kleine nuance is er evenwel als later blijkt dat deze verdachte onschuldig is en vrijgesproken wordt. Dan wordt hij, in theorie, gelijkgesteld met de eigenaars die niets te maken hebben met de feiten.

Als de huiszoeking gebeurt bij een verdachte die niet de eigenaar is van de woning en de eigenaar van de woning heeft niets te maken met de feiten, dan moet deze eigenaar niet zelf de kosten van de schade dragen.

Hoe kan je schadevergoeding bekomen?

Ondertussen heeft de FOD Justitie ingezien dat het niet werkbaar is om elk schadegeval voor de rechter te brengen. Een pragmatische oplossing werd uitgewerkt, namelijk dat eenieder die schade heeft geleden door een huiszoeking, waarbij hij zelf geen verdachte is, een verzoek tot schadevergoeding kan richten aan de FOD Justitie.

Omdat het gaat om een vergoeding van de effectief  geleden schade, legt de FOD Justitie wel bepaalde verplichtingen op. Elk verzoek tot schadevergoeding moet gepaard gaan met de volgende bewijzen:

  • Bewijs van de schade (foto’s van de beschadigde deur en/of deurlijsten)
  • Een factuur en betalingsbewijs voor de herstellingswerken en/of de nieuwe deur
  • Een bewijs van de effectieve plaatsing (foto van de deur)

Het is dus niet voldoende dat u een schadebestek laat opstellen. De FOD Justitie vereist dat u bewijst dat u ook effectief de herstelling hebt uitgevoerd én betaald.

In feite gaat de FOD Justitie hier in tegen het algemeen principe van de schadevergoedingen volgens het burgerlijk recht. Het principe is dat als u schade lijdt door iemand anders zijn fouten, dat deze uw schade moet vergoeden. Het is daarbij niet vereist dat u ook effectief uw schade herstelt met deze vergoeding. We kennen dit principe voornamelijk bij de vergoedingen voor verkeersschade. U laat na een schadegeval bestek opmaken van uw kosten en de tegenpartij moet dit dan vergoeden. Maar niemand kan u vervolgens dwingen om deze vergoeding ook effectief te gebruiken om de schade te herstellen. U kan er bijvoorbeeld voor opteren om te blijven rondrijden met de bluts en de kras in het koetswerk.

De FOD Justitie wijkt dus af van dit principe, naar alle waarschijnlijkheid om misbruiken tegen te gaan. Het is immers niet zo moeilijk om een gepeperde offerte te bekomen voor schade die in feite niet zoveel voorstelt. De FOD Justitie kan dit trouwens perfect doen, aangezien het een minnelijke procedure is.

Een andere optie is natuurlijk om de Belgische Staat te dagvaarding in vergoeding van de geleden schade. Dit is de drastische en langdurige weg, maar dan zal het de rechter zijn die de schade begroot. En dan vervalt de verplichting van de effectieve herstelling, zoals vereist in de minnelijke procedure.

Het probleem is dat elke rechter zelf beslist tot wat de Belgische Staat gehouden is. Zo besliste de rechtbank te Bergen op 6 september 2017 dat een verhuurder mee het maatschappelijk  risico van de schade bij een huiszoeking moet dragen in het collectieve belang. Deze verhuurder kreeg met andere woorden niet de volledige schade vergoed, maar slechts een gedeelte. Risico’s van het vak, zo oordeelde deze Waalse rechtbank schijnbaar.

Conclusie

Als u schade lijdt door een huiszoeking waarbij u niet zelf een verdachte bent, moet de overheid u deze schade vergoeden.

Dit kan via een minnelijke procedure bij de FOD Justitie of via de rechtbank. Het voordeel van de procedure bij de FOD Justitie is dat ze snel is en afgelijnd is. U zal zelf wel eerst de herstellingen effectief moeten uitvoeren en betalen. Geen herstelling wil zeggen geen vergoeding. Via de rechtbank zal het langer duren en loopt u het risico dat niet de volledige schade wordt vergoed. Maar de vergoeding die u krijgt, kan u besteden zoals u dat zelf verkiest.

Moest u nog vragen hebben of bent u zelf slachtoffer van schade door een huiszoeking of een andere onderzoeksmaatregel, aarzel niet om onze specialisten ter zake te contacteren:  info@studio-legale.be

update: https://www.jubel.be/begerige-blikken-op-data-justitie/

Na de (nog steeds lopende…) ‘rel rond het inzagerecht’[1], zit het er alweer tegen tussen de Eerste Voorzitter van het hof van beroep te Antwerpen en onze Minister van Justitie. Inzet van de discussie deze keer is de beslissing van de Minister van Justitie om niet meer te investeren in VAJA.

Voor de leken onder ons, VAJA is een acroniem voor “Vonnissen Arresten – Jugements Arrêts”. Het is een databank die als doel heeft om alle rechterlijke beslissingen te digitaliseren. Doordat alle data die nodig is voor een beslissing rechtstreeks uit de databanken van de griffie komt, is het slechts een kwestie van enkele muisklikken om een vonnis of arrest te genereren. Met data wordt dan de persoonsgegevens en de zaakgegevens bedoeld. Uiteraard moet de motivering en de beslissing nog door de rechter zelf geformuleerd worden. We zijn (nog) niet in het stadium dat we alles kunnen overlaten aan de almachtige computer.

De doelstelling van VAJA reikt echter verder dan enkel het werk voor de griffie te vergemakkelijken. Het is ook een noodzakelijke tussenstap tot het eindelijk bekomen van een nationale databank van alle rechtspraak in België. Op dit ogenblik wordt slechts een beperkt gedeelte van de rechtspraak van de hoven en rechtbanken gepubliceerd. Als het niet tot bij het Hof van Cassatie is geraakt, is de kans groot dat de rechtspraak nooit in enige databank zal terecht komen. Nochtans is het een noodzaak voor de rechtszekerheid dat ook de beslissingen van de ‘lagere’ rechtbanken breder gepubliceerd worden. Niet enkel voor advocaten, maar ook voor de rechters zelf. Op dit ogenblik wordt in de Belgische rechtbanken op dagelijkse basis het warm water opnieuw uitgevonden. In Nederland worden zowat alle beslissingen van de rechtbanken gepubliceerd via www.rechtspraak.nl. In Frankrijk vindt de rechtszoekende alle beslissingen die minstens in beroep werden uitgesproken terug via www.legifrance.gouv.fr. Soortgelijke databanken bestaan ook in Oostenrijk, Duitsland, Italië, … . Voor de nieuwsgierigen, een overzicht is terug te vinden op het Europees e-justitieportaal.[2]

Volgens onze minister van Justitie is de technologie die achter VAJA zit verouderd. In zijn interview in De Ochtend op Radio 1 van 20 juni 2018 deed Minister Geens enkele vreemde uitspraken. Volgens de informatie die hij van zijn diensten had gekregen, is het niet mogelijk om via VAJA een digitale handtekening aan te brengen op een beslissing. Het gevolg hiervan zou zijn dat de griffier een vonnis of arrest zou moeten printen, dan handtekenen, vervolgens scannen en ten slotte zo kan doorsturen.

Twee onderdelen van deze uitspraak doen de wenkbrauwen fronsen. Enerzijds juridisch, anderzijds technisch.

 

Een juridische onnauwkeurigheid ?

De Minister spreekt over het aanbrengen van digitale handtekeningen op de beslissing. Volgens de Minister zou het mogelijk zijn voor de griffier om een beslissing te laten handtekenen, dan scannen en dan als rechtsgeldig ondertekend digitaal over te maken. Ingevolge artikel 25,2 van de eIDAS-verordering[3] heeft evenwel enkel de gekwalificeerde elektronische handtekening dezelfde rechtsgevolgen als een handgeschreven handtekening. Deze verordening heeft een directe werking en is dus voor België bindend.

De gekwalificeerde elektronische handtekening is een handtekening die wordt toegevoegd aan een digitaal document en die zowel de identiteit van de ondertekenaar garandeert, alsook de integriteit van het ondertekende document. De identiteit wordt gegarandeerd doordat de ondertekening gepaard moet gaan met een manier van beveiligde authenticatie. In België gebruiken we hiervoor de eID, die in combinatie met de pincode de identiteit van de houder ervan garandeert. Bij het ondertekenen met gebruik van de eID, staat de identiteit van de ondertekenaar dus wettelijk vast. We kennen dit bijvoorbeeld van Tax-on-Web. Zoals gezegd moet ook de integriteit van het ondertekende document gegarandeerd worden. Dit houdt in dat na de ondertekening van het document, dit document niet meer kan gewijzigd worden. Wordt het wel gewijzigd, dan vervalt de elektronische handtekening automatisch. Technisch gebeurt dit door in de elektronische handtekening op onzichtbare wijze een kopie van het ondertekende document te voegen. Op het ogenblik dat de kopie en het ondertekende document van elkaar verschillen, vervalt de handtekening automatisch en is het document niet meer ondertekend.

Een handtekening scannen is geen gekwalificeerde elektronische handtekening en heeft geen rechtsgeldigheid. In de rechtbanken wordt de gescande handtekening tegenwoordig wel aanvaard, maar enkel via de omweg dat er geen nietigheid kan worden afgeleid uit een gescande handtekening omdat artikel 863 Ger.W. voorziet in een regularisatie ter zitting. Hieruit kan geconcludeerd worden dat een gescande handtekening geen substantieel vormgebrek is. Ook het Hof van Cassatie had, in burgerlijke zaken, voor de invoering van dit wetsartikel al het standpunt ingenomen dat een niet originele handtekening op een akte niet automatisch tot de nietigheid leidde.[4]

Deze zienswijze kan niet zomaar doorgetrokken worden voor vonnissen en arresten. Een regularisatie van de handtekening ter zitting is uiteraard onmogelijk. Aangezien de identiteit van de ondertekenaars, dus de rechters, raadsheren en/of griffiers, van openbare orde zijn en essentieel voor de beslissing, kan deze niet zomaar vervangen worden door een gescande handtekening.

Als de Minister van Justitie dus beweert dat vonnissen en arresten zomaar kunnen gescand worden met een handtekening erop en dat dit dan een rechtsgeldig digitale akte is, dan lijkt ons dat al te kort door de bocht. De enige elektronische handtekening die oi. wel rechtsgeldig is, is de gekwalificeerde elektronische handtekening. Dus de rechters en griffiers zullen moeten handtekenen met behulp van hun eID.

 

Een technische onnauwkeurigheid ?

De technologie om via VAJA een gekwalificeerde elektronische handtekening aan te brengen is te verouderd en het heeft geen zin om er daarom nog geld in te pompen, aldus de Minister. Wie een beetje thuis is in de technologie, fronst zoals gezegd de wenkbrauwen. Er zijn immers tools genoeg op de markt om aan documenten een elektronisch gekwalificeerde handtekening toe te voegen. Deze mogelijkheid is zelfs voorzien in de courante PDF’s van Adobe. De technologie van VAJA speelt dus geen enkele rol, aangezien de handtekening op het gegenereerde document wordt aangebracht. En dit document zal naar alle waarschijnlijkheid een PDF zijn, aangezien dit formaat leesbaar is voor zowat elke computer in België.

Bovendien is dit niet zo vernieuwend als wordt voorgehouden. Zelfs niet op nationaal niveau. De Raad van State maakt reeds geruime tijd gebruik van de gekwalificeerde elektronische handtekening om zijn arresten te ondertekenen. Onze overheid beschikt dus wel degelijk over de technologie en kennis om zijn vonnissen en arresten op rechtsgeldige wijze elektronisch te ondertekenen. Eens te meer het bewijs dat er geen enkele wisselwerking bestaat tussen de gemeenrechtelijke en de administratieve rechtbanken. Het kan de overheid toch niet zoveel kosten om zijn eigen technologie te gaan overnemen bij een ander departement?

Conclusie

Dat we op dit moment nog geen gebruik maken van elektronische vonnissen en arresten is niet te wijten aan de technologie. Het lijkt eerder te wijten te zijn aan een gebrek aan kennis en inzet door diegene die daarover moeten beslissen.

Een kleine investering door Justitie, zou een wereld van verschil kunnen betekenen voor de magistratuur, de advocatuur en de rechtszoekenden.

Moest u nog vragen hebben, aarzel niet om onze specialisten ter zake te contacteren:  info@studio-legale.be

 

Christian CLEMENT

Koen DE BACKER

 

[1] Zie oa http://www.studio-legale.be/inzage-belgische-strafdossiers-kijken-mag-nog-kopieren-niet-meer-altijd/?lang=nl

[2] https://e-justice.europa.eu/content_member_state_case_law-13-nl.do

[3] Verord. Ep en Raad nr. 910/2014, 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG, Pb. L. 28 augustus 2014, afl. 257, 73-114.

[4] Cass. 22 december 1992, AR C.94.0484.F

Wij zijn geen nichekantoor, maar bieden een doorgedreven specialisatie aan in een heel aantal rechtsdomeinen. We begeleiden graag ondernemingen van A-Z.

Wij zoeken 3 nieuwe krachten om ons team te vervoegen. Er wordt steeds een brede opleiding aangeboden in het burgerlijk en handelsrecht, doch er zal bij de respectievelijke profielen nadruk worden gelegd op enkele van volgende rechtstakken :

  • aansprakelijkheidsrecht
  • WCO
  • vennootschapsrecht
  • bouwrecht
  • GDPR
  • faillissementen
  • (handels)huur
  • verzekeringsrecht
  • familiaal vermogensrecht
  • sociaal recht
  • verkeersrecht
  • administratief recht (omgevingsvergunningsdecreet)

 

 

Wij zoeken zeer gemotiveerde en enthousiaste werkkrachten, die klaar zijn voor de uitdagingen waar de moderne advocatuur momenteel voorstaat.

Wij verwachten van u een zelfstandige en initiatiefrijke werkhouding, met een goede juridische kennis, pragmatisch denkvermogen en oog voor detail.

We hechten veel belang aan talenkennis (Engels en Frans).

 

 

Wij bieden een zeer dynamische werkplek waar collegialiteit en teamspirit hoog in het vaandel worden gedragen.

U mag een correcte vergoeding en een degelijke opleiding verwachten, waarbij ruimte wordt gelaten om uw eigen dossiers te behandelen.

Contact :

 

Elke Willems

elke.willems@studio-legale.be

03/216.70.70

 Inzage Belgische strafdossiers : kijken mag (nog), kopiëren niet (meer altijd)..?

Een tweetal weken geleden liet de Eerste Voorzitter van het hof van beroep te Antwerpen plots weten dat het niet meer toegestaan is aan partijen om door middel van handscanners of smartphones kopie te nemen van strafdossiers die nog in onderzoek zijn. Concreet mag er niet meer gescand worden op de griffie van de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Antwerpen. Deze ommekeer heeft veel advocaten verrast, aangezien het voorheen wel toegelaten was. Het hof van beroep te Antwerpen heeft altijd een voortrekkersrol gehad met betrekking tot de omarming van digitale procesvoering en hedendaagse justitie. Dit maakt de verrassing des te groter. De verontwaardiging evenzeer.

Inmiddels is gebleken dat het eertijds progressieve Antwerpse Hof thans gedwongen wordt om in de pas te lopen van wat (blijkbaar) nationaal beslist werd (en alleszins) zonder enige ruggenspraak met de balies.

 

Het was al rechtsonzekerheid troef…:

Tot voor deze opmerkelijke démarche hanteerde zowat elke griffie in België zijn eigen regels met betrekking tot het nemen van kopie van een strafdossier tijdens een lopend onderzoek. Soms mag er gescand worden met een handscanner, soms mag er gefotografeerd worden, maar soms mag er enkel maar overgeschreven worden. Wat wel overal mag, voor zover toelating werd verleend tot kopiename, is de griffier rigoureus betalen voor het laten nemen van een kopie. Deze som die de griffie opstrijkt wordt het expeditierecht geheten.

Deze expeditierechten kunnen al snel oplopen. Het tarief voor de kopiename is 0,85 euro per bladzijde, met een minimum van 1,75 euro. De maximale kostprijs werd vastgelegd op 1.450 euro (art. 272 W. Reg.). Deze kosten zijn uiteraard niet verschuldigd indien een partij zelf de kopieën neemt met een handscanner of smartphone.

In een omzendbrief van 27 februari 2014 van de Federale Overheidsdienst Financiën werd expliciet gesteld dat in het strafrecht de verdedigers van verdachten en beschuldigden steeds gerechtigd zijn om zelf kopie te nemen van een strafdossier.[1] Nergens in deze omzendbrief wordt dit recht beperkt tot de strafdossiers die niet meer in onderzoek zijn. Met andere woorden, ook in een lopend strafdossier geldt dit recht op het nemen van kopieën met eigen technologische middelen.

In de praktijk moet worden vastgesteld dat elke griffie er nog steeds zijn eigen werkwijze op nahoudt.

In juni 2017 verklaarde Minister van Justitie Koen Geens over deze vaststelling het volgende[2]:

“Het College van Hoven en Rechtbanken heeft mij bevestigd dat ze zullen wijzen op de uniforme werkwijze. Dat betekent dat men digitaal kopieën mag nemen”. Kopiename zou hierdoor gratis worden.

Niets blijkt thans dus minder waar. Daar waar door de Minister een vooruitgang werd vooropgesteld, dienen we vandaag vast te stellen dat de eertijds progressievere griffies hun beleid verstrengen..?

 

 Niet conform de Europese waarborgen op een eerlijk proces..:

Artikel 6 EVRM  waarborgt een ieder het recht op een eerlijk proces. Artikel 6, derde lid, b EVRM bepaalt dat een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, het recht heeft te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging. Het recht op kennisneming van het strafdossier vloeit voort uit het recht op een eerlijk proces en het recht op wapengelijkheid. Deze stelling werd in de rechtspraak van het EHRM bij herhaling bevestigd.

Deze wapengelijkheid dient er niet enkel tussen het openbaar ministerie en de vervolgde partij te zijn, maar ook tussen de partijen onderling. Zo is in het huidige Belgische systeem een begoede verdachte in staat om een omvangrijk strafdossier te laten kopiëren, daar waar een minder begoed slachtoffer deze mogelijkheid niet heeft. Deze ongelijkheid speelt niet enkel voor de rechter ten gronde, maar ook tijdens het vooronderzoek. Het wetboek van strafvordering geeft de partijen immers rechten en mogelijkheden om een onderzoek mee te sturen. Op basis van het onderzoek kunnen zij bijkomend onderzoek vragen. De partij die de tijd heeft om haar kopie rustig te bestuderen is hierbij in een voordeligere positie dan de partij die het dossier moet liggen overpennen op de griffie tijdens de griffie-uren.

 

De ene (inzage-)rechtstaat, is de andere (inzage-)rechtstaat niet :

België blijft thans dan ook in gebreke om het recht van verdediging te waarborgen. Los van de wapengelijkheid tussen de partijen, moet eenieder die het voorwerp uitmaakt van een strafonderzoek de mogelijkheid krijgen om zijn verdediging te voeren en voor te bereiden. De inzage tijdens het vooronderzoek wordt in de praktijk veelal beperkt. Een kopiename tijdens het gerechtelijk onderzoek wordt hetzij niet toegelaten, hetzij ernstig bemoeilijkt of financieel onaantrekkelijk gemaakt.

België hinkt wat dat betreft stevig achterop zijn buurlanden. 

Zo heeft elke verdachte in Frankrijk vanaf 4 dagen voor hij een eerste keer verhoord zal worden in een lopend stafdossier automatisch inzage in dit dossier[3].

Na het eerste verhoor heeft de inverdenkinggestelde en/of de burgerlijke partij onbeperkt toegang tot het strafdossier.

Hierbij kan deze partij een kopie van deze stukken vragen aan de griffie, die deze binnen de maand na het verzoek moet afleveren. Deze kopiename is gratis. Pas als een partij een stuk wil laten kopiëren waarvan ze reeds gratis kopie hebben verkregen, moet er betaald worden.

Bovendien kan dit kopie elektronisch worden afgeleverd per e-mail.[4]

Maar ook in Nederland hebben ze ondertussen de rechtspraak van het EHRM omgezet in wetgeving.

Inzage kan in Nederland gevraagd worden tijdens het ganse opsporingsonderzoek, maar wordt zelfs automatisch toegekend aan een verdachte vanaf het eerste verhoor na een aanhouding.[5] Hiervan kan afgeweken worden in het belang van het onderzoek, wat evenwel de uitzondering is.

Zodra een dagvaarding ten gronde werd betekend, is er altijd recht op inzage van het strafdossier.[6] Er kunnen dan geen uitzonderingen meer gemaakt worden.

Als er een inzagerecht is, kan aan het Nederlandse parket of griffie een kopie worden aangevraagd (afhankelijk waar het dossier hangende is).[7]  Deze kopie kan ook elektronisch worden afgeleverd.[8] Sinds 1 januari 2015 is het zelfs mogelijk om als partij je strafdossier online te consulteren via rechtspraak.nl.

In België zijn er ondertussen ook enkele rechtbanken die werken met een digitaal strafdossier. Vooral de Nederlandstalige rechtbank te Brussel maakt hier vlijtig gebruik van, maar ook in Antwerpen komt dit stilaan op gang. De strafdossiers zijn dan te consulteren op een computer ter griffie. Een kopie op USB is niet toegelaten en (dan maar) foto’s nemen van het s
cherm zelden. Dit alles onder het mom van het geheim van het onderzoek. In Brussel leidt dit evenwel tot het fenomeen waarbij een hele rij advocaten naast elkaar voor computerschermen zitten en luidop het strafdossier voorlezen in hun dictafoon. Dus het tegenstelde wordt bereikt van dat wat er beoogd wordt.

 

Besluit :

De conclusie is dat de Belgisch justitie andermaal in gebreke blijft. Daar waar Nederland en Frankrijk in het strafonderzoek de inzage door de verdachten vanzelfsprekend achten, wordt in België zoveel als mogelijk deze poort dichtgehouden. Maar zelfs als er een inzagerecht of – gunst is, dan nog zijn er stevige verschillen. In België ben je als partij afhankelijk van het beleid van de lokale griffie om te weten of je zelf kopie mag nemen of niet. En als je de griffier ter hulp vraagt, zal deze daar een aanzienlijke financiële tegenprestatie voor eisen. In Frankrijk is het kopie gratis, in Nederland kan je het zelfs rustig downloaden van bij je thuis.

Mogelijks is het nodig om de Minister van Justitie zijn eigen uitspraak in herinnering te brengen zodat hij de noodzakelijke wettelijke ingrepen doet om de partijen toe te laten kosteloos kopie te nemen van lopende strafonderzoeken. Het zal een wetgevend initiatief moeten worden, want uit de praktijk blijkt dat richtlijnen, voorschriften, afspraken en gezond verstand niet volstaan…

 

Moest u nog vragen hebben, aarzel niet om onze specialisten ter zake te contacteren:  info@studio-legale.be

 

Christian CLEMENT

Koen DE BACKER

 

[1] Circulaire nr. 6/2014 d.d. 27 februari 2014 van de Federale Overheidsdienst Financiën inzake expeditierecht – algemene heffingsregels – berekening van het recht – toepasselijk tarief.

[2] https://www.koengeens.be/news/2017/06/17/kopie-van-strafdossier-in-rechtbanken-wordt-gratis

[3] Artikel 114 CPP (FR)

[4] Artikel 803-1 CPP (FR)

[5] Artikel 30, 1 Sv (NL)

[6] Artikel 33 Sv (NL)

[7] Artikel 32 Sv (NL)

[8] Artikel 36a Sv (NL)

Referenties:

https://www.jubel.be/inzage-belgische-strafdossiers-kijken-mag-nog-kopieren-niet-meer-altijd/

https://www.jubel.be/worden-advocaten-opnieuw-middeleeuwse-monniken/

https://www.hln.be/de-krant/-zijn-we-advocaten-of-monniken~a0897cc1/?context=REGISTER_ACTIVATE#paywall

http://www.assisen.be/waanzin-wantrouwen-en-of-machtswellust/

https://legalnews.be/straf-en-strafprocesrecht/inzage-belgische-strafdossiers-kijken-mag-nog-kopieren-niet-meer-altijd-studio-legale/

Studio Legale is op zoek naar 2 advocaat-stagiair(e)s !!

 

 

Wij zijn geen nichekantoor, maar bieden een doorgedreven specialisatie aan in een heel aantal rechtsdomeinen.

 

Wij zoeken 2 nieuwe krachten om ons team te vervoegen :

 

  • Mtr. Olivier Boes is op zoek naar iemand die hem kan bijstaan in het ruime handels- en burgerlijk recht (incl. vastgoedrecht).

 

  • Mtr. Joost Peeters zoekt iemand die interesse heeft in het handelsrecht, insolventierecht en bouwrecht.

 

 

Wij zoeken zeer gemotiveerde en enthousiaste werkkrachten, die klaar zijn voor de uitdagingen waar de moderne advocatuur momenteel voorstaat.

 

Wij verwachten van u een zelfstandige en initiatiefrijke werkhouding, met een goede juridische kennis, pragmatisch denkvermogen en oog voor detail.

 

 

Wij bieden een zeer dynamische werkplek waar collegialiteit en teamspirit hoog in het vaandel worden gedragen.

 

U mag een correcte vergoeding en een degelijke opleiding verwachten, waarbij ruimte wordt gelaten om uw eigen dossiers te behandelen.

 

 

Contact :

 

Elke Willems

elke.willems@studio-legale.be

03/216.70.70

Een collectieve schuldenregeling tracht de financiële toestand van de schuldenaar te herstellen teneinde hem in staat te stellen zijn schulden af te lossen en een menswaardig leven te leiden. Dit gebeurt aan de hand van een minnelijke, dan wel een gerechtelijke aanzuiveringsregeling in geval er geen akkoord bereikt wordt.[1]

In een minnelijke procedure zijn partijen vrij een akkoord te bereiken over de verschuldigde sommen. Zij kunnen hierbij overeenkomen bepaalde schulden gedeeltelijk of volledig te laten vallen, ongeacht de aard. [2]

Ook in een gerechtelijke procedure is er een mogelijkheid tot kwijtschelding. Deze optie staat enkel open indien andere maatregelen niet volstaan om de schuldenaar in staat te stellen zijn schulden te betalen.[3] Men moet namelijk eerst overgaan tot uitstel of herschikking van betaling van de schulden in hoofdsom, interesten en kosten, een eventuele vermindering van de conventionele of wettelijke rentevoet en een gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van moratoire intresten, vergoedingen en kosten. [4] Indien dit geen oplossing biedt, kan worden overgegaan tot elke andere gedeeltelijke kwijtschelding van schulden ingeval van naleving van de procedurevoorschriften.[5]

Toch worden een aantal schulden uitgesloten van de kwijtschelding. Het gaat hierbij om onderhoudsgelden, schulden die een schadevergoeding inhouden ten gevolge van door een misdrijf veroorzaakte lichamelijke schade en de schulden van een gefailleerde die overblijven na het sluiten van het faillissement.[6]

Onderhoudsgelden kunnen in geen geval worden kwijtgescholden. Dit geldt zowel t.a.v. onderhoudsgerechtigden, als t.a.v. de Dienst voor alimentatievorderingen (DAVO) die over dezelfde rechten, vorderingen en waarborgen beschikken.[7]

Omtrent de penale boetes was er de voorbije jaren heel wat discussie. Middels een arrest van het Hof van Cassatie van 2016 werd hiermee komaf gemaakt. Het Hof stelt dat de kwijtschelding geen betrekking kan hebben op schulden als gevolg van de veroordeling tot een penale boete, ongeacht het feit dat deze categorie niet wordt vermeld in de lijst van niet-kwijtscheldbare schulden.[8] Het is wel mogelijk om beroep te doen op het koninklijk genaderecht van artikel 110 van de Grondwet waarbij de Koning het recht heeft om de uitgesproken straffen kwijt te schelden of te verminderen.

Als blijkt dat geen enkele minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling mogelijk is, omdat de schuldenaar over onvoldoende middelen beschikt, kan worden overgegaan tot de totale kwijtschelding van de schulden. Dit kan gepaard gaan met eventuele begeleidingsmaatregelen en gebeurt steeds onder voorbehoud van beter fortuin binnen 5 jaar na de beslissing.[9] Tot slot kan de schuldeiser uiteraard steeds de regeling doen herroepen binnen de 5 jaar zo er in hoofde van de schuldenaar sprake is van bedrieglijke handelingen die de schuldeisers tot nadeel strekken.[10]

Moest u nog vragen hebben, aarzel niet om onze specialisten ter zake te contacteren:  info@studio-legale.be

 

[1] Art. 1675/3 Ger.W.

[2] Art. 1675/10, §3bis Ger.W.

[3] Art. 1675/13, §1 Ger.W.

[4] Art. 1675/12, §1 Ger.W.

[5] Art. 1675/13, §1 Ger.W.

[6] Art. 1675/13, §3 Ger.W.

[7] Art. 16, §3 Wet 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën (1), BS 28 maart 2003, 15784.

[8] Cass. 21 november 2016, S.16.0001.N.

[9] Art. 1675/13bis Ger.W.

[10] Art. 1675/15, §2 Ger.W.

 

—————————————————————————————————————————–

L’annulation des dettes dans le cadre du règlement collectif de dettes

 

Le règlement collectif de dettes vise à réparer la situation financière du débiteur afin de lui permettre de régler ses dettes et de vivre dignement.

Ceci se fait par la voie d’un plan de règlement amiable ou bien par un plan de règlement judiciaire, dans le cas où un accord entre les créanciers n’est pas possible.[1]

Un plan de règlement amiable permet aux parties de convenir d’un accord sur les dettes. Les parties peuvent convenir que certaines dettes seront acquittées, soit partiellement, soit intégralement et ce, quelle que soit l’origine de la dette.[2]

L’annulation des dettes est également possible par un plan de règlement judiciaire mais uniquement si aucune autre mesure ne permet au débiteur de payer ses dettes.[3]

D’abord, il faut vérifier si un report ou un rééchelonnement du paiement des dettes en principal, intérêts et frais, une réduction du taux d’intérêt conventionnel au taux d’intérêt légal, une remise de dettes totale ou partielle des intérêts moratoires, de l’indemnité et des frais est possible.[4]

Si ces différentes mesures ne permettent pas d’atteindre l’objectif visé par le règlement collectif de dettes, il peut procéder à toute autre remise partielle de dettes si les modalités procédurales sont respectées.[5]

Néanmoins, certaines dettes sont exclues de l’annulation : les dettes alimentaires, les dettes constituées d’indemnités accordées pour la réparation d’un préjudice corporel causé par une infraction et les dettes d’un failli subsistant après la clôture de la faillite.[6]

Les dettes alimentaires ne peuvent en aucun cas être annulées et ce, ni vis-à-vis des créanciers d’aliments, ni vis-à-vis du Service des créances alimentaires disposant des mêmes droits, actions et garanties.[7]

Précédemment, il y avait beaucoup de discussions au sujet des amendes pénales. La Cour de Cassation a tranché la question dans un arrêt de 2016. La Cour dit que l’annulation ne peut pas porter sur des dettes relatives à des amendes pénales, même si cette catégorie ne fait pas partie de la liste des dettes n’étant pas annulables. [8]

Il est néanmoins possible d’invoquer la demande en grâce royale prévue à     l’article 110 de la Constitution, ce qui donne le droit au Roi de remettre ou de diminuer les peines prononcées par les juges.

S’il apparaît qu’aucun plan de règlement amiable ou judiciaire n’est réalisable puisque le débiteur ne dispose pas de ressources suffisantes, on peut procéder à l’annulation totale des dettes.

L’annulation peut être assortie de mesures d’accompagnement mais toujours sous réserve d’un retour à meilleure fortune dans les cinq années suivant la décision.[9] Finalement, si le débiteur a commis des actions frauduleuses qui portent préjudice aux créanciers, ceux-ci ont le droit de demander de révoquer la décision endéans les cinq années[10]

 

[1] Art. 1675/3 C.J.

[2] Art. 1675/10, §3bis C.J.

[3] Art. 1675/13, §1 C.J.

[4] Art. 1675/12, §1 C.J.

[5] Art. 1675/13, §1 C.J.

[6] Art. 1675/13, §3 C.J.

[7] Art. 16, §3 Loi créant un Service des créances alimentaires au sein du SPF Finances, MB 28 mars 2003, 15784.

[8] Cass. 21 novembre 2016, S.16.0001.N.

[9] Art. 1675/13bis C.J.

[10] Art. 1675/15, §2 C.J.

(Een beeld uit de documentaire ‘Femme de la rue’, die de aanleiding was voor de wet. © RV)

Op 6 juni 2016 merken twee politie-inspecteurs van de zone Zaventem een man op die een rood voetgangerslicht negeert en andere weggebruikers in gevaar brengt. De inspecteurs proberen hem op verschillende manieren te laten stoppen.

Wanneer de man uiteindelijk tegengehouden wordt, reageert hij geagiteerd en eist hij om in het Frans te communiceren. De man wordt hoe langer, hoe bozer en scheldt beide inspecteurs uit voor “vuile strontflik”. Nadien richt hij zich enkel nog tot de vrouwelijke inspecteur en zegt hij zegt haar dat ze een job moet zoeken die geschikt is voor een vrouw, zoals bankbediende. Wanneer hij hierop wordt aangesproken, zegt hij dat hij niet met vrouwen praat  en dat “de vuile hoer” moet zwijgen.

Na kennisname van het proces verbaal besluit het parket Halle-Vilvoorde de man te dagvaarden. Hiervoor baseerden zij zich op de nieuwe ‘seksismewet’ (voluit ‘de wet van 22 mei 2014 ter bestrijding van seksisme in de openbare ruimte’)

Deze wet stelt “elk gebaar of handeling in de openbare ruimte strafbaar wanneer dit klaarblijkelijk bedoeld is om minachting uit te drukken jegens een persoon wegens zijn geslacht, of deze, om dezelfde reden, als minderwaardig te beschouwen of te reduceren tot diens geslachtelijke dimensie en die een ernstige aantasting van de waardigheid van deze persoon ten gevolge heeft.”[1]

Kortom moet een bepaald gedrag, om als seksisme te kunnen worden aanzien, vijf kenmerken bevatten:  een uitspraak of handeling (1), in de openbare ruimte (2), die duidelijk bedoeld is (3), om één of meerdere specifieke personen (4), te vernederen omwille van hun geslacht, met een ernstige aantasting van de waardigheid van die persoon tot gevolg (5).

Deze in het verleden reeds meermaals bekritiseerde definitie laat echter nog steeds veel ruimte voor interpretatie. [2]

Zo kan men de vraag stellen wat de wetgever bedoelt met ‘gebaren of handeling die bedoeld zijn om iemand als minderwaardig te beschouwen of terug te brengen tot diens geslachtelijke dimensie’…

Ondanks het vage karakter van de delictsomschrijving beslist de rechter autonoom over het al dan niet strafbaar karakter van de handeling en/of het gedrag.

Zo achtte de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg in Brussel in de bovenvermelde  casus dat de gedragingen onder het toepassingsgebied van de nieuwe seksismewet vallen en achtte het seksisme bewezen.

Op 7 november 2017 werd de man bij verstek veroordeeld tot een geldboete van 500 euro. (vermenigvuldigd met de opdeciemen: 3.000 euro. )

De rechter kon echter ook een gevangenisstraf uitspreken aangezien de wet seksisme straft met een gevangenisstraf  van 1 maand tot 1 jaar en/of een geldboete van 50 tot 1.000 euro.[3]

EERSTE STEEN GELEGD?

Nu de seksismewet voor het eerst werd toegepast door een correctionele rechtbank verkreeg ze de nodige media-aandacht.

In het eerste jaar dat de wet van kracht was, leverde ze volgens navraag van De Morgen amper 25 klachten op in Vlaanderen, Wallonië en Brussel samen.

Het is af te wachten of dit vonnis een verandering zal brengen in het (beperkt) aantal klachten…

To be continued, dus …

Heeft U hierover vragen of wenst u zelf klacht neer te leggen wegens seksisme ?

Werd u zelf verhoord, in verdenking gesteld of gedagvaard voor een feit van vermeend seksimse ?

Neem contact op met de strafcel van ons kantoor : info@studio-legale.be

[1] Artikel 2 wet van 22 mei 2014 ter bestrijding van seksisme in de openbare ruimte, BS 24 juli 2014.

[2] https://www.demorgen.be/opinie/een-wet-zoals-de-antiseksismewet-is-niet-alleen-inefficient-maar-ook-contraproductief-b3d38adc/

[3] Artikel 3 van de wet van 22 mei 2014 ter bestrijding van seksisme in de openbare ruimte, BS 24 juli 2014

De wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, ook wel de “Potpourri II-wet” genoemd, voert diverse aanpassingen door in het strafprocesrecht, en dit met het oog op een snellere en efficiëntere rechtsbedeling.

Middels een arrest dd. 21 december 2017 heeft het Grondwettelijk Hof evenwel geoordeeld dat enkele bepalingen van deze zgn. Potpourri II-wet ongrondwettig zijn. Dit is onder meer het geval voor de regels rond de hervorming van het Hof van Assisen.

De potpourri II-wet schafte met name de voorheen bestaande limitatieve lijst van misdaden die wegens verzachtende omstandigheden konden worden gecorrectionaliseerd af. Dit had als gevolg dat voortaan alle misdaden – ook de allerzwaarste – door de correctionele rechtbanken konden worden berecht, en niet meer – zoals vroeger – uitsluitend door het Hof van Assisen.

Minister van Justitie Koen Geens wilde met deze hervorming komaf maken met dure en tijdrovende assisenprocessen. Omwille van deze veralgemeende correctionaliseerbaarheid van misdaden heeft de wetgever simultaan ook de straffen die door de correctionele rechtbanken konden worden uitgesproken aanzienlijk verhoogd, met name tot veertig jaar i.p.v. de voorheen geldende grens van twintig jaar.

Art. 150 van de Grondwet schrijft echter voor dat alle criminele zaken door het Hof van Assisen moet worden behandeld. Dit artikel verplicht de wetgever m.a.w. om minstens de zwaarste misdrijven voor te behouden aan een volksjury. Door de wetswijziging konden echter alle misdaden onttrokken worden aan de rechter die de Grondwet toewijst.

Aangezien hierbij bovendien enkel het eerder subjectieve criterium van de ‘verzachtende omstandigheden’ wordt gehanteerd om te beslissen of een misdaad voor het Hof van Assisen dan wel voor de correctionele rechtbank wordt gebracht (en aldus de bevoegdheid van de rechtscolleges bepaalt), stelt het Grondwettelijk Hof dan ook zeer terecht dat de nieuwe regeling niet verzekert dat personen die zich in dezelfde toestand bevinden, volgens dezelfde regels inzake bevoegdheid en rechtspleging worden berecht, hetgeen het gelijkheidsbeginsel schendt.

Bovendien was het dus allesbehalve zeker dat deze ‘correctionalisering’ op basis van ‘verzachtende omstandigheden’ uiteindelijk in het voordeel van de beklaagde werkt, aangezien de correctionele rechtbank in bepaalde gevallen een hogere gevangenisstraf kan opleggen dan de minimale gevangenisstraf die het Hof van Assisen kan opleggen.

Het was hoogst merkwaardig te noemen dat wanneer men eerstens verzachtende omstandigheden moet aannemen om de zaak weg van assisen te houden, de uiteindelijke straf van de correctionele rechtbank toch hoger kan zijn dan wanneer men die zelfde zaak voor de jury van het Assisenhof brengt…

Het lijkt er inmiddels hoe langer hoe meer op dat ook deze Minister van Justitie er niet in zal slagen om dit laatste bastion van de hoogdemocratische ‘volksrechtspraak’ (een burger die beoordeeld wordt door een jury van zijn gelijken), de procedure voor het Hof van Assisen, af te schaffen.

Het zo veelvuldig aangekondigde wetsvoorstel rond de ‘Criminele Kamers’, waarmee het Kabinet van Justitie eerstens de vele criticasters van het de facto einde van de volksjury zoet trachtte te houden en vervolgens als antwoord bezigde op dit duidelijke terugfluiten door het Grondwettelijke Hof, zag inmiddels nog steeds het daglicht niet…

Indien u nog vragen heeft over dit artikel, aarzel dan zeker niet om onze specialisten te contacteren. Zij helpen u graag verder.

Christian CLEMENT

Sarah KLOECK

 

https://www.koengeens.be/news/2015/10/17/assisen-wordt-uitgedoofd
http://www.standaard.be/cnt/dmf20161007_02508140
https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2017/12/02/voor-assisen-of-voor-de-correctionele-rechtbank–een-wereld-van-/
https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2017/12/21/grondwettelijk-hof-vernietigt-assisenhervorming-/
https://nieuws.vtm.be/vtm-nieuws/binnenland/voor-lopende-zaken-verandert-er-niets
http://www.standaard.be/cnt/dmf20171221_03255615
http://www.knack.be/nieuws/belgie/grondwettelijk-hof-de-facto-afschaffing-van-assisen-is-een-schending-grondwet/article-normal-942547.htm
https://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20171221_03255625

UBER – Vervoersbedrijf

 

Het Hof van Justitie heeft op 20 december 2017[1] de dienstverlening van UBER als “vervoersdienst” gekwalificeerd, hetgeen in de toekomst hopelijk een einde zal stellen aan het eindeloze conflict tussen de taxichauffeurs en het bedrijf UBER.

 

Om te verantwoorden dat haar chauffeurs zonder licentie rijden, stelt UBER zichzelf voor als een bemiddelaar tussen de klant en de chauffeur die hem vervoert en niet als de effectieve vervoerder.[2]

 

Het arrest werd geveld na een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie met als oorzaak een conflict tussen UBER-chauffeurs en een beroepsvereniging van taxibestuurders van de stad Barcelona, daar de UBER-chauffeurs geen licentie hadden. Volgens de beroepsvereniging van taxichauffeurs maakt dit een schending uit van de Spaanse concurrentiewetgeving, omdat alleen taxichauffeurs een licentie moeten hebben.[3]

 

Het Hof van Justitie moest zich aldus buigen over de kwalificatie van de diensten die UBER aanbiedt. Enkel wanneer de diensten van UBER als een vervoersdienst worden beschouwd, moet UBER zich houden aan de reglementering van Barcelona opdat zij geen daad van oneerlijke concurrentie zou begaan.[4]

 

UBER is een elektronisch platform dat via een smartphone-applicatie chauffeurs en klanten met elkaar in contact brengt. Moet UBER dan gekwalificeerd worden als een “transportbedrijf” of als een “technologiebedrijf”?[5]

 

Het Hof heeft beslist dat UBER een “transportbedrijf” is, omdat de diensten “zich niet louter herleiden tot het verlenen van een bemiddelingsdienst”[6]. UBER “creëert van deze bemiddelingsdienst immers tegelijkertijd een aanbod van stadsvervoerdiensten die zij, met name door middel van IT-instrumenten zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde app, toegankelijk maakt en waarvan zij de algemene werking organiseert ten behoeve van personen die op dat aanbod wensen in te gaan voor het afleggen van een stadstraject.”[7]

 

Om deze reden beschouwt het Hof deze bemiddelingsdienst als een integrerend deel van een dienstenpakket waarvan het hoofdelement bestaat in een vervoerdienst”.[8]

 

De richtlijn 2000/31[9] betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij en de richtlijn 2006/123[10] betreffende diensten op de interne markt zijn dus niet van toepassing.

 

UBER is een transportbedrijf dat valt onder het vrij verkeer van diensten dat van toepassing is op de vervoerssector zoals bepaald in artikel 58 lid 1 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie. Het Hof geeft de Lidstaten de vrijheid om de voorwaarden te bepalen waaraan de diensten moeten voldoen met respect voor de Europese wetgeving.[11]

 

In België zal dit Arrest niet veel verandering met zich meebrengen, daar de UBER-chauffeurs in België reeds professionele chauffeurs zijn die over een licentie moeten beschikken.[12] De Rechtbank van Koophandel te Brussel legde reeds in haar stakingsbevel van 23 september 2015[13] een verbod op de applicatie “UBER POP”, waardoor in België enkel “UBER X bestaat”, een vervoersdienst met enkel professionele chauffeurs in het bezit van een licentie.

 

UBER werkt met chauffeurs die zelfstandig zijn. Op zijn website zegt UBER: “Je bent je eigen baas: jij beslist hoe je je tijd besteedt en je bent vrij om ook voor je eigen klanten te werken”. Het exacte statuut van UBER moet echter nog bepaald worden, het bestaan (of niet) van een band van ondergeschiktheid is tot op heden een heikel punt.

 

Wordt vervolgd…

 

Indien u nog vragen heeft over UBER, aarzel dan zeker niet om onze specialisten te contacteren. Zij helpen u graag verder.

 

 

[1] HvJ, Associacion Professioal Elite Taxi tegen UBER SYSTEMS SL, C-343/15, 20 décembre 2017.

[2] D.RENDERS, “Un taxi nommé UBER ou faut-il réformer le cadre normatif bruxellois sur les taxis?, C.D.P.K., 2015, liv.4, p.487.

[3] Persbericht n°136/17 over Arrest C-434/15, beschikbaar op https://curia.europa.eu/jcms/upload/docs/application/pdf/2017-12/cp170136fr.pdf

[4] Ibid.

[5] Ibid.

[6] Punt 37 van het Arrest.

[7] Punt 38 van het Arrest.

[8] punt 40 van het Arrest.

[9] Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (“Richtlijn inzake elektronische handel”)

[10] Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt ; het artikel 2.2.a. sluit de vervoerdienst uit van haar toepassingsgebied.

[11] Punten 46 en 47 van het Arrest.

[12] P. HAECK, « Lidstaten kunnen Uber aan banden liggen », DE TIJD, https://www.tijd.be/ondernemen/diensten/Lidstaten-kunnen-Uber-aan-banden-leggen/9964873, gezien op 7 februari 2018.

[13] Kh. Brussel 23 september 2015, TRNI 2015, 466, noot Neyrinck, N.

 

——————————————————————————————————————————————

UBER – société de transport

La Cour de Justice de l’Union européenne a qualifié les prestations de la société UBER de « services dans le domaine des transports » dans son Arrêt du 20 décembre 2017[1] ; ce qui permettra, nous l’espérons, d’éclaircir le conflit opposant les chauffeurs de taxi aux chauffeurs UBER là où la société américaine est active.

UBER se présente comme un simple « intermédiaire entre le client et le transporteur qui, lui, offre, une prestation de service de transport »[2] et non comme un prestataire de service de transport pour justifierque ses chauffeurs exercent leurs activités sans disposer de licence, contrairement aux sociétés de taxis.

Le conflit opposait, dans le cadre de la question préjudicielle posée à la Cour, l’association professionnelle des taxis de Barcelone à la société UBER en ce que ni la société ni les chauffeurs ne disposaient des licences prévues par la réglementation sur les services de taxi de l’agglomération de Barcelone. Ce qui, selon l’association, viole les règles de concurrence espagnole car seuls les chauffeurs de taxis doivent disposer d’une autorisation administrative préalable.[3]

Afin de répondre à la question, la Cour a du se pencher sur la qualification des prestations de la société. En effet, c’est seulement dans le cas où les prestations sont qualifiées de « service de transport » qu’UBER doit se conformer à la réglementation barcelonaise et ainsi ne pas commettre d’actes de concurrence déloyale.[4]

UBER est une plateforme électronique qui fournit, via une application, un service rémunéré de mise en relation de chauffeurs et de personnes désireuses d’utiliser le service de transport proposé par ceux-ci.[5] S’agit-il dès lors d’un « service de transport » ou d’un « service de la société de l’information » ?[6]

La Cour a décidé que les prestations sont des « service dans le domaine des transports » car le service proposé par UBER ne peut pas se résumer à un service d’intermédiation (point 37), UBER crée une véritable o
ffre de services de transport, certes, rendue accessible par une application électronique.[7]

Par conséquent la Cour considère que le service d’intermédiation proposé par UBER fait partie d’un service global dont l’élément principal est le transport. Les prestations ne sont dès lors pas, de ce fait, soumises à la Directive 2000/31[8] sur le marché électronique ni à la Directive 2006/123[9] sur le marché intérieur.[10] Les Etats membres peuvent donc légitimement réglementer les services de transport, dans le respect des règles générales du traité FUE.[11]

Dès lors que réglementer les services de transport ne porte pas atteinte au principe de libre prestation des services, la Cour laisse donc la liberté aux Etats membres de déterminer les conditions dans lesquelles les services doivent être fournis, dans le respect du droit de l’Union européenne.

Cet arrêt n’aura pas d’incidence concrète sur UBER en Belgique car les chauffeurs UBER qui opèrent dans notre pays sont des chauffeurs professionnels qui doivent déjà disposer d’une licence.[12] En effet, le tribunal de Commerce de Bruxelles[13] a interdit l’application UBER POP et donc seule UBER X subsiste, service opérant avec des chauffeurs professionnels sous licence.

UBER travaille avec des chauffeurs ayant le statut d’indépendant. Sur son site, UBER revendique « que le chauffeur est son propre patron et qu’il est libre de déterminer son temps de travail et les clients avec qui il travaille ». Cependant, le statut des chauffeurs UBER est encore à déterminer ; l’existence ou non d’un lien de subordination est sensible.

A continuer…

Studio Legale se tient prêt à vous conseiller sur toute question relative à UBER.

 

 

 

[1]C.J.U.E., Asociación Profesional Elite Taxi contre Uber Systems Spain SL, C-434/15 du 20 décembre 2017.

[2] D. RENDERS, “Un taxi nommé UBER ou faut-il réformer le cadre normatif bruxellois sur les taxis ? », C.D.P.K., 2015, liv.4, p.487.

[3] Communiqué de presse n°136/17 sur l’arrêt C-434/15.

[4] Communiqué de presse n°136/17 sur l’arrêt C-434/15.

[5] Communiqué de presse n°136/17 sur l’arrêt C-434/15.

[6] Communiqué de presse n°136/17 sur l’arrêt C-434/15.

[7] Point 38 de l’Arrêt.

[8] Directive 2000/31/CE du Parlement européen et du Conseil du 8 juin 2000 relative à certains aspects juridiques des services de la société de l’information, et notamment du commerce électronique, dans le marché intérieur («directive sur le commerce électronique»).

[9] Directive 2006/123/CE DU PARLEMENT EUROPÉEN ET DU CONSEIL du 12 décembre 2006 relative aux services dans le marché intérieur.

[10] Qui exclut les services de transport de son champs d’application à l’article 2.2.a. de la DIRECTIVE 2006/123/CE.

[11] Points 46 et 47 de l’Arrêt.

[12] P. HAECK, « Lidstaten kunnen Uber aan banden liggen », DE TIJD, https://www.tijd.be/ondernemen/diensten/Lidstaten-kunnen-Uber-aan-banden-leggen/9964873, consulté le 7 février 2018.

[13] Comm.Bruxelles (Nl), 23 septembre 2015, RDIR, 2015, liv. 4, 466.

 Op 18 januari 2017 trad verordening 655/2014[1] in werking. Het doel van de verordening is de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen te vergemakkelijken.

 

De regelgeving die reeds bestond, voldeed niet om op een efficiënte en kostenbesparende manier zijn schuldvordering te innen over de Europese grenzen heen. De schuldeiser moest immers naar de rechter van de lidstaat waar de bankrekening werd aangehouden. Zo werd men geconfronteerd met buitenlandse regels, bijkomende kosten én dit alles in een andere taal.[2]

 

Thans kunnen bedrijven en particulieren met behulp van een speciale Europese procedure eenvoudiger bewarend beslag leggen op een bankrekening in een andere lidstaat.[3]

 

De procedure is enkel van toepassing in grensoverschrijdende burgerlijke en handelsgeschillen en kreeg de naam EAPO (‘European Account Preservation Order’). Een zaak is grensoverschrijdend indien de bankrekeningen waarop het bevel tot bewarend beslag betrekking heeft, worden aangehouden in een andere lidstaat dan de lidstaat van het gerecht waarbij het verzoek om het bevel tot bewarend beslag is ingediend of de lidstaat waar de schuldeiser zijn woonplaats heeft.[4] De procedure is tevens eenzijdig, wat maakt dat de schuldeiser zijn schuldenaar als het ware kan ‘verrassen’.

 

De schuldeiser kan een Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen verkrijgen:

–     Voorafgaand aan het bodemgeschil ;

–     Tijdens een hangende procedure ;

–     Nadat de schuldeiser een rechterlijke beslissing, gerechtelijke schikking of authentieke akte heeft verkregen die de schuldenaar verplicht de vordering te voldoen

 

In het eerste geval is het nog aan de schuldeiser om een procedure in te stellen tegen zijn schuldenaar. Hij dient het gerecht waar het verzoek om een bevel is ingediend daarvan tijdig bewijs te leveren. Het gerecht dat bevoegd is om kennis te nemen van het bodemgeschil is tevens het gerecht waar het verzoek om een bevel moet worden ingediend. Er geldt slechts één uitzondering: zo de schuldenaar een consument is, dient het verzoek te worden ingediend bij het gerecht van de woonplaats van de schuldenaar.

In de tweede laatste gevallen dient de schuldeiser het verzoek te richten aan het gerecht van de lidstaat waar de beslissing werd gegeven.

 

Het verzoek om een bevel gebeurt middels een standaardformulier[5]. Zo de schuldeiser nog niet over een titel beschikt, zal hij moeten aantonen dat zijn vordering waarschijnlijk gegrond wordt verklaard. In het andere geval dient hij te bewijzen dat er een reëel risico bestaat dat de latere inning van de vordering onmogelijk wordt gemaakt of wordt bemoeilijkt indien er geen bevel zou worden uitgereikt. Het is mogelijk dat de rechtbank de schuldeiser hierbij zal verplichten een zekerheid te stellen teneinde de belangen van de schuldenaar te beschermen en eventueel misbruik te voorkomen. [6]

 

Het bevel tot bewaren beslag wordt zonder speciale procedure erkend en is zonder uitvoerbaarverklaring uitvoerbaar in de EU-lidstaten, met uitzondering van Denemarken en het Verenigd Koninkrijk.

De rekeningen van de schuldenaar zullen geblokkeerd worden ten belope van het bedrag van de vordering van de schuldeiser. Het surplus blijft wel beschikbaar.[7]

 

Tot slot bestaat er tevens een mechanisme waarbij de schuldeiser de nationale rechter kan verzoeken om informatie op te vragen over de bankrekeningen van de schuldenaar. Zo de schuldeiser al over een uitvoerbare rechtelijke beslissing beschikt, gelden er geen bijkomende voorwaarden. Is dit echter niet het geval, dan zal de schuldeiser moeten aantonen dat de informatie dringend moet worden verstrekt omdat anders de latere inning van de vordering in het gedrang dreigt te komen waardoor de financiële situatie van de schuldeiser aanzienlijk zou verslechteren.[8]

 

Studio Legale staat voor U klaar om U met raad en daad bij te staan en een bevel tot Europees conservatoir bankbeslag te bekomen.

 

 

 

[1]Verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken, Pb.EU L 189/59; http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32014R0655

[2]c. vanleenhove, “Europees conservatoir bankbeslag: nieuw wapen voor schuldeiser in grensoverschrijdende geschillen”, De Juristenkrant 2016, nr. 340, 8-9.

[3]De verordening is niet van toepassing in Denemarken en het Verenigd Koninkrijk

[4]http://www.ordeexpress.be/artikel/134/1769/vereenvoudiging-conservatoir-bankbeslag-over-de-europese-grenzen-heen

[5]U kan deze hier terugvinden: https://e-justice.europa.eu/content_european_account_preservation_order_forms-378-nl.do?clang=nl

[6]http://www.ordeexpress.be/artikel/134/1769/vereenvoudiging-conservatoir-bankbeslag-over-de-europese-grenzen-heen

[7]c. vanleenhove, “Europees conservatoir bankbeslag: nieuw wapen voor schuldeiser in grensoverschrijdende geschillen”, De Juristenkrant 2016, nr. 340, 8-9.

[8]c. vanleenhove, “Europees conservatoir bankbeslag: nieuw wapen voor schuldeiser in grensoverschrijdende geschillen”, De Juristenkrant 2016, nr. 340, 8-9.

 

———————————————————————————————————————

 

La saisie conservatoire européenne sur les avoirs bancaires : une procédure simplifiée pour les litiges transfrontaliers

 

Le règlement 655/2014 est entré en vigueur ce 18 janvier 2017[1]. L’objectif du règlement est de faciliter le recouvrement transfrontalier de créances.

 

La réglementation antérieure n’était pas suffisante pour parvenir, au-delà des frontières, à obtenir de manière efficace et économique le paiement de créances. Le créancier devait agir devant le tribunal de l’État dans lequel le compte bancaire était ouvert. On était ainsi confronté à des règles de droit étrangères, à des coûts supplémentaires et tout ceci le plus souvent dans une langue étrangère[2].

 

Grâce à cette nouvelle procédure européenne, les entreprises et particuliers peuvent désormais déposer de façon simplifiée des saisies conservatoires sur des comptes bancaires dans un autre État membre[3].

 

La procédure, dénommée « EAPO » (pour « European Account Preservation Order ») n’est applicable qu’aux litiges civils et commerciaux de nature transfrontalière. Un litige « transfrontalier » est un litige dans lequel les comptes bancaires devant faire l’objet d’une saisie conservatoire sont tenus dans un État membre autre que l’État membre de la juridiction qui a été saisie de la demande d’ordonnance de saisie conservatoire ou l’État membre dans lequel le créancier est domicilié[4]. La procédure est unilatérale, ce qui permet au créancier, pour ainsi dire, de « surprendre » son débiteur.

 

Le créancier peut recourir à l’ordonnance de saisie conservatoire européenne :

–     Avant d’engager une procédure au fond ;

–     À tout moment au cours de la procédure au fond ;

–     Après avoir obtenu une décision judiciaire, une transaction judiciaire ou un acte authentique exigeant du débiteur le paiement de sa créance.

 

Dans le premier cas, il appartient toujours au créancier d’introduire une action contre son débiteur. Il doit en apporter la preuve en temps opportun à la juridiction dans laquelle la demande d’ordonnance de saisie conservatoire est introduite. La juridiction compétente pour connaître du litige sur le fond est également la juridiction dans laquelle la demande d’ordonnance doit être introduite. Il n’existe qu’une exception : lorsque le débiteur est un consommateur, la demande doit être introduite dans la juridiction du domicile du débiteur.

 

Dans les deux autres cas, le créancier doit adresser sa demander à la juridiction de l’État membre dans laquelle la décision a été rendue.

 

La demande d’ordonnance se fait à l’aide d’un formulaire standard[5]. Si le créancier ne dispose pas encore d’un titre, il devra démontrerqu’il sera probablement fait droit à sa demande au fond contre le débiteur. S’il dispose bien d’un titre, il devra démontrer qu’existe un risque réel qu’à défaut d’ordonnance, le recouvrement sera rendu impossible ou sensiblement plus difficile. Il est possible que le tribunal exige du créancier qu’il constitue une garantie pour protéger les droits du débiteur et éviter d’éventuels abus[6].

 

L’ordonnance de saisie conservatoire est reconnue dans les autres États membres sans qu’une procédure spéciale ne soit exigée, et est exécutoire sans que soit nécessaire une décision constatant sa force exécutoire (à l’exception du Danemark et du Royaume-Uni). Les comptes du débiteur sont bloqués dans la mesure du montant de la créance du créancier. Le surplus reste naturellement disponible[7].

 

Il existe, enfin, également un mécanisme par lequel le créancier peut interroger le juge national afin d’obtenir des informations sur les comptes bancaires du débiteur. Si le créancier dispose déjà d’une décision judiciaire exécutoire, il n’y a pas d’autre exigence à remplir. Si c’est n’est pas le cas, le créancier doit alors démontrer que l’information doit être fournie d’urgence à défaut de quoi le recouvrement ultérieur de la créance sera mis en péril et que cela pourrait conduire à une détérioration importance de sa situation financière[8].

 

Studio Legale se tient prêt à vous conseiller et à vous assister afin d’obtenir une ordonnance européenne de saisie conservatoire sur les avoirs bancaires de vos débiteurs.

 

[1]Règlement (EU) n° 655/2014 du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 portant création d’une procédure d’ordonnance européenne de saisie conservatoire des comptes bancaires, destinée à faciliter le recouvrement transfrontière de créances en matière civile et commerciale, JO UE L 189/59; http://eur-lex.europa.eu/legal-content/FR/TXT/?uri=CELEX%3A32014R0655

[2]c. vanleenhove, “Europees conservatoir bankbeslag: nieuw wapen voor schuldeiser in grensoverschrijdende geschillen”, De Juristenkrant 2016, n° 340, p. 8-9.

[3]Le règlement n’est pas applicable au Danemark et au Royaume-Uni.

[4]http://www.ordeexpress.be/artikel/134/1769/vereenvoudiging-conservatoir-bankbeslag-over-de-europese-grenzen-heen

[5]Vous pouvez trouver le formulaire ici: https://e-justice.europa.eu/dynform_intro_form_action.do?idTaxonomy=378&plang=fr&init=true&refresh=1

[6]http://www.ordeexpress.be/artikel/134/1769/vereenvoudiging-conservatoir-bankbeslag-over-de-europese-grenzen-heen

[7]c. vanleenhove, “Europees conservatoir bankbeslag: nieuw wapen voor schuldeiser in grensoverschrijdende geschillen”, De Juristenkrant 2016, n° 340, p. 8-9.

[8]c. vanleenhove, “Europees conservatoir bankbeslag: nieuw wapen voor schuldeiser in grensoverschrijdende geschillen”, De Juristenkrant 2016, n° 340, p. 8-9.

 

———————————————————————————————————————

 

 

European Account Preservation Order: a simplified procedure regaring cross-border disputes

 

On the 18th of January 2017, Regulation 655/2014[1] entered into force. The main goal of this Regulation is to simplify the cross-border recovery of debts.

 

The existing regulations did not allow a creditor to recover his cross-border debts in an efficient and cost saving manner. The creditor had to turn to the court of the Member State where the bank account was being held. This way, the creditor was confronted with foreign regulations, additional costs and proceedings in a foreign language.[2]

 

Companies and private persons will now be able to conduct a prejudgment seizure on a bank account in another Member State with the help of this distinctive European procedure.[3]

 

The procedure only applies to pecuniary claims in civil and commercial matters in cross-border cases and was given the name EAPO (European Account Preservation Order). A case is considered cross-border if the seized bank accounts are being held in another Member State than the Member State where the creditor has filed the prejudgment seizure at the court or where the creditor is domiciled.[4]

The procedure is conducted unilaterally, which means that the creditor will be able to ‘surprise’ his debtor.

 

The creditor can obtain a EAPO on a bank account in the following situations:

 

–     Previous to the court proceedings ;

–     During court proceedings ;

–     After the creditor has obtained a judgment, a settlement or an authentic instrument that compels the debtor to comply to the demands

 

In the first case, it will be up to the creditor to initiate proceedings against his debtor. He will also have to deliver proof of these proceedings in front of the court where he has filed the EAPO. The court that is competent to deal with the case is the same as the court where the creditor should file the EAPO.

Only one exception exists: if the debtor is a consumer, the EAPO should be filed with the court of the domicile of the debtor.

In the second and third case, the creditor will have to file the EAPO with the court of the Member State where the decision was rendered.

Filing an EAPO is done using a standard form[5]. If the creditor does not dispose of a legal title, he will have to prove that his claim will likely be declared valid. On the other hand – if the creditor does dispose of a legal title – he will have to prove that there is a likely risk that future enforcement of the claim will be made impossible of very difficult if he wouldn’t obtain an EAPO, in which case the court has the possibility to force the creditor to make a security deposit in order to protect the debtor and to prevent any misuse.[6]

 

The EAPO is recognized without any special procedure and can be enforced in all Member States – with the exception of Denmark and the United Kingdom – and without any declaration of enforceability.

The bank accounts of the debtor will be blocked for an amount the value of the claim. The surplus will remain available to the debtor.[7]

 

Finally, the Regulation provides a mechanism that allows the creditor to obtain information regarding the bank accounts of his debtor from the court of his Member State. There are no other requirements if the creditor already disposes of an enforceable judgment. If this is however not the case, the creditor will have to prove that his request for information is urgent and that otherwise any future enforcement of the claim will be compromised, which will in its turn aggravate the financial situation of the creditor.[8]

 

Studio Legale is at your service and will help you obtain an EAPO if necessary.

 

 

 

 

 

 

[1]Regulation (EU) no 655/2014 of the European Parliament and of the Council of 15 May 2014 establishing a European Account Preservation Order procedure to facilitate cross-border debt recovery in civil and commercial mattersPb.EU L 189/59; http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32014R0655

[2]c. vanleenhove, “Europees conservatoir bankbeslag: nieuw wapen voor schuldeiser in grensoverschrijdende geschillen”, De Juristenkrant 2016, nr. 340, 8-9.

[3]The Regulation does not apply in Denmark and the United Kingdom.

[4]http://www.ordeexpress.be/artikel/134/1769/vereenvoudiging-conservatoir-bankbeslag-over-de-europese-grenzen-heen

[5]You can find this here: https://e-justice.europa.eu/content_european_account_preservation_order_forms-378-nl.do?clang=nl

[6]http://www.ordeexpress.be/artikel/134/1769/vereenvoudiging-conservatoir-bankbeslag-over-de-europese-grenzen-heen

[7]c. vanleenhove, “Europees conservatoir bankbeslag: nieuw wapen voor schuldeiser in grensoverschrijdende geschillen”, De Juristenkrant 2016, nr. 340, 8-9.

[8]c. vanleenhove, “Europees conservatoir bankbeslag: nieuw wapen voor schuldeiser in grensoverschrijdende geschillen”, De Juristenkrant 2016, nr. 340, 8-9.

 1 januari 2018: nieuwe pandwet treedt in werking !

 

Algemeen

De Wet van 11 juli 2013 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffing van diverse bepalingen ter zake (hierna: ‘de Nieuwe Pandwet’) treedt op 1 januari 2018 – eindelijk – in werking.

De inwerkingtreding van de Nieuwe Pandwet was normaliter reeds op 1 december 2014 voorzien, doch werd ingevolge de wet van 26 november 2014 uitgesteld naar 1 januari 2017 gezien de nodige uitvoeringsmaatregelen op zich lieten wachten. Met de Reparatiewet, goedgekeurd op 25 december 2016, werd de datum van inwerkingtreding andermaal verschoven naar 1 januari 2018.

Op 1 januari 2018 was het dus zover!

De Nieuwe Pandwet hervormt op ingrijpende wijze het pandrecht, het eigendomsvoorbehoud en het retentierecht. Zowel het pandrecht als het eigendomsvoorbehoud kunnen voortaan worden ingeschreven in het Nationaal Pandregister (https://pangafin.belgium.be/).

Belangrijkste wijzigingen

In wat volgt wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste nieuwigheden dewelke de ‘Nieuwe Pandwet’ vanaf 1 januari 2018 met zich meebrengt:

1– Pand vereist niet langer de fysieke buitenbezitstelling van het goed waarop het pand gevestigd word. De pandgever kan het in pand gegeven goed bij zich houden en blijven gebruiken, en in principe zelfs verkopen, in het kader van een normale uitoefening van haar bedrijfsactiviteiten.

Een pandrecht wordt voortaan tegenstelbaar aan derden door registratie in het Nationaal Pandregister. Uitzondering: registratie zal evenwel niet kunnen worden gebruikt om het pand op schuldvorderingen tegenstelbaar te maken aan derden. Daarvoor blijft de bestaande kennisgeving vereist (art. 1690-1691 BW).

Voordeel voor de pandhouder is dat hij niet meer aansprakelijk kan gesteld worden voor beschadiging aan of verlies van het in pand gegeven goed tijdens de periode van buitenbezitstelling.

De pandhouder heeft evenwel het recht om te allen tijde de in pand gegeven goederen te inspecteren en heeft daarenboven recht op subrogatie[1]. (Bijvoorbeeld subrogatie op de betaalde prijs in geval van verkoop).

Indien de Pandwet wordt geschonden, kan de pandhouder te allen tijde alsnog de fysieke overhandiging van het in pand gegeven goed vorderen.

 

-2 Pand kan gevestigd worden op alle roerende goederen die verhandelbaar[2] zijn Uitzondering: Schepen zijn niet vatbaar voor pand.[3]

Eenmaal het pand werd gevestigd, blijft het pand ook geldig indien het goed onroerend zou worden door incorporatie[4] of bestemming[5].

 

-3 Indien er een pand gevestigd is op één of meerdere roerende goederen en één of meerdere daarvan zijn tevens onderhevig aan een eigendomsvoorbehoud, dan blijft het eigendomsvoorbehoud wel prioritair t.o.v. van het pand en dit zonder dat het eigendomsvoorbehoud daarvoor moet worden geregistreerd.

Als onbetaalde verkoper kan je zo met een eigendomsvoorbehoud als het ware ‘een superprioriteit’ verkrijgen.

Als pandhouder kan het evenwel problematisch zijn indien je niet kan nagaan of er een eigendomsvoorbehoud rust op de betrokken goederen.

Eigendomsvoorbehoud kàn worden geregistreerd worden in het Pandregister. Dit is niet verplicht doch verleent extra bescherming. Registratie is niet gratis

Het is evenwel zinvol om het eigendomsvoorbehoud te registreren om tegenstelbaar te blijven indien het goed onroerend zou worden door incorporatie in een onroerend goed dat tevens gehypothekeerd werd[6] (Bijvoorbeeld: Levering van een machine met eigendomsvoorbehoud dewelke nadien ingebouwd wordt).

 

-4 Voortaan is het voor alle schuldeisers mogelijk om een pand op de handelszaak te vestigen (daar waar het voorheen enkel mogelijk was voor financiële instellingen).

Dit kan een belangrijk zekerheidsinstrument zijn voor ondernemers die herhaaldelijk worden geconfronteerd met wanbetalers.

Daarenboven zal voortaan een pand op de volledige voorraad kunnen worden gevestigd, daar waar dit voorheen beperkt was tot de helft.

 

-5 De uitvoeringsprocedure is vereenvoudigd, thans is er bij niet-consumenten in principe geen voorafgaande tussenkomst van de rechtbank meer nodig om het pand te verzilveren.[7] De pandhouder die tot uitwinning wenst over te gaan, dient daarvan ten minste tien dagen vooraf bij een aangetekende zending kennis te geven. Na verloop van deze termijn kan de pandhouder het in pand gegeven goed zelf toe-eigenen (indien dit expliciet is overeengekomen) of het goed laten verhuren/verkopen en de opbrengst hiervan aanwenden ter aanzuivering van de schuld.[8]

Modaliteiten van de uitwinning kunnen contractueel worden bepaald, dit evenwel mits inachtname van art. 48-56 Pachtwet.

Indien de pandhouder niet akkoord is met de wijze waarop de uitwinning verloopt of is verlopen kan men zowel tijdens de uitwinning (kort geding procedure) als na de uitwinning (procedure ten gronde) de rechtbank vatten. (Bijvoorbeeld indien de klant weigert om de goederen terug te geven, dient de rechtbank te worden gevat. Het is namelijk niet toegelaten om goederen weg te halen uit andermans bezit.)

Voor consumenten blijft de huidige uitwinningsprocedure grotendeels behouden.[9] De verzilvering van het pand vereist steeds de voorafgaande tussenkomst van de rechtbank.

 

-6 Daarenboven dient te worden opgemerkt dat er bepaalde bijkomende beschermingsmaatregelen gelden indien de pandgever een consument is. De pandovereenkomst dient schriftelijk te worden opgesteld (een geschreven overeenkomst verdient logischerwijze ook in alle andere gevallen de voorkeur!). Tevens moet het pand in verhouding staat tot de schuldvordering (de waarde van de verpande goederen mag maximaal tweemaal de waarde betreffen van de gewaarborgde schuldvordering vermeerderd met aanhorigheden en interesten.

 

-7 Er komt een elektronisch pandregister. De belangrijkste functies van dit register zijn:

1. Tegenstelbaar maken van een pand aan derden (“first come first serve”– principe: eerst geregistreerd is eerste rang);

2. Schuldeisers informeren over reeds bestaande panden bij een schuldenaar (kostprijs bedraagt vijf euro per opzoeking).

Let wel: Misbruik van dergelijke opzoekingen is strafbaar en zal eenvoudig gecontroleerd kunnen worden. Iedere persoon kan tot zes maanden terug zien wie inlichtingen over hem heeft o
pgevraagd.

 

-8 Registratie is noodzakelijk om het pand tegenstelbaar te maken aan derden (doch klassieke fysieke buitenbezitstelling blijft ook mogelijk).

Registratie geldt vanaf betaling van de retributie en is 10 jaar geldig. Het is steeds mogelijk om een registratie te hernieuwen voor een periode van tien jaar.

Enkel de pandhouder is bevoegd voor de registratie, wijziging of deregistratie van een pand. De pandhouder moet de pandgever schriftelijk op de hoogte brengen van elke registratie, wijziging of deregistratie .

 

-9 Kostprijs van de retributierechtenvoor registratie, wijziging of deregistratie is afhankelijk van de waarde van de verzekerde verbintenis. Hieronder overzicht:

 

 ssslll

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zowel voor registratie, als voor wijziging en deregistratie van een pandrecht in het Nationaal register is een retributie verschuldigd.

Voor verdere vragen over het nieuwe pandrecht aarzel niet om contact met ons op te nemen. Wij helpen U graag verder.

 

 [1] Subrogatie: Bij zakelijke subrogatie komt een goed in de plaats van een ander goed dat in het vermogen een bepaalde functie vervult. Het goed dat in de plaats komt zal de funtie van het vorige goed overnemen (onder bepaalde voorwaarden)
[2]Verhandelbare roerende goederen: bestaande of toekomstige goederen [mits identificeerbaar], lichamelijke of onlichamelijke goederen, individuele goederen of goederen die deel uitmaken van een geheel van goederen of bedrijfseenheid
[3] Art. 4 Reparatiewet
[4]Onroerend door incorporatie: onderdelen en uitrustingen van een gebouw, die een geheel vormen met het gebouw en aldus nuttig of noodzakelijk zijn voor de normale werking en het normaal genot van het gebouw of onroerend goed, zijn onroerend door incorporatie.
[5]Onroerend door bestemming: Een roerend goed kan onroerend worden door bestelling indien het roerend goed fysiek verplaatsbaar is, maar als accessorium van een onroerend goed ook als onroerend wordt beschouwd.
[6]Art. 71 Pandwet
[7]Art. 47 Pandwet
[8] Uitzondering: Goederen onderhevig aan bederf of snelle waardevermindering kunnen na drie dagen reeds worden verkocht.
[9]Art. 46 Pandwet

——————————————————

1er janvier 2018: la nouvelle loi sur le gage entre en vigueur !

 

Généralités

La Loi du 11 juillet 2013 modifiant le Code Civil en ce qui concerne les sûretés réelles mobilières et abrogeant diverses dispositions en cette matière (ci-après : « la nouvelle loi ») est entrée en vigueur le 1er janvier 2018.

L’entrée en vigueur de la nouvelle loi était à l’origine prévue pour le 1er décembre 2014, mais a été remise au 1er janvier 2017, car les mesures d’exécution se faisaient attendre. Une loi réparatrice, approuvée le 25 décembre 2016, a une nouvelle fois reporté la date d’entrée en vigueur au 1er janvier 2018.

La loi est donc – enfin ! – entrée en vigueur au 1er janvier 2018.

La nouvelle loi réforme drastiquement le droit de gage, la réserve de propriété et le droit de rétention. Tant le droit de gage que la réserve de propriété peuvent à présent être enregistrés au registre des gages (https://pangafin.belgium.be/).

Modifications principales

Ci-dessous sont résumées les principales nouveautés apportées par la nouvelle loi à partir du 1er janvier 2018 .

 

-1 Le gage ne suppose plus la dépossession physique du bien sur lequel il porte. Le constituant du gage peut conserver auprès de lui le bien donné en gage, continuer à l’utiliser, voire en principe le vendre, dans le cadre de l’exercice normal de ses activités.

Le gage devient dès à présent opposables au tiers par son enregistrement dans le registre des gages. Exception : l’enregistrement ne pourra toutefois pas être utilisé pour rendre opposable un gage sur créance. La notification prévue aux articles 1690-1691 du Code civil reste exigée.

L’avantage pour le créancier-gagiste est qu’il ne peut plus être tenu responsable pour la perte ou le dommage au bien donné en gage pendant la période de dépossession.

Le créancier-gagiste a néanmoins le droit d’inspecter le bien donné en gage et a de plus un droit de subrogation[1] (par exemple, subrogation sur le prix payé en cas de vente).

Si les dispositions de la loi sont violées, le créancier-gagiste peut à tout moment demander à être mis en possession physique du bien donné en gage.

 

-2 Le gage peut porter sur tous les biens meubles dans le commerce[2]. Exception : Les navires ne peuvent pas faire l’objet d’un gage[3].

Une fois le gage constitué, il restera en vigueur même si le bien devient immobilier par incorporation[4] ou par destination[5].

 

-3 Si le gage est constitué sur un ou plusieurs biens mobiliers et que l’un ou plusieurs de ceux-ci font également l’objet d’une réserve de propriété, la réserve de propriété reste prioritaire par rapport au gage, et ce sans que celle-ci doive être enregistrée.

En tant que vendeur impayé, vous pouvez ainsi bénéficier d’une « super-priorité ».

Pour le créancier gagiste toutefois, il peut s’avérer problématique de ne pas pouvoir vérifier s’il existe une réserve de propriété qui porte sur le ou les bien(s) en question.

La réserve de propriété peut être enregistrée dans le Registre des gages. Cet enregistrement n’est pas obligatoire, mais il fournit une protection supplémentaire. L’enregistrement n’est toutefois pas gratuit.

Il peut toutefois être avantageux d’enregistrer une réserve de propriété, afin que celle-ci reste opposable si le bien devait être immobilisé par incorporation dans un bien immobilier hypothéqué[6] (Exemple : livraison d’une machine avec réserve de propriété, laquelle est ensuite immobilisée).

 

-4 À l’avenir, il sera possible pour tous les créanciers de constituer un gage sur le fonds de commerce (ce n’était possible auparavant que pour les institutions financièr
es).

Cela peut représenter un instrument de sûreté important pour tous les entrepreneurs qui sont confrontés de manière répétée à de mauvais payeurs.

De plus, un gage pourra désormais être constitué sur l’entièreté du stock, là où cette possibilité était antérieurement limitée à la moitié.

 

-5 La procédure d’exécution est simplifiée, de sorte qu’une intervention du tribunal n’est désormais en principe plus nécessaire afin de s’approprier le bien mis en gage par un non-consommateur[7]. Le créancier gagiste qui souhaite la réalisation du gage, doit en informer le débiteur et le cas échéant le tiers-constituant du gage, par recommandé, au moins 10 jours à l’avance. À l’écoulement de ce délai, le créancier gagiste peut s’approprier le bien donné en gage (pour autant que cela ait explicitement été convenu), ou faire louer ou vendre le bien et utiliser le produit pour apurer la dette[8].

Les modalités de la réalisation du gage peuvent être déterminées contractuellement, sous réserve de l’application des article 48 à 56 de la loi.

Si le créancier gagiste est en désaccord avec la manière dont la réalisation se produit ou s’est produite, il peut autant durant la réalisation (procédure en référé) qu’après la réalisation (procédure sur le fond), saisir les tribunaux (Par exemple, si le client refuse de rendre les biens, les tribunaux doivent être saisis. Il n’est pas permis de récupérer les biens manu militari).

La procédure de réalisation reste largement inchangée en ce qui concerne les consommateurs[9]. L’appropriation du bien mis en gage exige toujours l’intervention préalable du tribunal.

 

-6 Il faut de plus signaler qu’existent des mesures de protection supplémentaires si le constituant du gage est un consommateur. Le contrat de gage doit alors être établi par écrit (il est naturellement toujours préférable d’établir toute convention par écrit !). Le gage doit également être proportionné à la créance (la valeur des biens donnés en gage ne peut dépasser le double de la valeur de la dette garantie augmentée des accessoires et des intérêts).

-7 Il existe désormais un registre électronique des gages. Les fonctions principales de ce registre sont les suivantes :

  1. Le gage enregistré est opposable aux tiers (« first come first serve » – principe : le premier enregistré est le premier en rang) ;
  2. Informer les créanciers sur les gages préexistants qui grèveraient les biens d’un débiteur (les recherches coûtent 5 € par recherche).

Attention : L’abus de ces recherches est punissable et peut facilement être contrôlé. Toute personne peut vérifier qui a effectué des recherches à son égard durant les 6 derniers mois.

 

-8 L’enregistrement est nécessaire afin de rendre le gage opposable aux tiers (mais la dépossession physique « classique » reste également possible).

L’enregistrement est valable à partir du paiement de la rétribution et reste valable 10 ans. Il est toujours possible de renouveler l’enregistrement pour une période de 10 ans.

Seul le créancier gagiste peut enregistrer, modifier ou faire radier l’enregistrement du gage. Le créancier gagiste doit informer le constituant du gage par écrit de tout enregistrement, modification ou radiation.-

-9 La rétribution pour l’enregistrement, la modification ou la radiation dépend de la valeur de l’obligation assurée. Vous trouverez ci-dessous un tableau détaillé :

 

ssslll

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Une rétribution est due tant pour l’enregistrement que pour la modification ou la radiation d’un gage dans le Registre national.

Pour toutes vos autres questions, n’hésitez pas à prendre contact avec nos spécialistes. Nous vous assistons bien volontiers.

 

[1] Subrogation : La subrogation réelle consiste à remplacer un bien du patrimoine ayant une fonction déterminée par un autre bien. Le bien qui prend la place du premier bien reprendra également ses fonctions (sous des conditions déterminées).

[2] Biens mobiliers dans le commerce : biens existants ou futurs [pour autant qu’ils soient identifiables], physiques ou incorporels, individuels ou faisant partie d’un ensemble de biens ou d’une unité commerciale.

[3] Art. 4 Loi réparative

[4] Immeuble par incorporation: les pièces et équipements d’un bâtiment qui forment un tout avec le bâtiment et sont donc utiles ou nécessaires pour la jouissance et le fonctionnement normal du bâtiment et du bien immobilier sont immeubles par « incorporation ».  

[5] Immeuble par destination: Un bien mobilier peut devenir immeuble par « destination » si le bien meuble est physiquement déplaçable, mais est néanmoins considéré comme immeuble en tant qu’accessoire d’un bien immobilier.

[6] Art. 71 Loi sûretés réelles mobilières.

[7] Art. 47 Loi sûretés réelles mobilières.

[8] Exception : les biens qui sont périssables ou qui sont sujets à une dépréciation rapide peuvent déjà être vendus après 3 jours.

[9] Art. 46 Loi sûretés réelles mobilières.

Uit het jaarlijkse financiële rapport van de Europese Commissie blijkt dat zowel de Europese Unie als haar lidstaten regelmatig in aanraking komen met internationale BTW fraude en fraude met EU-gelden[1]. Om dit soort fraude – die in veel gevallen grensoverschrijdend van aard is – efficiënt aan te pakken, is er een instelling nodig die over de landsgrenzen heen een onderzoek kan instellen en tot vervolging kan overgaan.

Momenteel kunnen enkel nationale autoriteiten EU-fraude onderzoeken en vervolgen, waarbij hun bevoegdheid ophoudt bij hun landgrens. Ook de huidige EU-organen – OLAF (het EU-Bureau voor fraudebestrijding), Eurojust (het EU-Agentschap voor strafrechtelijke samenwerking) en Europol (de Europese Politiedienst) – kunnen geen strafrechtelijk onderzoek uitvoeren of fraudezaken vervolgen. Bovendien leveren niet alle lidstaten gelijke inspanningen op het gebied van rechtshandhaving en leidt het geringe aantal vervolgingen tot een laag terugvorderingpercentage met betrekking tot de bedragen die door fraude zijn misgelopen.

Om deze inefficiënte aanpak van fraude met EU-gelden te verbeteren en ervoor te zorgen dat EU-gelden beter geïnvesteerd kunnen worden, stelde de Europese Commissie in juli 2013 voor om een ‘EPPO’[2] ofte Europees Openbaar Ministerie (EOM) op te richten[3].

De grondslag voor zulk een Europees Openbaar Ministerie is terug te brengen naar het Verdrag van Lissabon van 13 december 2007 dat in haar artikel 86 al stelde :

“Ter bestrijding van strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden, kan de Raad op de grondslag van Eurojust volgens een bijzondere wetgevingsprocedure bij verordeningen een Europees openbaar ministerie instellen.”[4]

Na 4 jaar van onderhandeling richten 20 EU-landen (Oostenrijk, België, Bulgarije, Kroatië, Cyprus, Tsjechië, Estland, Finland, Frankrijk, Duitsland, Griekenland, Italië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Portugal, Roemenië, Slowakije, Spanje en Slovenië) op 12 oktober 2017 het Europees Openbaar Ministerie op. Een opvallende afwezige in dit lijstje is buurland Nederland dat zich initieel verzette tegen het voorstel aangezien zij dit een aantasting van hun soevereiniteit achten. Toch verklaarde premier Rutte op 16 oktober 2017 in de Kamer dat Nederland zal toetreden tot het EPPO in haar huidige vorm.

Na dit akkoord kwam de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie tot stand.

Bij de bestrijding garandeert de verordening dat een verdachte beschikt over alle rechten die hem krachtens de EU-wetgeving en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie toekomen. Deze rechten worden uitdrukkelijk vermeld en betreffen onder andere: tolk- en vertaaldiensten, informatie en inzage in het dossier, toegang tot een advocaat, het recht om te zwijgen en het vermoeden van onschuld, … Bovendien beschikt de verdachte over de rechten van verdediging die hem op grond van het nationale procesrecht worden toegekend.

Het Europees Openbaar Ministerie zelf wordt opgericht als onafhankelijk en gedecentraliseerd openbaar vervolgingsorgaan van de Europese Unie dat bevoegd zal zijn voor het onderzoeken, vervolgen en voor het gerecht brengen van strafbare feiten ‘die de financiële belangen van de Unie schaden’[5]. Welke gedragingen hieronder vallen wordt uitdrukkelijk geregeld in de EU-Richtlijn 2017/1371[6], ongeacht of diezelfde strafbare gedraging naar nationaal recht als een ander strafbaar feit kan worden gekwalificeerd.

Het EPPO is in geen geval bevoegd voor strafbare feiten met betrekking tot nationale directe belastingen, maar zal zich voornamelijk bezig houden met fraude met EU-middelen voor bedragen van meer dan 10 000 euro alsmede met ingewikkelde grensoverschrijdende gevallen van btw-fraude waarbij voor meer dan 10 miljoen euro schade wordt berokkend. [7]

Wat de organisatie en werking van het EPPO betreft, zal het EPPO fungeren als collegiaal orgaan, bestaande uit 2 niveaus. Het centrale niveau bestaat onder meer uit een Europees hoofdaanklager, die de algemene verantwoordelijkheid draagt over het EPPO. Het decentrale niveau wordt gevormd door de gedelegeerd Europese aanklagers, die werkzaam zijn in de lidstaten en verantwoordelijk zijn voor het dagelijkse verloop van strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen, in overeenstemming met de wet- en regelgeving van die lidstaat.[8]

Opmerkelijk is dat de Europese gedelegeerde openbare aanklagers in functie kunnen blijven als nationale openbare aanklager (en dus twee petten dragen). Wanneer zij optreden in het kader van het mandaat van het EOM, zijn zij echter volledig onafhankelijk van de nationale vervolgingsdiensten.

Het centrale niveau zorgt voor het monitoren van, leiden van, en toezien op alle door gedelegeerd Europees aanklagers uitgevoerde onderzoeken en vervolgingen. Zo wordt een coherent onderzoeks- en vervolgingsbeleid in heel Europa gewaarborgd.

Een voorbeeld van dit beoogd coherent beleid is de subsidiariteitsregel uit artikel 26.4 van de EPPO-Verordening waarbij, als uitgangspunt, een zaak ingesteld en behandeld wordt door de gedelegeerde Europese aanklager uit de lidstaat waar zich het zwaartepunt van de strafbare activiteit bevindt.

Wanneer er verscheidene met elkaar verband houdende strafbare feiten zijn gepleegd die onder de bevoegdheid van het EPPO vallen, zal de gedelegeerd Europese Aanklager van de lidstaat waar de meeste van die feiten zijn gepleegd, bevoegd zijn.[9]

Indien het EPPO van mening is dat het bevoegd is om een strafbaar feit verder te onderzoeken kan het beroep doen op haar in artikel 27 omschreven evocatierecht. Op die manier kan het EPPO, na overleg met de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat en mits naleving van de procedurele verplichtingen, het onderzoek evoceren van de betrokken LS en een grensoverschrijdend coherent onderzoek voeren.

Samengevat zal het EPPO dus in alle deelnemende lidstaten als één instantie optreden en ervoor zorgen dat de Europese en nationale inspanningen op het gebied van rechtshandhaving worden samengevoegd in een één naadloze en efficiënte aanpak. Zo kan het snel en over nationale grenzen heen reageren (bv. snelle informatie-uitwisseling, gecoördineerde politieonderzoeken, …) zonder dat er langdurige procedures voor justitiële samenwerking aan te pas komen. Het maakt verder een gemeenschappelijk vervolgingsbeleid mogelijk, waardoor er een einde komt aan de huidige versnipperde aanpak.

Nu een belangrijke institutionele lacune is opgevuld, is het wachten tot de opbouw en uitbouw van het EPPO voltooid is. Verwacht wordt dat deze fase een drietal jaar in beslag zal nemen waardoor het EPPO op zijn vroegst eind 2020 operationeel zal zijn.

De datum waarop het EPPO zijn taken zal opnemen, zal op voorstel van de Europees hoofdaanklager door de Commissie worden vastgesteld, zodra het EPPO is ingesteld. De verordening bepaalt dat die datum niet eerder is dan 3 jaar na de inwerkingtreding van deze verordening[10].

Tot slot zal de Commissie volgend jaar de eerste stappen zetten voor een eventuele toekomstige uitbreiding van de taken van het EPPO tot de bestrijding van grensoverschrijdend terrorisme.

To be continued, dus…  Klik hier om contact met ons kantoor op te nemen.

 

Christian CLEMENT

Jens VANHELLEMONT                                                 

 

 

[1] European Commission, Protection of the European Union’s financial interests — Fight against fraud 2015 Annual Report, Brussels, 14/07/2016,https://ec.europa.eu/anti fraud/sites/antifraud/files/pifreport_2015_en.pdf

[2] European Public Prosecutor’s Office (Nederlands v
ertaald: Europees Openbaar Ministerie

[3]European Commission, Proposal for a Regulation of the European Parliament and of the Council on the European Union Agency for Criminal Justice Cooperation Eurojust, document 2013/0256, Brussels, 17/7/2013.

[4] artikel 86 VWEU (Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie)

[5]Artikel 22 Verordening 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (hierna: EPPO-Verordening)

[6]Directive (EU) 2017/1371 of the European Parliament and of the Council of 5 July 2017 on the fight against fraud to the Union’s financial interests by means of criminal law.

[7] Artikel 22 EPPO-Verordening juncto artikel 2, lid 2 en artikel 3, lid 2, D van de Richtlijn 2017/1371.

[8] Inzake structuur van het EPPO: zie Hoofdstuk 3, afdeling I EPPO-Verordening.

[9] Toewijzing en bevoegdheidsregeling: zie artikel 26 e.v. EPPO-verordening

[10] Artikel 120 EPPO-Verordening

 

——————————————————————————————————————————————————

L’Europe lance le Parquet européen

Il ressort du rapport budgétaire annuel de la Commission européenne que l’Union européenne et les États-membres rencontrent régulièrement de la fraude internationale à la TVA et des fraudes au détriment du budget européen[1]. Pour s’attaquer de façon efficace à ces fraudes – qui sont naturellement le plus souvent internationales par nature, il était nécessaire de mettre sur pied une institution qui puisse enquête au-delà des frontières pour ensuite engager des poursuites.

À ce jour, seules les autorités nationales peuvent enquêter sur les fraudes au détriment du budget européen et poursuivre leurs auteurs. Les compétences de ces autorités nationales s’arrêtent toutefois à leurs frontières. Les organes européens quant à eux – OLAF (l’Office européen de la lutte antifraude), Eurojust (l’Unité de coopération judiciaire de l’EU) – ne peuvent ni mener d’enquêtes pénales, ni poursuivre les auteurs de fraudes. De plus, tous les États-membres ne déploient pas les mêmes moyens pour faire appliquer la loi. Le faible nombre de poursuites aboutit à un faible taux de recouvrement, lorsque l’on compare les montants récupérés à ceux perdus en raison de la fraude.

Pour améliorer cette situation et assurer que le budget européen puisse être mieux investi, la Commission a proposé en juillet 2013 d’instaurer un « EPPO »[2], ou « Parquet européen »[3].

Le fondement d’un tel Parquet européen peut être ramenée au Traité de Lisbonne du 13 décembre 2007, qui disposait déjà dans son article 86 :

« Pour combattre les infractions portant atteinte aux intérêts financiers de l’Union, le Conseil, statuant par voie de règlements conformément à une procédure législative spéciale, peut instituer un Parquet européen à partir d’Eurojust. »[4]

Après 4 années de négociations, le Parquet européen a finalement été mis en place le 12 octobre 2017 par 20 États européens (l’Autriche, la Belgique, la Bulgarie, la Croatie, Chypre, la République tchèque, l’Estonie, la Finlande, la France, l’Allemagne, la Grèce, l’Italie, la Lettonie, la Lituanie, le Luxembourg, le Portugal, la Roumanie, la Slovaquie, l’Espagne et la Slovénie). À noter l’absence notable des Pays-Bas, qui s’étaient initialement opposés au projet estimant qu’il s’agissait d’une violation de leur souveraineté. Le Premier Ministre Rutte a toutefois déclaré le 16 octobre 2017 à la Chambre que les Pays-Bas se joindraient au projet dans sa forme actuelle.

Suite à cet accord fut adopté le Règlement (UE) 2017/1939 du Conseil du 12 octobre 2017 mettant en œuvre une coopération renforcée concernant la création du Parquet européen.

 Le Règlement garantit qu’un suspect dispose de tous les droits reconnus par la législation européenne et notamment la Charte des droits fondamentaux de l’Union européenne. Ces droits sont explicitement mentionnés en comprennent, entre autres, les services de traduction et d’interprétation, l’information et l’accès au dossier, l’accès à un avocat, le droit de garder le silence et la présomption d’innocence. Le suspect bénéficie également des droits de la défense reconnus au niveau de la procédure nationale.

Le Parquet européen sera établi comme un organe de poursuites indépendant et décentralisé de l’Union européenne, qui sera compétent pour enquêter, poursuivre et traduire en justice les infractions pénales « portant atteinte aux intérêts financiers de l’Union »[5]. Les comportements qui tombent dans le champ d’application de cette disposition sont explicitement mentionnés dans la Directive européenne 2017/1371[6], indépendamment de la qualification de ces comportements dans les droits nationaux.

L’EPPO (Le Parquet européen) ne sera en aucun cas compétent pour les infractions qui concernent les impôts nationaux directs, mais mènera les procédures portant principalement sur des fraudes impliquant des fonds de l’UE pour des montants supérieurs à 10 000 euros ainsi que sur des cas transfrontaliers complexes de fraude à la TVA causant plus de 10 millions d’euros de dommages[7].

En ce qui concerne l’organisation et le travail de l’EPPO, celui-ci fonctionnera comme un organe collégial consistant en deux niveaux. Le niveau central consistera entre autres du chef du Parquet européen, qui est le chef du Parquet européen dans son ensemble. Le niveau décentralisé est constitué des procureurs européens délégués affectés dans les États membres, responsables de la conduite des enquêtes et des poursuites pénales « au jour le jour » conformément à la législation de l’État membre[8].

Il est à noter que les procureurs européens délégués peuvent rester en fonctions comme procureurs nationaux (et donc porter les deux casquettes). Lorsqu’ils agissent dans le cadre du mandat du Parquet européen, ils sont toutefois parfaitement indépendants des pouvoirs judiciaires nationaux.

Le niveau central assure le suivi, la direction et la supervision des enquêtes et poursuites menées par les procureurs européens délégués. On vise ainsi à garantir une politique d’enquêtes et de poursuites cohérente au niveau européen.

Un exemple de cet objectif d’une politique cohérente est le principe de subsidiarité de l’article 26.4 du Règlement EPPO lequel prévoit, comme point de départ, qu’un dossier est établi et traité par le procureur européen délégué de l’État-membre dans lequel se situe le centre de gravité des activités illicites.

Lorsque sont commises plusieurs infractions, connexes entre elles, relevant de la compétence du Parquet européen c’est le procureur européen délégué de l’État-membre dans lequel la plupart de ces faits ont été posés qui sera compétent[9].

 

Lorsque l’EPPO est d’avis qu’il convient d’enquêter sur une infraction pénale, il peut exercer le droit d’évocation prévu à l’article 27. L’EPPO peut ainsi, après consultation de l’autorité compétente de l’État-membre concerné et sous réserve du respect des obligations procédurales, évoquer l’enquête et mener lui-même une enquête transfrontalière cohérente.

En bref, l’EPPO va donc agir dans tous les États-membres participants pour assurer que les efforts européens et nationaux pour l’application des lois soient fusionnés dans une unique approche, transparente et efficace. Le Parquet européen pourra de cette manière réagir rapidement au-delà des frontières nationales (échange accéléré d’information, enquêtes policières coordonnées,…) sans nécessite
r de longues procédures de coopération judiciaire. Cette approche permettra également une politique de poursuites commune, mettant ainsi fin à l’approche fragmentée actuelle.

Avant que l’on puisse toutefois considérer cette importante lacune institutionnelle comme étant comblée, reste maintenant à attendre la mise en place définitive de l’EPPO. Il est prévu que cette phase de mise en place prenne environ trois ans, de sorte que le Parquet européen sera en principe opérationnel pour la fin 2020.

La date à laquelle le Parquet européen entrera en fonctions sera déterminée par la Commission sur proposition du chef du Parquet européen, dès que le Parquet européen sera en place. Le règlement stipule que cette date ne devrait pas être antérieure à trois ans après l’entrée en vigueur du Règlement[10].

La Commission prendra également dès l’année prochaine les premières mesures afin d’éventuellement étendre, dans le futur, les compétences de l’EPPO à la lutte contre le terrorisme transfrontalier.

Une affaire à suivre, donc… n’hésitez pas à prendre contact avec nos spécialistes.

 

Christian CLEMENT

Jens VANHELLEMONT                                                 

 

 

[1] European Commission, Protection of the European Union’s financial interests — Fight against fraud 2015 Annual Report, Brussels, 14/07/2016,https://ec.europa.eu/anti-fraud/sites/antifraud/files/pifreport_2015_en.pdf

[2] European Public Prosecutor’s Office (En français: Parquet européen).

[3]European Commission, Proposal for a Regulation of the European Parliament and of the Council on the European Union Agency for Criminal Justice Cooperation Eurojust, document 2013/0256, Brussels, 17/7/2013.

[4] Article 86 TFEU (Traité sur le fonctionnement de l’Union européenne)

[5]Article 22 Règlement (UE) 2017/1939 du Conseil du 12 octobre 2017 mettant en œuvre une coopération renforcée concernant la création du Parquet européen (Règlement EPPO)

[6]Directive (EU) 2017/1371 of the European Parliament and of the Council of 5 July 2017 on the fight against fraud to the Union’s financial interests by means of criminal law.

[7]Article 22 Règlement EPPO juncto article 2, al. 2 en article 3, al. 2, D de la Directive 2017/1371.

[8]En ce qui concerne la structure de l’EPPO: v. Chapitre 3, section I Règlement EPPO.

[9]Répartition et compétences: v. article 26 et s. Règlement EPPO.

[10] Article 120 Règlement EPPO.

Hoofdwebsite Contact
afspraak maken upload






      GDPR proof area
      Upload uw documenten





      sleep uw documenten naar hier of kies bestand


      sleep uw briefwisseling naar hier of kies bestand











        Benelux (€... )EU (€... )Internationaal (prijs op aanvraag)

        Door de aanvraag in te dienen, verklaart u zich uitdrukkelijk akkoord met onze algemene voorwaarden en bevestigt u dat u onze privacyverklaring aandachtig heeft gelezen. Het verzenden van deze aanvraag geldt als een opdrachtbevestiging.
        error: Helaas, deze content is beschermd!